Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW8532

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
106679 - HA ZA 10-766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een beslaglegger legt executoriaal derdenbeslag onder de bank op een kwaliteitsrekening van een notariskantoor. De bank verklaart in verklaringen derdenbeslag het saldo op de kwaliteitsrekening verschuldigd te zijn aan het notariskantoor. De bank draagt het saldo op de kwaliteitsrekening af aan de deurwaarder, die door de beslaglegger is ingeschakeld, waarna de deurwaarder dit saldo doorbetaalt aan de beslaglegger. Onder druk van een door het notariskantoor aangespannen kort geding heeft de bank het afgedragen bedrag vervolgens teruggestort op de kwaliteitsrekening. De bank vordert in de onderhavige procedure de door haar afgedragen gelden (deels) terug van de beslaglegger en de deurwaarder en het op de kwaliteitsrekening teruggestorte bedrag van de beslagdebiteur. De rechtbank oordeelt dat het derdenbeslag nietig is op grond van artikel 25 lid 5 Wet op de Notarisambt en wijst de vordering van de bank op grond van onverschuldigde betaling jegens de beslaglegger integraal toe. De rechtbank wijst de vordering van de bank jegens de deurwaarder op grond van onverschuldigde betaling en de vordering van de bank jegens de beslagdebiteur op grond van ongerechtvaardigde verrijking af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 30
Burgerlijk Wetboek Boek 6 203
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Wet op het notarisambt
Wet op het notarisambt 25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 476a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 476b
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 477
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2013/80 met annotatie van mr. S.R. Damminga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en twee vrijwaringszaken van 20 juni 2012

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: 106679 / HA ZA 10-766 van

de naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres in de hoofdzaak,

hierna te noemen: Friesland Bank,

advocaat mr. R.J.L. Gustenhoven, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [A],

advocaat mr. A. Speksnijder, kantoorhoudende te Leeuwarden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NORD NOTARISSEN B.V. in liquidatie,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: Nord Notarissen,

advocaat mr. P.H. Redeker, kantoorhoudende te Leeuwarden,

3. MR. [B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen: [B],

advocaat mr. H.J. Tulp, kantoorhoudende te Leeuwarden,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARCULFUS BEHEER B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: Marculfus,

advocaat mr. H.J. Tulp, kantoorhoudende te Leeuwarden,

gedaagden sub 3 en sub 4 zullen hierna tezamen [B] c.s. worden genoemd,

en

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: de deurwaarder,

advocaat mr. B. Korvemaker, kantoorhoudende te Leeuwarden,

en in de vrijwaringszaak I met zaaknummer / rolnummer 109836 / HA ZA 11-49 van

1. [B],

wonende te [woonplaats],

eiser in vrijwaring I,

hierna ook te noemen: [B],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARCULFUS BEHEER B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

eiser in vrijwaring I,

hierna ook te noemen: Marculfus Beheer,

eisers sub 1 en 2 in vrijwaring I tezamen te noemen: [B] c.s.

advocaat mr. H.J. Tulp, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring I,

2. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring I,

gedaagden in vrijwaring I, hierna tezamen te noemen: de deurwaarders,

advocaat mr. B. Korvemaker, kantoorhoudende te Leeuwarden,

en in de vrijwaringszaak II met zaaknummer / rolnummer 112404 HA ZA 11-387 van

de besloten vennootschap

NORD NOTARISSEN B.V. in liquidatie,

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres in vrijwaring II,

hierna te noemen: Nord Notarissen,

advocaat mr. P.H. Redeker, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring II,

hierna ook te noemen: [B],

advocaat mr. H.J. Tulp, kantoorhoudende te Leeuwarden,

2. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring II,

hierna ook te noemen: [D],

3. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring II,

hierna ook te noemen: [E],

gedaagden sub 2 en 3 in vrijwaring II hierna te noemen: de deurwaarders,

advocaat mr. B. Korvemaker, kantoorhoudende te Leeuwarden,

4. de naamloze vennootschap

NYSINGH ADVOCATEN-NOTARISSEN N.V.

gevestigd te Zwolle,

gedaagde in vrijwaring II,

hierna te noemen: Nysingh,

advocaat mr. F.R.A. Schaaf, kantoorhoudende te Den Haag

5. MR. [F],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring II,

hierna te noemen: [F],

advocaat mr. F.R.A. Schaaf, kantoorhoudende te Den Haag,

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord van de zijde van de deurwaarder

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van [B] c.s.

- de incidentele conclusie van antwoord van de zijde van Friesland Bank op de incidentele conclusies tot oproeping in vrijwaring van de zijde van [B] c.s.

- het vonnis van deze rechtbank van 24 november 2010 waarin toegestaan is dat [D] en [E], beiden wonende te [woonplaats], door [B] c.s. in vrijwaring worden gedagvaard

- de conclusie van antwoord van de zijde van [A]

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van Nord Notarissen

- de incidentele conclusie van antwoord van de zijde van Friesland Bank op de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van Nord Notarissen

- het vonnis van deze rechtbank van 6 april 2011 waarin het verzoek om mr. Gitmans en de arbiters in vrijwaring op te roepen is afgewezen en waarbij is toegestaan dat [B], [D], [E] en Nysing c.s. door Nord Notarissen worden gedagvaard

- de conclusie van antwoord van de zijde van Nord Notarissen

- de conclusie van repliek van de zijde van Friesland Bank

- de conclusie van dupliek van de zijde van [B] c.s.

- de conclusie van dupliek van de zijde van [A]

- de conclusie van dupliek van de zijde van de deurwaarder

- de conclusie van dupliek van de zijde van Nord Notarissen

- de akte uitlating producties van de zijde van Friesland Bank.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak I

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De procedure in de vrijwaringszaak II

3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord van de zijde van [B]

- de conclusie van antwoord van de zijde van Nysingh en [F]

- de conclusie van antwoord van de zijde van de deurwaarders

- de conclusie van repliek jegens [B]

- de conclusie van repliek jegens Nysingh en [F]

- de conclusie van repliek jegens de deurwaarders

- de conclusie van dupliek van de zijde van [B]

- de conclusie van dupliek van de zijde van Nysingh en [F]

- de conclusie van dupliek van de zijde van de deurwaarders.

3.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

4. De vordering in de hoofdzaak

4.1. De vordering van Friesland Bank strekt ertoe, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [A], Nord Notarissen en [B] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Friesland Bank van een bedrag van EUR 88.840,20, primair te vermeerderen met de wettelijke rente over de afzonderlijke bedragen vanaf de datum waarop deze door Friesland Bank aan de deurwaarder werden afgedragen tot aan de dag van algehele terugbetaling, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 88.840,20 vanaf 1 juli 2009 tot aan de dag der algehele terugbetaling, meer subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 88.840,20 vanaf 3 oktober 2009 (de dag na het verstrijken van de in de brief zijdens Friesland Bank van 22 september 2009 genoemde fatale termijn) tot aan de dag van algehele terugbetaling, en nog meer subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 88.840,20 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele terugbetaling;

II. de deurwaarder veroordeelt tot betaling aan Friesland Bank van een bedrag van EUR 9.967,97, primair te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop dit bedrag door Friesland Bank aan de deurwaarder werd afgedragen tot aan de dag van algehele terugbetaling, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 oktober 2009 tot aan de dag van algehele terugbetaling, en meer subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de algehele terugbetaling;

III. [A], Nord Notarissen, [B] c.s. en de deurwaarder hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.2. [A], Nord Notarissen, [B] c.s. en de deurwaarder voeren ieder voor zich verweer.

4.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

5. De vordering in de vrijwaringszaak I

5.1. De vordering van [B] c.s. strekt ertoe, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de deurwaarders hoofdelijk veroordeelt aan [B] c.s. al datgene te voldoen waartoe [B] c.s. in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld;

2. de deurwaarders hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

5.2. De deurwaarders voeren verweer.

5.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

6. De vordering in de vrijwaringszaak II

6.1. De vordering van Nord Notarissen strekt ertoe, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat [B], de deurwaarders, Nysingh en [F] gehouden zijn de door Nord Notarissen aan Friesland Bank te vergoeden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, aan Nord Notarissen dienen te vergoeden;

- [B], de deurwaarders, Nysingh en [F], hoofdelijk, des dat de één betalend, de anderen zullen zijn gekweten, veroordeelt in de kosten van het geding.

6.2. [B], de deurwaarders, Nysingh en [F] voeren ieder voor zich verweer.

6.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak I

7. De vaststaande feiten

7.1. [B] en [A] waren voorheen als notarissen in hetzelfde samenwerkingsverband werkzaam. Marculfus is de persoonlijke holding van [B], welke holding aandeelhouder was van Nord Notarissen.

7.2. Nord Notarissen, dan wel notaris [A], hield bij Friesland Bank een notariële kwaliteitsrekening aan met ondermeer nummer [nummer]. [A] was bevoegd tot het beheer en de beschikking over de genoemde kwaliteitsrekening.

7.3. Nord Notarissen en [A] zijn bij arbitraal kort gedingvonnis van 30 juni 2008 hoofdelijk veroordeeld tot het doorbetalen van de managementfee ter hoogte van EUR 9.500,00 per maand aan [B] c.s.

7.4. In de jaren 2008 en 2009 heeft [B] c.s. op grond van voornoemd arbitraal kort gedingvonnis diverse malen executoriaal derdenbeslag onder Friesland Bank gelegd ten laste van Nord Notarissen en wel op de hiervoor in 7.2. bedoelde kwaliteitsrekening.

7.5. Friesland Bank heeft in de door haar afgelegde verklaringen derdenbeslag verklaard het saldo op bovengenoemde kwaliteitsrekening verschuldigd te zijn aan Nord Notarissen.

7.6. Friesland Bank heeft in de periode van 26 september 2008 tot en met 4 juni 2009 in totaal een bedrag van EUR 88.840,20 aan de deurwaarder - die door [B] c.s. was ingeschakeld - afgedragen.

7.7. De deurwaarder heeft de door Friesland Bank aan hem afgedragen bedragen vervolgens - in ieder geval een bedrag van EUR 88.840,20 minus de laatste afdracht van Friesland Bank aan de deurwaarder van 4 juni 2009 ter hoogte van EUR 9.967,97 - doorbetaald aan [B] c.s.

7.8. Onder druk van een door Nord Notarissen en [A] aangespannen kort geding, heeft Friesland Bank op 1 juli 2009 een bedrag van EUR 88.840,20 teruggestort op de onderhavige kwaliteitsrekening.

7.9. Onder meer [A], diens persoonlijke holding [G] B.V. en [B] c.s. hebben op 16 februari 2010 ter terechtzitting van de kantonrechter te Leeuwarden (in het kader van een procedure ex artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is bepaald:

1. Alle partijen, in het hoofd van dit proces-verbaal genoemd onder de nummers 1. tot en met 18. verklaren over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben en zij verlenen elkaar over en weer finale kwijting. […]

2. Onder de finale kwijting zijn mede begrepen de verschillende vennootschappen van de Nord Groep, te weten Nord Notarissen & Advocaten Holding BV, Nord Notarissen BV, Nord Advocaten BV, Nord Vastgoed BV en Woldmeentherand Vastgoed BV.

3. Van de finale kwijting is uitgesloten de pretense vordering van de Friesland Bank op mr. [B] c.q. Marculfus Beheer BV. Indien en voor zover de Friesland Bank [B] en/of Marculfus Beheer BV zal aanspreken voor de debitering van de kwaliteitsrekening, tussen partijen genoegzaam bekend, voor een bedrag van EUR 88.840,20 excl. rente en kosten, en die vordering zou -al dan niet na een procedure in rechte- worden toegewezen, dan zal die vordering tussen partijen [B]/Marculfus Beheer en [A]/[G] BV worden afgedaan. Geen der overige partijen kan voor die vordering worden aangesproken.

[…]

7.10. De deurwaarder heeft vervolgens ook de laatste afdracht van Friesland Bank aan de deurwaarder van 4 juni 2009 ter hoogte van EUR 9.967,97 aan [B] c.s. doorbetaald.

In de hoofdzaak

De vordering jegens [B] c.s.

8. Het geschil en de beoordeling daarvan

8.1. Friesland Bank heeft gesteld dat de door haar afgedragen en vervolgens door de deurwaarder aan [B] c.s. doorbetaalde gelden zijn aan te merken als onverschuldigde betalingen aan [B] c.s. in de zin van artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek. Immers, het saldo op de kwaliteitsrekening bevond zich buiten het vermogen van Nord Notarissen en dat van [A]. Omdat Nord Notarissen en/of [A] overigens geen (tot hun eigen vermogen behorende) gelden, geldswaarden of andere goederen bij Friesland Bank aanhielden, hebben de onder Friesland Bank gelegde derdenbeslagen achteraf bezien - na ontdekking van haar vergissing op 5 juni 2009, op welke dag zij door [A] en Nord Notarissen hierop is gewezen - nimmer doel getroffen. De beslagen strekten zich bovendien niet uit over het saldo op de kwaliteitsrekening gelet op artikel 25 van de Wet op het notarisambt. Een rechtsgrond voor de door Friesland Bank aan de deurwaarder uitgekeerde bedragen, welke vervolgens door de deurwaarder zijn doorbetaald aan [B] c.s., ontbreekt dan ook. Friesland Bank verwijst in dit kader naar HR 30 november 2001, NJ 2002, 419 (De Jong/Carnifour). De vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s. strekt tot (terug)betaling van een bedrag van EUR 88.840,20 op grond van onverschuldigde betaling. Bij conclusie van repliek heeft Friesland Bank in aanvulling op de dagvaarding een tweede grondslag aan haar vordering jegens [B] c.s. gegeven, te weten ongerechtvaardigde verrijking, zoals bedoeld in artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek.

8.2. [B] c.s. heeft betwist dat sprake is van onverschuldigde betaling. Daartoe heeft [B] c.s. het volgende aangevoerd:

- volgens [B] c.s. is er geen sprake van onverschuldigde betaling omdat de betalingen aan [B] c.s. het gevolg waren van een verplichting uit hoofde van het arbitraal kort geding vonnis van 30 juni 2008, welk vonnis overeenstemt met de beslissing in de nadien gewezen bodemzaak, te weten een arbitraal vonnis van 30 juni 2009. Al hetgeen ter uitvoering van het arbitrale kort geding vonnis is betaald - te weten al hetgeen door Friesland Bank via de deurwaarder aan [B] c.s. is betaald - is dan ook verschuldigd betaald, aldus [B] c.s.;

- op grond van artikel 25 lid 5 Wet op het Notarisambt kan geen derdenbeslag worden gelegd onder een bank op het aandeel van een rechthebbende in een notariële kwaliteitsrekening. Voor Friesland Bank is het duidelijk geweest dat dit hier het geval was. Desondanks heeft Friesland Bank gelden afgedragen van de kwaliteitsrekening. Door het bedrag van EUR 88.840,20 op de kwaliteitsrekening aan te zuiveren, heeft Friesland Bank ex artikel 6:30 Burgerlijk Wetboek bewust een schuld van een ander voldaan. Deze betaling bevrijdt Nord Notarissen - de schuldenaar - en is niet onverschuldigd. Friesland Bank kan als derde tegenover [B] c.s. - de schuldeiser - geen ongedaanmaking vorderen;

- subsidiair stelt [B] c.s. zich op het standpunt dat de betalingen verschuldigd zijn betaald doordat de door Friesland Bank ex artikel 476a en 477 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgelegde verklaringen derdenbeslag haar verplichtten tot betaling van het gemelde bedrag over te gaan. De rechtsbetrekkingen die aldus tussen Friesland Bank en [B] c.s. zijn ontstaan zijn procesrechtelijk van aard. De verbintenis tot afdracht van Friesland Bank jegens [B] c.s. vindt aldus tevens haar grondslag in de wet en kan niet als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. [B] c.s. verwijst in dit verband naar het arrest van het Gerechtshof te Arnhem, 29 maart 2005, JOR 2005/133. Het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad - waarin is geoordeeld dat artikel 477 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen rechtsgrond is voor de betaling aan de deurwaarder - is volgens [B] c.s. niet van toepassing. Anders dan in genoemd arrest is in het onderhavige geval door wetsduiding geen beslag tot stand gekomen. In voornoemd arrest bleek bovendien het saldo op de beslagen rekening achteraf lager te zijn dan op de verklaring derdenbeslag was aangegeven. De derde-beslagene mocht volgens de Hoge Raad niet aan een onjuiste opgave van het saldo worden gehouden. Het onderhavige feitencomplex is echter anders. Er was in het onderhavige geval geen sprake van een onjuist vermeld saldo. De stelling van Friesland Bank dat artikel 477 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen rechtsgrond vormt voor de aan [B] c.s. verrichte betalingen is dan ook onjuist, aldus nog steeds [B] c.s.

[B] c.s. heeft voorts aangevoerd dat voor zover er al sprake zou zijn van onverschuldigde betaling, Friesland Bank het onverschuldigd betaalde niet terug kan vorderen van [B] c.s. maar van de deurwaarder. De deurwaarder heeft de betalingen door Friesland Bank immers uit eigen hoofde in ontvangst genomen.

8.3. [B] c.s. heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van de grondslag van de eis, te weten ongerechtvaardigde verrijking. [B] c.s. heeft bovendien (inhoudelijk) aangevoerd dat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is.

8.4. Zowel wat betreft de primaire grondslag van de eis (onverschuldigde betaling) als de subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) heeft [B] c.s. zich subsidiair beroepen op eigen schuld aan de zijde van Friesland Bank, alsmede op artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Bij conclusie van dupliek heeft [B] c.s. zich voorts beroepen op onrechtmatig handelen aan de zijde van Friesland Bank en rechtsverwerking.

8.5. De rechtbank zal een beslissing op het bezwaar van [B] c.s. tegen de aanvulling van de grondslag van de eis (te weten ongerechtvaardigde verrijking) - en daarmee een inhoudelijke behandeling van deze grondslag - achterwege laten. De rechtbank acht de vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s. namelijk reeds toewijsbaar op de primaire grondslag, te weten onverschuldigde betaling. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

8.6. De rechtbank stelt voorop dat partijen het er over eens zijn dat [B] c.s. een vordering op Nord Notarissen en [A] had uit hoofde van het arbitraal kort geding vonnis van 30 juni 2008 ter hoogte van (ten minste) het door Friesland Bank in het kader van de onder haar gelegde executoriale derdenbeslagen op de onderhavige kwaliteitsrekening aan de - in opdracht van [B] c.s. handelende - deurwaarder afgedragen bedrag van EUR 88.840,20. Dit bedrag was dus door Nord Notarissen en [A] aan [B] c.s. verschuldigd.

8.7. Partijen zijn het er voorts over eens dat de onder Friesland Bank gelegde executoriale derdenbeslagen op grond van artikel 25 lid 5 Wet op het notarisambt nietig waren omdat geen derdenbeslag kan worden gelegd op een kwaliteitsrekening zoals de onderhavige onder een financiële onderneming alwaar een dergelijke rekening wordt aangehouden, zoals Friesland Bank.

8.8. De rechtbank stelt voorts vast dat uit artikel 25 lid 1 Wet op het notarisambt volgt dat een kwaliteitsrekening zoals de onderhavige uitsluitend bestemd is voor gelden, die de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Eerst bij conclusie van dupliek heeft [B] c.s. aangevoerd dat hoewel op een kwaliteitsrekening slechts gelden van derden thuishoren, het in de praktijk bij Nord Notarissen veelvuldig gebeurde dat er gelden van de notaris op de kwaliteitsrekening werden geparkeerd. Op deze gelden heeft artikel 25 lid 5 Wet op het notarisambt geen betrekking, aldus [B] c.s. Volgens [B] c.s. heeft Friesland Bank niet aangetoond dat het saldo op de onderhavige kwaliteitsrekening geheel toekwam aan derden. De rechtbank zal dit verweer van [B] c.s. - waarop Friesland Bank nog niet heeft kunnen reageren - passeren. [B] c.s. heeft weliswaar gesteld dat het in de praktijk bij Nord Notarissen veelvuldig gebeurde dat er gelden van de notaris op de kwaliteitsrekening werden geparkeerd, maar hij heeft nagelaten om zijn verweer op enigerlei wijze - bijvoorbeeld door het geven van voorbeelden uit het verleden - te onderbouwen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het positieve saldo op de kwaliteitsrekening niet tot het vermogen van Nord Notarissen en/of [A] behoorde.

8.9. Ondanks de omstandigheid dat de gelegde derdenbeslagen nietig waren op grond van artikel 25 lid 5 Wet op het notarisambt en Friesland Bank uit hoofde van de onderhavige kwaliteitsrekening niets aan Nord Notarissen en [A] verschuldigd was, heeft Friesland Bank in de desbetreffende verklaringen derdenbeslag verklaard dat zij het positieve saldo op de onderhavige kwaliteitsrekening aan Nord Notarissen verschuldigd was. Friesland Bank heeft vervolgens in de periode van 26 september 2008 tot en met 4 juni 2009 in totaal een bedrag van EUR 88.840,20 aan de deurwaarder - die door [B] c.s. was ingeschakeld - afgedragen.

8.10. Uit het voorgaande volgt dat gelet op de rechtsverhouding tussen Friesland Bank enerzijds en Nord Notarissen en [A] anderzijds geen rechtsgrond aanwezig was voor de onderhavige betalingen aan [B] c.s. van in totaal een bedrag van EUR 88.840,20.

8.11. Een rechtsgrond voor de hiervoor bedoelde betalingen van in totaal een bedrag van EUR 88.840,20 kan evenmin gevonden worden in artikel 477 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

8.11.1. De Hoge Raad heeft hiertoe onder meer overwogen (zie zijn meergenoemde arrest van 30 november 2001):

(a) in geval van derdenbeslag wordt de derde-beslagene, zonder daartoe zelf aanleiding te geven, betrokken in een geding tussen de executant en de geëxecuteerde.

(b) de derde-beslagene mag als gevolg van het derdenbeslag niet in een slechtere positie komen dan waarin hij stond tegenover de geëxecuteerde.

(c) een derde-beslagene zal in beginsel ook niet meer aan de executerende deurwaarder behoeven te voldoen, of ter beschikking te stellen, dan hij aan de geëxecuteerde schuldig was of aan deze diende af te geven.

Deze uitgangspunten brengen mee - aldus nog steeds de Hoge Raad in voormeld arrest - dat de enkele omstandigheid dat een derde-beslagene op de voet van de art. 476a en 476b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft verklaard dat hij een bedrag aan de geëxecuteerde schuldig is, niet rechtvaardigt dat de derde-beslagene verplicht is om hetgeen hij volgens zijn verklaring aan de geëxecuteerde schuldig is, te voldoen aan de met de executie belaste deurwaarder.

8.11.2. De Hoge Raad heeft hier vervolgens nadien (HR 24 november 2006, LJN AY7922, FIC/Van Lieshout) aan toegevoegd dat het voorgaande niet anders is indien de derde-beslagene overeenkomstig de door hem afgelegde, later onjuist gebleken verklaring, op aanmaning van de deurwaarder bedragen heeft afgedragen, omdat die afdracht op zichzelf niet impliceert dat daarvoor een rechtsgrond bestond.

8.11.3. In de omstandigheid dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin door wetsduiding (artikel 25 lid 5 Wet op het notarisambt) geen beslag tot stand gekomen is en er geen sprake is van een op de verklaringen derdenbeslag vermeld onjuist saldo - zoals [B] c.s. heeft betoogd - ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 8.11. tot en met 8.11.2. is overwogen. Deze omstandigheden laten immers de hiervoor vermelde uitgangspunten, die naar het oordeel van de rechtbank ook hebben te gelden bij een achteraf gebleken nietig derdenbeslag, onverlet. Deze uitgangspunten brengen met zich dat de enkele omstandigheid dat Friesland Bank - ten onrechte - heeft verklaard dat zij een bedrag aan Nord Notarissen schuldig is, niet rechtvaardigt dat zij verplicht is om hetgeen zij volgens deze verklaring aan Nord Notarissen schuldig is, te voldoen aan de met de executie belaste deurwaarder.

8.12. Tussen partijen staat vast dat Friesland Bank de betalingen tot een bedrag van EUR 88.840,20 heeft verricht met het oog op de onder haar gelegde (zoals achteraf is gebleken: nietige) derdenbeslagen, ter zake waarvan zij de onderhavige (onjuiste) verklaringen derdenbeslag heeft afgelegd. Van een situatie waarin Friesland desbewust heeft verkozen de schuld van een ander te voldoen, is dan ook geen sprake. De verbintenis van Nord Notarissen en [A] jegens [B] c.s. is dus niet op grond van artikel 6:30 Burgerlijk Wetboek door Friesland Bank nagekomen. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook de latere aanzuivering van de kwaliteitsrekening door Friesland Bank - nadat zij van die rekening ten onrechte afdrachten aan de deurwaarder had verricht - niet een betaling in de zin van artikel 6:30 Burgerlijk Wetboek betreft. Friesland Bank heeft immers ten onrechte ten laste van deze kwaliteitsrekening betalingen verricht aan de deurwaarder, op grond waarvan zij gehouden was deze rekening aan te zuiveren. Bedoelde betalingen hadden immers geen invloed op (de) vordering(en) van de gerechtigden op het saldo van de kwaliteitsrekening.

8.13. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de betalingen door Friesland Bank van in totaal een bedrag van EUR 88.840,20 onverschuldigd zijn verricht. Weliswaar heeft Friesland Bank de betalingen verricht aan de deurwaarder maar het moet er naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden worden dat de deurwaarder - die weliswaar in eigen naam handelt - bij de ontvangst van die betalingen optrad als onmiddellijk vertegenwoordiger van [B] c.s. (vgl. Prof. mr. H.C.F. Schoordijk, WPNR 13 december 2008/6779, p. 972 e.v.). Dit geldt temeer nu er in het onderhavige geval kennelijk geen sprake was van meerdere beslagen of andere aanspraken op de opbrengst (vgl. art. 477 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), maar de door Friesland Bank aan de deurwaarder afgedragen bedragen één op één zijn doorbetaald aan [B] c.s. Weliswaar heeft Friesland Bank bij dagvaarding gesteld dat zich van het door haar aan de deurwaarder afgedragen bedrag nog een bedrag van EUR 9.967,97 bij de deurwaarder bevindt, maar nadat [B] c.s. bij conclusie van antwoord had gesteld dat het gehele bedrag van EUR 88.840,20 inmiddels aan hem is afgedragen, heeft Friesland Bank haar stelling niet langer gehandhaafd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het totale bedrag van EUR 88.840,20 daadwerkelijk door de deurwaarder aan [B] c.s. is afgedragen. De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling zal dan ook gelet op het voorgaande, alsmede gelet op artikel 3:66 Burgerlijk Wetboek, integraal worden toegewezen jegens [B] c.s.

8.14. Aan het voorgaande kan het beroep door [B] c.s. op eigen schuld aan de zijde van Friesland Bank en/of de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid, dan wel onrechtmatig handelen en/of rechtsverwerking, niet afdoen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

8.14.1. [B] c.s. heeft aangevoerd dat de onjuistheid van de verklaringen derdenbeslag aan Friesland Bank verwijtbaar is. Het doen van een dergelijke verklaring valt binnen haar risicosfeer. [B] c.s. hebben daarop geen zicht gehad en er ook geen invloed op kunnen uitoefenen. Om deze reden dient eventuele schade aan de zijde van Friesland Bank voor haar rekening te blijven en brengt de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid met zich dat Friesland Bank geen beroep mag doen op de onjuistheid van de verklaringen derdenbeslag, aldus nog steeds [B] c.s.

8.14.2. Zoals Friesland Bank terecht heeft aangevoerd, laat de omstandigheid dat het Friesland Bank is geweest die de verklaringen derdenbeslag onjuist heeft ingevuld - en zij aldus de "veroorzaker" van het onderhavige geschil is - onverlet dat zij gerechtigd is het onverschuldigd betaalde op grond van artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek terug te vorderen. Het recht op terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald komt immers toe in het geval zonder rechtsgrond een goed is gegeven - ongeacht de vraag naar de reden/oorzaak daarvan - hetgeen thans het geval is. Het beroep op eigen schuld zal dan ook worden verworpen.

8.14.3. Ook ziet de rechtbank in het voorgaande onvoldoende grond om de vordering van Friesland Bank strekkende tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten, dan wel om het doen van de onjuiste verklaringen derdenbeslag onrechtmatig te achten (nog daargelaten dat ter zake geen reconventionele vordering is ingesteld), hetgeen bijvoorbeeld wél het geval zou kunnen zijn indien deze verklaringen derdenbeslag bewust onjuist zouden zijn afgelegd, hetgeen in dit geding niet is gesteld. De omstandigheid dat Friesland Bank - zoals [B] c.s. heeft aangevoerd - lang (te weten eerst in augustus 2010) heeft gewacht met het uitbrengen van een dagvaarding jegens [B] c.s. is hiertoe onvoldoende. [B] c.s. was immers blijkens zijn eigen stellingen reeds vanaf 4 juni 2009 op de hoogte van de omstandigheid dat er derdenbeslagen waren gelegd op een kwaliteitsrekening. Vanaf dat moment had zij dan ook rekening dienen te houden met de mogelijkheid dat Friesland Bank de afgedragen bedragen op grond van onverschuldigde betaling van hem zou terugvorderen. Bij brief van 22 september 2009 heeft Friesland Bank ook reeds om terugbetaling van de afgedragen gelden verzocht. De omstandigheid dat [B] c.s. thans - zoals hij heeft aangevoerd - niet meer in de mogelijkheid zou zijn om het door Nord Notarissen en [A] op grond van het arbitraal kort geding vonnis van 30 juni 2008 (alsnog) te verhalen gelet op een op 16 februari 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst, behoort om die reden voor rekening en risico van [B] c.s. te blijven. Friesland Bank was bij de totstandkoming van die overeenkomst ook niet betrokken, zodat ook om die reden deze omstandigheid - het niet meer kunnen aanspreken van Nord Notarissen en [A] - voor rekening en risico van [B] c.s. moet blijven. Blijkens punt 3 van de vaststellingsovereenkomst (zie r.o. 7.9.) is met een eventuele vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s. overigens uitdrukkelijk rekening gehouden bij het sluiten van die overeenkomst.

8.14.4. Op grond van het voorgaande is van rechtsverwerking evenmin sprake. Daarbij merkt de rechtbank op dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. De omstandigheid dat Friesland Bank op de hoogte was van de situatie binnen Nord Notarissen en de ruzies tussen haar gewezen partners, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat Friesland Bank haar vordering jegens [B] c.s. eerder had dienen in te stellen, zoals [B] c.s. heeft betoogd.

8.15. De (primair) gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag van EUR 88.840,20 vanaf de datum waarop de afzonderlijke bedragen door Friesland Bank aan de deurwaarder zijn afgedragen tot aan de dag van algehele terugbetaling zal als onweersproken worden toegewezen.

8.16. [B] c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van Friesland Bank worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten EUR 94,93

- griffierecht EUR 543,75 (EUR 2.175,00 : 4)

- salaris voor de advocaat EUR 1.788,00 (2 punten x tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.426,68

De rechtbank merkt daarbij op dat het griffierecht voor een vierde deel wordt toegerekend aan de procedure voor zover deze is ingesteld jegens [B] c.s. Wat betreft het salaris voor de advocaat ziet de rechtbank aanleiding om niet uit te gaan van een (vierde) deel van het liquidatietarief. [B] c.s. heeft immers afzonderlijk verweer gevoerd, waarop Friesland Bank ook afzonderlijk heeft gereageerd.

8.17. De door Friesland Bank gevorderde hoofdelijke veroordeling van [B] c.s. zal worden afgewezen. Partijen zijn het er over eens dat het bedrag van in totaal EUR 88.840,20 door de deurwaarder is betaald aan [B] c.s. Laatstgenoemden zijn dan ook op grond van het voorgaande gehouden tot terugbetaling van genoemd bedrag aan Friesland Bank. Artikel 6:6 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd is, zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. [B] c.s. heeft aangevoerd dat voor de gevorderde hoofdelijkheid in het onderhavige geval geen rechtsgrond aanwezig is. Friesland Bank heeft vervolgens nagelaten om te stellen op welke grond de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [B] c.s. is gebaseerd.

8.18. [B] c.s. heeft voorts verweer gevoerd tegen de door Friesland Bank gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. De enkele omstandigheid dat de verplichting voor [B] c.s. om direct te betalen zeer belastend zal zijn - zoals [B] c.s. heeft gesteld - is gelet op het door Friesland Bank gestelde belang bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad (waarbij Friesland Bank heeft gewezen op een mogelijk faillissement aan de zijde van [B] c.s.) onvoldoende om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen.

De vordering jegens de deurwaarder

9. Het geschil en de beoordeling daarvan

9.1. De vordering van Friesland Bank jegens de deurwaarder strekt tot betaling van een bedrag van EUR 9.967,97 op grond van onverschuldigde betaling, te weten de laatste afdracht door Friesland Bank aan de deurwaarder van 4 juni 2009. Bij dagvaarding heeft Friesland Bank gesteld dat dit bedrag zich nog onder de deurwaarder bevindt.

9.2. De rechtbank constateert - zie rechtsoverweging 7.10 - dat tussen partijen vaststaat dat de deurwaarder ook de laatste betaling door Friesland Bank van EUR 9.967,97 heeft afgedragen aan zijn opdrachtgever [B] c.s.

9.3. Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8.13 is overwogen ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s., te weten dat het er naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden moet worden dat de deurwaarder - die weliswaar in eigen naam handelt - bij de ontvangst van de betalingen optrad als onmiddellijk vertegenwoordiger van [B] c.s., vloeit voort dat de vordering zal worden afgewezen, gelet op het bepaalde in artikel 3:66 lid 1 Burgerlijk Wetboek. De vraag of de deurwaarder bij de laatste afdracht ter hoogte van EUR 9.967,97 al dan niet te goeder trouw heeft gehandeld, kan daarbij in het midden blijven. De vordering van Friesland Bank jegens de deurwaarder is immers uitsluitend gebaseerd op onverschuldigde betaling - waarbij de rechtbank opmerkt dat in hetgeen Friesland Bank sub 15 bij conclusie van repliek heeft gesteld geen nieuwe grondslag wordt gelezen, maar enkel een verweer tegen de stelling van de deurwaarder dat hij te goeder trouw bedragen heeft doorbetaald aan [B] - waarvan gelet op het voorgaande geen sprake is.

9.4. Friesland Bank zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van de deurwaarder worden vastgesteld op:

- griffierecht EUR 2.175,00

- salaris voor de advocaat EUR 1.788,00 (2 punten x tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.963,00

De vordering jegens Nord Notarissen

10. Het geschil en de beoordeling daarvan

10.1. De vordering van Friesland Bank op Nord Notarissen strekt tot betaling van een bedrag van EUR 88.840,20 op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

10.2. Nord Notarissen heeft onder meer aangevoerd dat van een verrijking aan haar zijde geen sprake is.

10.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s., volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen rechtsgrond aanwezig was voor de betalingen door Friesland Bank aan [B] c.s. (via de deurwaarder) en dat er evenmin sprake was van een situatie waarin Friesland Bank desbewust heeft verkozen de schuld van een ander (te weten Nord Notarissen en [A]) te voldoen. De verbintenis van Nord Notarissen en [A] jegens [B] c.s. is dus niet op grond van artikel 6:30 Burgerlijk Wetboek door Friesland Bank nagekomen, maar Friesland Bank heeft onverschuldigd betaald aan [B] c.s. Het voorgaande brengt met zich dat de onderhavige betalingen door Friesland Bank (via de deurwaarder) aan [B] c.s. de schuld van Nord Notarissen en [A] jegens [B] c.s. niet teniet hebben doen gaan, zodat van enige verrijking aan de zijde van Nord Notarissen (en [A]) als gevolg van de onderhavige betalingen geen sprake is (vgl. in zoverre HR 26 januari 2001, LJN ZC3408).

10.4. De vordering van Friesland Bank jegens Nord Notarissen zal op grond van het voorgaande worden afgewezen. Hetgeen Nord Notarissen overigens heeft aangevoerd, behoeft gelet hierop geen behandeling.

10.5. Friesland Bank zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van Nord Notarissen worden vastgesteld op:

- griffierecht EUR 2.175,00

- salaris voor de advocaat EUR 1.788,00 (2 punten x tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.963,00

De vordering jegens [A]

11. Het geschil en de beoordeling daarvan

11.1. De vordering van Friesland Bank op [A] strekt - evenals ten aanzien van Nord Notarissen - tot betaling van een bedrag van EUR 88.840,20 op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

11.2. [A] heeft - evenals Nord Notarissen - onder meer aangevoerd dat van een verrijking aan haar zijde geen sprake is.

11.3. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens Nord Notarissen is overwogen in rechtsoverweging 10.3. is naar het oordeel van de rechtbank van enige verrijking aan de zijde van [A] als gevolg van de onderhavige betalingen geen sprake.

11.4. De vordering van Friesland Bank jegens [A] zal op grond van het voorgaande worden afgewezen. Hetgeen [A] overigens heeft aangevoerd, behoeft gelet hierop geen behandeling.

11.5. Friesland Bank zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- griffierecht EUR 1.188,00

- salaris voor de advocaat EUR 1.788,00 (2 punten x tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.976,00.

in de vrijwaringszaak I

12. Het geschil en de beoordeling daarvan

12.1. [B] c.s. heeft primair gesteld dat de deurwaarders tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de tussen partijen geldende overeenkomst van opdracht en subsidiair dat de deurwaarders onrechtmatig jegens [B] c.s. hebben gehandeld. Volgens [B] c.s. hebben de deurwaarders niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend deurwaarder in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De deurwaarders hebben gefaciliteerd dat er materieel beslag werd gelegd op een notariële kwaliteitsrekening. Ondanks de omstandigheid dat het gelet op de tenaamstelling van de onderhavige rekening, direct duidelijk heeft moeten zijn dat het een notariële kwaliteitsrekening betrof, zijn er door de deurwaarder betalingen van die kwaliteitsrekening geaccepteerd. Een deurwaarder heeft voor wat betreft zijn ambtelijke taken een ministerieplicht - neergelegd in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet - op grond waarvan hij moet beoordelen of de uitvoering van een aan hem gegeven opdracht niet in strijd komt met de op dat punt geldende wettelijke voorschriften. Hieruit volgt dat een deurwaarder een zelfstandig ambtenaar is die ervoor moet zorgen dat de uitvoering van een aan hem gegeven opdracht niet in strijd komt met de op dat punt geldende wettelijke voorschriften. Een deurwaarder is voorts bij uitstek degene die weet, althans behoort te weten, dat een derdenbeslag op een kwaliteitsrekening onder de financiële instelling die de betreffende rekening administreert niet mogelijk is, aldus nog steeds [B] c.s.

12.2. De deurwaarders hebben - kort samengevat - het navolgende aangevoerd.

De onderhavige ambtshandelingen zijn alle namens [D] verricht en de vordering jegens [E] als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder komt in ieder geval niet voor toewijzing in aanmerking. Gelet op de omstandigheid dat mr. Gitmans de onderhavige opdracht aan de deurwaarders heeft verstrekt, komt aan [B] c.s. geen vordering toe. De deurwaarders betwisten voorts dat aan hen een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt en dat zij toerekenbaar tekort zijn geschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens [B] c.s. De betalingen waren niet zichtbaar afkomstig van een kwaliteitsrekening. De deurwaarders zijn afgegaan en mochten afgaan op de verklaringen derdenbeslag van Friesland Bank. Bovendien betwisten de deurwaarders dat sprake is van schade aan de zijde van [B] c.s. Indien [B] c.s. in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door hem ontvangen gelden, impliceert dit dat [B] deze betalingen zonder rechtsgrond heeft ontvangen. Daarmee staat ook vast dat de betalingen niet zijn verricht ter delging van de schuld van Nord Notarissen en [A] aan [B] c.s. en dat [B] c.s. alsnog betaling van deze schuld kan vorderen. [B] c.s. had en heeft dus een vordering op Nord Notarissen en [A] ongeacht het handelen van de deurwaarders, aldus nog steeds de deurwaarders. Subsidiair hebben de deurwaarders zich beroepen op eigen schuld aan de zijde van [B] c.s.

12.3. Daargelaten het antwoord op de vraag of de deurwaarders ([D] en/of [E]) al dan niet toerekenbaar tekort zijn geschoten jegens [B] c.s., zal de vordering van [B] c.s. worden afgewezen omdat hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gesteld dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden.

12.3.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s., alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 10.3. ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens Nord Notarissen (en gelet op rechtsoverweging 11.3. ook ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens [A]), hebben de onderhavige betalingen door Friesland Bank (via de deurwaarder) aan [B] c.s. - zoals de deurwaarders terecht hebben aangevoerd - de schuld van Nord Notarissen en [A] jegens [B] c.s. niet teniet doen gaan.

12.3.2. [B] c.s. heeft naar aanleiding van het verweer van de deurwaarders dat [B] c.s. geen schade heeft geleden, gesteld dat er ten tijde van de eerste beslaglegging in september 2008 "voldoende mogelijkheden aanwezig leken om de verschuldigde gelden te incasseren". De deurwaarders hebben hiertegen aangevoerd dat de vordering van [B] in de periode van de eerste beslaglegging niet inbaar was. In de zomer van het jaar 2008 verschenen er in de media reeds berichten dat de notarissen van Nord niet "door één deur konden", uit persberichten uit het najaar van 2009 bleek dat de financiële situatie al langere tijd zeer slecht was en ook uit de uitspraak van de notariskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2010, waarin deze kamer de ontzetting uit het ambt van notaris [A] bekrachtigde, spreekt het hof van structureel negatieve bewaringsposities gedurende de jaren 2008 en 2009, aldus nog steeds de deurwaarders. In het licht van dit gemotiveerde verweer van de deurwaarders heeft [B] c.s. zijn stelling dat er "voldoende mogelijkheden aanwezig leken om de verschuldigde gelden te incasseren" naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd door de enkele (niet onderbouwde) stelling van [B] c.s. dat Nord Notarissen en de afzonderlijke partners rekeningen aanhielden bij andere banken en dat er vastgoed aanwezig was.

12.3.3. Indien al uit zou worden gegaan van de juistheid van de stelling van [B] c.s. dat er ten tijde van de eerste beslaglegging voldoende mogelijkheden aanwezig waren om de verschuldigde gelden te incasseren, merkt de rechtbank op dat [B] c.s. niet heeft gesteld dat dit ten aanzien van Nord Notarissen op het moment dat de onjuiste verklaringen derdenbeslag aan het licht kwamen niet langer het geval was. Ten aanzien van [A] heeft hij slechts (niet onderbouwd) gesteld dat [A] "naar verluidt financiële problemen heeft". Naar het oordeel van de rechtbank heeft [B] c.s. ook hiermee onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij door het handelen van de deurwaarders schade heeft geleden. 12.3.4. [B] c.s. heeft voorts aangevoerd dat hij thans niet meer in de mogelijkheid is om het door Nord Notarissen en [A] op grond van het arbitraal kort geding vonnis van 30 juni 2008 (alsnog) te verhalen gelet op een op 16 februari 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst waarbij finale kwijting is overeengekomen. Zoals in de hoofdzaak ten aanzien van de vordering van Friesland Bank jegens [B] c.s. reeds in rechtsoverweging 8.14.3 is overwogen, had [B] c.s. echter vanaf het moment waarop zij op de hoogte was van de omstandigheid dat er derdenbeslag was gelegd op een kwaliteitsrekening - volgens [B] c.s. in deze vrijwaringsprocedure: omstreeks 5 juni 2009 - rekening dienen te houden met de mogelijkheid dat Friesland Bank het afgedragen bedrag op grond van onverschuldigde betaling van hem zou terugvorderen. Bij brief van 22 september 2009 heeft Friesland Bank ook reeds om terugbetaling van de afgedragen gelden verzocht. De omstandigheid dat [B] c.s. thans - zoals hij heeft aangevoerd - niet meer in de mogelijkheid zou zijn om het door Nord Notarissen en [A] op grond van het arbitraal kort geding vonnis van 30 juni 2008 (alsnog) op Nord Notarissen te verhalen gelet op de op 16 februari 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst waarbij de partijen bij die overeenkomst elkaar finale kwijting hebben verleend, behoort om die reden voor rekening en risico van [B] c.s. te blijven en staat dus niet in (voldoende) causaal verband met de handelingen van de deurwaarders.

12.4. Op grond van het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. De overige verweren van de deurwaarders behoeven dan ook geen behandeling.

12.5. [B] c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van de deurwaarders worden vastgesteld op:

- griffierecht nihil

- salaris voor de advocaat EUR 904,00 (2 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

in de vrijwaringszaak II

13. Het geschil en de beoordeling daarvan

13.1. Gelet op de omstandigheid dat de vordering van Friesland Bank op Nord Notarissen zal worden afgewezen - zoals hiervoor in de rechtsoverweging 10 is overwogen - zullen ook de vorderingen van Nord Notarissen jegens [B], de deurwaarders, Nysingh en [F] worden afgewezen.

13.2. Nord Notarissen zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De kosten aan de zijde van [B] worden vastgesteld op:

- griffierecht nihil

- salaris voor de advocaat EUR 904,00 (2 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

13.3. De kosten aan de zijde van de deurwaarders worden vastgesteld op:

- griffierecht nihil

- salaris voor de advocaat EUR 904,00 (2 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

13.4. De kosten aan de zijde van Nysingh en [F] worden vastgesteld op:

- griffierecht EUR 2.175,00

- salaris voor de advocaat EUR 904,00 (2 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 3.079,00

14. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

De vordering jegens [B] c.s.

14.1. veroordeelt [B] c.s. tot betaling aan Friesland Bank van een bedrag van EUR 88.840,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de afzonderlijke bedragen door Friesland Bank aan de deurwaarder zijn afgedragen tot aan de dag van algehele terugbetaling,

14.2. veroordeelt [B] c.s. in de kosten van het geding, aan de zijde van Friesland Bank vastgesteld op EUR 2.426,68,

14.3. verklaart de veroordelingen onder 14.1. en 14.2. uitvoerbaar bij voorraad,

De vordering jegens de deurwaarder

14.4. wijst de vordering af,

14.5. veroordeelt Friesland Bank in de kosten van het geding, aan de zijde van de deurwaarder vastgesteld op EUR 3.963,00,

14.6. verklaart de proceskostenveroordeling onder 14.5. uitvoerbaar bij voorraad,

De vordering jegens Nord Notarissen

14.7. wijst de vordering af,

14.8. veroordeelt Friesland Bank in de kosten van het geding, aan de zijde van Nord Notarissen vastgesteld op EUR 3.963,00,

14.9. verklaart de proceskostenveroordeling onder 14.8. uitvoerbaar bij voorraad,

De vordering jegens [A]

14.10. wijst de vordering af,

14.11. veroordeelt Friesland Bank in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] vastgesteld op EUR 2.976,00,

in de vrijwaringszaak I

14.12. wijst de vordering af,

14.13. veroordeelt [B] c.s. in de kosten van het geding, aan de zijde van de deurwaarders vastgesteld op EUR 904,00,

14.14. verklaart de proceskostenveroordeling onder 14.13. uitvoerbaar bij voorraad,

in de vrijwaringszaak II

14.15. wijst de vorderingen af,

14.16. veroordeelt Nord Notarissen in de kosten van het geding, aan de zijde van [B] vastgesteld op EUR 904,00, aan de zijde van de deurwaarders op EUR 904,00 en aan de zijde van Nysingh en [F] op EUR 3.079,00,

14.17. verklaart de proceskostenveroordeling onder 14.16. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.?