Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW8688

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
17/880069-12 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zevental insluipingen en een diefstal. In het bejaardentehuis waar verdachte als klusjesman werkzaam was is hij, op momenten waarop de desbetreffende bewoner afwezig was, met behulp van een loper de woning binnengegaan en heeft hij vooral sieraden en geld weggenomen. In één geval heeft hij een tas van een op de gang staande rollator weggenomen. Verdachte heeft met deze feiten een kwetsbare groep, ouderen, als slachtoffer gekozen. Bovendien heeft hij op grove wijze het vertrouwen geschonden dat bewoners en medewerkers van het bejaardentehuis in hem stelden. Alles afwegend en gelet op de landelijke oriëntatiepunten die de rechtspraak hanteert voor soortgelijke feiten, is de rechtbank van oordeel dat een, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf passend is. Verdachte is veroordeeld tot gevangenisstraf van vierentwintig maanden waarvan acht voorwaardelijk. De vorderingen van twee benadeelde partijen zijn toegewezen. De vordering van twee andere benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14d
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parket[17]/880069-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 juni 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 1 juni 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 februari 2012 te Leeuwarden, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning (gelegen aan of bij de

Trosdravik [nummer], aldaar) heeft weggenomen zes gouden ringen en/of twee

gouden armbanden en/of twee gouden kettingen en/of een gouden hanger (met

steen donker gekleurd) en/of een gouden hanger (met munt van goud) en/of een

aantal oorsieraden en/of een broche en/of een hanger met diamantachtige inleg

en/of drie horloges, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [aangever1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 6 juli 2010 te Leeuwarden met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning (gelegen aan of bij de

Trosdravik [nummer], aldaar) heeft weggenomen twee geldkistjes kleur blauw

en grijs (met onder meer als inhoud een trouwboekje en/of een hoeveelheid geld

en/of zilveren muntstukken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2010 tot en met 22 februari 2012 te

Leeuwarden, in elk geval in Nederland, twee geldkistjes kleur blauw en grijs

(met onder meer als inhoud een trouwboekje en/of een hoeveelheid geld en/of

zilveren muntstukken) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van voormelde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a/417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2009 tot en met 12 februari

2009 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit

een aanleunwoning (gelegen aan of bij de Timothee [nummer] aldaar) heeft

weggenomen een handtas met daarin ondermeer een portemonnee en/of bankpasjes

en/of id kaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangever3] in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2009 tot en met 12 februari

2009 te Leeuwarden (vanaf de gang behorende bij een aanleunwoning gelegen

aldaar aan de Timothee [nummer] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een handtas met daarin ondermeer een portemonnee en/of

bankpasjes en/of id kaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever3] in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van

en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2009 tot en met 22 februari

2012 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een handtas en/of een

portemonnee en/of bankpasjes en/of id kaarten, heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voormelde goed(eren) wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a /417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 8 januari 2010 tot en met 16 februari 2012

te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

aanleunwoning (gelegen aan of bij de de Trosdravik [nummer] aldaar)

heeft weggenomen een geldkistje en/of waardepapieren, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever4], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 8 januari 2010 tot en met 22 februari 2012

te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een geldkistje en/of waardepapieren,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde goederen

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a/417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2012 tot en met 12 februari 2012

te Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

aanleunwoning (gelegen aan of bij de Trosdravik [nummer], aldaar) heeft

weggenomen een geldbedrag van 150 euro, en/of een gouden medaillon en/of een

gouden ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangever5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2012 tot en met 22 februari 2012

te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een gouden medaillon en/of een

gouden ketting, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van voormelde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid a sub a/417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

6.

hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2012 tot en met 16 februari

2012 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit

een aanleunwoning (gelegen aan of bij de Trosdravik [nummer] aldaar) heeft

weggenomen een gouden schakelketting en/of een gouden ketting met een hanger,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever6], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2012 tot en met 22 februari

2012 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een gouden schakelketting en/of

een gouden ketting met een hanger, heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormelde goederen wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a/ 417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

7.

hij in of omstreeks de periode van 14 november 2011 tot en met 28 november

2011 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit

een kamer van het zorgcentrum Erasmushiem heeft weggenomen een gouden

slavenarmband, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangever7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 14 november 2011 tot en met 22 februari

2012 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een gouden slavenarmband heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld goed wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a/ 417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

8.

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2011 tot en met 6 mei 2011 te

Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

aanleunwoning (gelegen aan/bij de Trosdravik [nummer] aldaar) heeft

weggenomen een gouden armband en/of een zilveren ketting en/of een gouden

ketting en/of twee trouwringen en/of twee paar gouden oorbellen en/of een

gouden ring en/of een gouden ring met steentjes en/of een kluiscassette en/of

een portefeuille (met daarin E 50,-) in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [aangever8], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Stafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2011 tot en met 22 februari 2012

te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een zilveren ketting en/of een

zilveren medaillon heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van voormelde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a/417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht)

9.

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 te

Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

aanleunwoning aan/nabij het Trosdravik [nummer] heeft weggenomen zes oorbellen en/of

drie hangers en/of een slaven armband en/of een schakelarmband en/of twee

ringen en/of een zilveren ketting en/of een zilveren broche en/of twee

parelkettingen met oorknopjes en/of een Adecohanger met zilveren ketting, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever9], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2011 tot en met 22 februari 2012

te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een gouden schakelarmband heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde goed wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 lid 1 sub a/417 bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht).

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 9. primair en subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. primair, 5. primair, 6. primair, 7. primair en 8. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht;

- teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen zoals genoemd op de beslaglijst;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever2] tot een bedrag van

€ 50,00 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever5] tot een bedrag van

€ 120,00, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag en niet-ontvankelijk verklaring met betrekking tot het overige gevorderde;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever6] tot een bedrag van €120,00 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever8] met betrekking tot de immateriële schade, toewijzing van de materiële schade tot een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, niet-ontvankelijk verklaring van het overige deel van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het bedrag dat de rechtbank toewijst.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het onder 9. primair en subsidiair ten laste gelegde te komen. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van dat feit.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat hetgeen onder 1. primair, 2. primair, 4. primair, 5. primair, 6. primair, 7. primair en 8. primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden nu verdachte deze feiten tijdens het onderzoek ter terechtzitting alsnog heeft bekend.

De officier van justitie en de raadsman hebben aangevoerd dat de onder 3. ten laste gelegde diefstal bewezen kan worden. Verdachte heeft zich daarbij echter niet de toegang tot de woning verschaft met een valse sleutel. De rechtbank komt ook tot dit oordeel en verklaart het onder 3. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat het deel dat ziet op de valse sleutel wordt uitgestreept.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2012016425-1, d.d. 14 februari 2012, inhoudende de aangifte van [aangever1].

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2012016425-32, d.d. 18 februari 2012, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisanten].

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2012016425-38, d.d. 19 februari 2012, inhoudende de verklaring van [aangever1].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2010067663-1, d.d. 10 juli 2010, inhoudende de aangifte van [aangever2].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2009017393-1, d.d. 24 februari 2009, inhoudende de aangifte van [aangever3].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 4. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2012016425-71, d.d. 13 april 2012, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisanten].

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02IA 2012034994-1, d.d. 4 april 2012, inhoudende de aangifte van [aangever].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 5. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2012017169-1, d.d. 16 februari 2012, inhoudende de aangifte van [aangever5].

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2012017169-2, d.d. 23 maart 2012, inhoudende de verklaring van [aangever5].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 6. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2012018464-1, d.d. 20 februari 2012, inhoudende de aangifte van [aangever6].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 7. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2012031256-1, d.d. 24 maart 2012, inhoudende de aangifte van [aangever7].

De rechtbank past met betrekking tot het onder 8. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2012;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2011034961-4, d.d. 23 juni 2011, inhoudende de verklaring van [aangever8].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. primair, 5. primair, 6. primair, 7. primair en 8. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 14 februari 2012 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning gelegen aan of bij de Trosdravik [nummer], aldaar heeft weggenomen ringen en twee gouden armbanden en twee gouden kettingen en een gouden hanger met steen donker gekleurd en een gouden hanger met munt van goud en een aantal oorsieraden en een broche en een hanger met diamantachtige inleg en drie horloges, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

2. primair

hij op 6 juli 2010 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning gelegen aan of bij de Trosdravik [nummer], aldaar heeft weggenomen twee geldkistjes kleur blauw en grijs met onder meer als inhoud een trouwboekje en een hoeveelheid geld en zilveren muntstukken, toebehorende aan [aangever2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

3. primair

hij in de periode van 11 februari 2009 tot en met 12 februari 2009 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de Timothee [nummer] aldaar heeft

weggenomen een handtas met daarin ondermeer een portemonnee en bankpasjes

en ID-kaarten, toebehorende aan [aangever3].

4. primair

hij in de periode van 8 januari 2010 tot en met 16 februari 2012 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning gelegen aan of bij de de Trosdravik [nummer], aldaar heeft weggenomen een geldkistje en waardepapieren, toebehorende aan [aangever4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

5. primair

hij in de periode van 6 februari 2012 tot en met 12 februari 2012 te Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning gelegen aan of bij de Trosdravik [nummer], aldaar heeft weggenomen een geldbedrag van 120 euro, en een gouden medaillon, toebehorende aan [aangever5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

6. primair

hij in de periode van 12 februari 2012 tot en met 16 februari 2012 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning gelegen aan of bij de Trosdravik [nummer], aldaar heeft weggenomen een gouden schakelketting en een gouden ketting met een hanger, toebehorende aan [aangever6], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

7. primair

hij in de periode van 14 november 2011 tot en met 28 november 2011 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kamer van het zorgcentrum Erasmushiem heeft weggenomen een slavenarmband, toebehorende aan [aangever7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft door middel van een valse sleutel.

8. primair

hij in de periode van 29 maart 2011 tot en met 6 mei 2011 te Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aanleunwoning gelegen aan/bij de Trosdravik [nummer], aldaar heeft weggenomen een gouden armband en een zilveren ketting en een gouden ketting en twee trouwringen en twee paar gouden oorbellen en een gouden ring en een gouden ring met steentjes toebehorende aan [aangever8], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

2. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutels.

3. primair Diefstal.

4. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

5. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

6. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

7. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

8. primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie en het reclasseringsadvies;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zevental insluipingen en een diefstal. In het bejaardentehuis waar verdachte als klusjesman werkzaam was is hij, op momenten waarop de desbetreffende bewoner afwezig was, met behulp van een loper de woning binnengegaan en heeft hij vooral sieraden en geld weggenomen. In één geval heeft hij een tas van een op de gang staande rollator weggenomen.

Verdachte heeft met deze feiten een kwetsbare groep, ouderen, als slachtoffer gekozen. Hij heeft de feiten gedurende een periode van enkele jaren gepleegd en heeft derhalve telkens opnieuw de beslissing genomen opnieuw tot diefstal over te gaan. Bovendien heeft hij op grove wijze het vertrouwen geschonden dat bewoners en medewerkers van het bejaardentehuis in hem stelden. Het is onduidelijk gebleven uit welk motief verdachte heeft gehandeld. Hij heeft geen justitieel verleden met betrekking tot vermogensfeiten en naar eigen zeggen had hij geen financiële problemen. Ook lijken er geen andere problemen in de persoonlijke sfeer te spelen. Ter zitting heeft verdachte aangegeven niet afwijzend te staan tegenover begeleiding door de reclassering.

Een positief punt is dat verdachte op de zitting schoon schip heeft gemaakt.

Alles afwegend en gelet op de landelijke oriëntatiepunten die de rechtspraak hanteert voor soortgelijke feiten, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf passend is. De rechtbank zal deze strafeis overnemen, inclusief reclasseringstoezicht.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen, zoals deze zijn opgenomen op de beslaglijst, de teruggave aan verdachte gelasten, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partijen

[aangever2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[aangever5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 120,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, dat niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu deze niet is onderbouwd. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[aangever6] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 6. primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[aangever8] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 8. primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij meer schade heeft geleden dan door de verzekeraar is vergoed. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 9. primair en 9. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. primair, 5. primair, 6. primair, 7. primair en 8. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot acht maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na detentie op een dinsdag of donderdag tussen 15:00 uur en 16:00 uur meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de onderstaande inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen.

1. 1 set zilverkleurige oorclips met hanger

2. 1 zilverkleurige hanger "T" met ketting

3. 1 zilverkleurige armband met blauwe geslepen steen

4. 1 zilverkleurige broche

5. 1 goud/zilver horloge met Romeinse cijferplaat, merkloos en zonder band

6. 1 wit langwerpig Rochemont juwelen of horloge doosje met daarin een set goudkleurige oorstekers met rode geslepen steen

7. 1 zwart juwelendoosje met daarin 'Gert Jan van Ark juwelier', Zuidhorn-Roden Bedum'

8. map Friesland bank met oude bankbiljetten

9. 1 goudkleurige hanger "schorpioen"

10. zilverkleurige oorstekers met "diamantsteentjes

11. Roze doosje met daarin een goudkleurige hanger (Indalo) en 1 zilverkleurige oorsteker

12. donker houtkleurig Europa muntendoosje met daarin 4 goudkleurige munten"Europa" en formulieren:

a. de eerste europa-drukke"[nummer] Benelux muntkantoor Goede

b. "kostbaarheden in goud"[nummer]" Benelux muntkantoor Goede

c. De eerset Europa drukken in kleur "[nummer]" Benelux muntkantoor Goede

13. 1 zwart vilten juwelendoos ongeveer 17x14x11cm (rode bekleding)

14. juwelendoosje Kramer juwelier Franeker/H'vee

15. 1 zilveren rijksdaalder 1966 (Juliana)

16. 1 zilveren tientje (Beatrix) Benelux 1944-1994

17. kwartje 1968

18. 1 dubbeltje

19. 2 gelijke sleutels "A 134" (koffersleutels o.i.d.)

20. 1 grijs medium mondial bioregulator juwelendoosje

21. 1 zilverkleurige slavenarmband met iets gegraveerd

22. 1 set zilverkleurige manchetknopen

23. Zwart geribbeld Sarome doosje met daarin 2 slotjes en sleutels

24. Wit ring juwelendoosje juwelier Ri-est te Leeuwarden

25. 1 goudkleurige ring (dames of kinder)

26. blauw juwelendoosje 10x10x8 cm met beige bekleding

27. bordeaux rood horloge/collier doosje met rode sticker"845.741" 25 cm lang

28. donker horloge/collier doosje met rode bekleding, 22 cm lang

29. bordeaux rood juwelendoosje 8,5x8,5x2,5 met grijs/zilver bekleding

30. goudkleurig Rochemont horloge met op achterzijde "17602"

31. horloge Omax met nummer HBK123 (glas kapot)

32. Luigi Lucardi juwelendoosje 8,5x8,5x2,5cm met paarse steen

33. paars ringdoosje juwelier Ri-est te Leeuwarden

34. groen ringdoosje juwelier De Gouden Engel te Leeuwarden

35. 4 oranje plastic muntjes dorpsbelang Nes

36. 1 set goudkleurige manchetknopen met witte steen

37. 1 set goudkl. manchetknopen met paarsachtige steen

38. 1 groen opengebroken geldkistje 23x30x10 cm, rode binnenkant

39. 1 dasspeld vanuit prullenbak in de werkplaats

40. 1 goudkleurig sieraad vanuit prullenbak werkplaats;voorwerp is afgebroken

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever2], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 50,00 (zegge: vijftig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever2], te betalen een som geld ten bedrage van € 50,00 (zegge: vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van één dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever5], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 120,00 (zegge: honderdtwintig euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever5], te betalen een som geld ten bedrage van € 120,00 (zegge: honderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever5], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever6], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 120,00 (zegge: honderdtwintig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever6], te betalen een som geld ten bedrage van € 120,00 (zegge: honderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever6], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever8], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever8], te betalen een som geld ten bedrage van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vier dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever8], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door M. Heerschop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2012.