Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW8279

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
114105 / HA ZA 11-569
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BR3449. De rechtbank is van oordeel dat op Talant als zorginstelling, gezien de verhoogde kwetsbaarheid van personen met een verstandelijke beperking, een (ongeschreven) bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van personen met een verstandelijke beperking die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2012/390
GJ 2012/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 114105 / HA ZA 11-569

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

1. [A],

2. [B],

in hun hoedanigheid van curator(en) over hun dochter [C],

wonende te [woonplaats],

eisers,

hierna te noemen [A] respectievelijk [B] en tezamen te noemen [eiser] c.s.,

advocaat mr. L.H. Poortman-De Boer, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

de stichting

STICHTING TALANT,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

hierna te noemen Talant,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe, kantoorhoudende te Arnhem.

1. De procedure

1.1. Bij vonnis van 27 juli 2011 heeft de kantonrechter van deze rechtbank beslist dat de zaak verder behandeld dient te worden door de sector civiel van deze rechtbank en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de rol van 24 augustus 2011 van de sector civiel van deze rechtbank. Na dit vonnis hebben partijen zich bij de rechtbank gesteld en heeft [eiser] c.s. een nadere conclusie na verwijzing genomen, waarna Talant een antwoordconclusie na verwijzing heeft genomen. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten en de vordering

2.1. Voor de weergave van de feiten en de vordering wordt verwezen naar het vonnis van 27 juli 2011. Naar aanleiding van de conclusiewisseling na verwijzing worden de feiten als volgt aangevuld.

2.2. In de periode maart-juni 2011 heeft drs. [D] (hierna: [D]), werkzaam als orthopedagoog en klinisch psycholoog bij het Centrum voor Consultatie en Expertise voor mensen met een bijzondere zorgvraag, op verzoek van [eiser] c.s. onderzoek gedaan naar de situatie van [C] (hierna: [C]). Zij heeft haar bevindingen neergelegd in een adviesverslag van 7 juli 2011. In dit verslag staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Het lukt niet de Touch Survey bij [C] af te nemen (systematische screeningsmethode om de verschillende ervaren aanrakingen in kaart te brengen) noch is [C] in staat te reflecteren op haar problemen.

(…)

Over het misbruik vertelt ze beknopt dat [E] achter haar kont stond te duwen en dat hij dat echt gedaan heeft. Ze kan desgevraagd aanwijzen waar haar kont zit en zegt nogmaals dat hij dat wel gedaan heeft en dat zij dat niet wil. Hij was naar haar zeggen gek. Hij ging haar ook beetpakken: “Allebei je handen vasthouden,hij komt naar me toe. Ik wil niet, vies he?”

Diagnostische overwegingen:

Het beeld wat [C] laat zien kan enerzijds gezien worden als een psychotische decompensatie als gevolg van het ervaren misbruik en/of aanlegfactoren. Een aantal van haar gedragingen passen in dat beeld en het is in die zin te begrijpen dat er bij de Swaaij in eerste instantie op ingezet is vanuit deze gedachte aan de slag te gaan. Echter deze aanpak wierp naar het idee van de ouders geen vruchten af en werd ernstig bemoeilijkt door een overgevoeligheid voor medicatie (antipsychotica).

Anderzijds kan het gedragsbeeld ook verklaard worden uit een ernstige Post Traumatische Stress Stoornis waarbij verschijnselen van dissociatie haar mentale afwezigheid en bijzondere lichamelijk klachten verklaren (somatoforme dissociatie/conversies). Ook hierbij is medicatie nauwelijks behulpzaam geweest en bleek een directe traumabehandeling na aanvankelijk aan te slaan later minder succesvol.

(…)

Diagnostisch gezien kan er dus gesproken worden van Chronische Post Traumatische Stress (PTSS) met dissociatieve verschijnselen (DDNOS)."

2.3. Naar aanleiding van dit adviesverslag heeft [D] in september 2011 een behandelplan van [C] opgesteld. In dit behandelplan staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Voorstel behandeling, begeleiding & adviezen

Traumabehandeling bij een complextrauma zoals dat van [C] vindt fasegewijs

plaats. Er zijn grofweg gezegd drie fasen te weten:

1 :Stabilisatie

2:Traumaverwerking in engere zin

3: Integratiefase

We starten met de stabilisatiefase:

De stabilisatiefase is over het algemeen de moeilijkste en meest langdurig situatie en is

noodzakelijk om voldoende draagkracht te ontwikkelen om de traumaverwerking in engere zin, die gepaard gaat met heftige emoties te kunnen dragen.

(…)

Het brein van [C] dient in de eerste plaats gekalmeerd te worden door voorspelbaarheid, ritme, geruststelling en troost. Het is belangrijk dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een vast dagritme, repeterende ritmische activiteiten en lichaamsbeweging (dansen, zingen, schommelen) op vaste plaatsen. (…)

Herbelevingen en triggers moeten zoveel mogelijk voorkomen worden. Dat vraagt van haar begeleiders een voortdurend vooruitdenken en inspelen op en voorkomen van wat er mogelijk komen gaat en haar rust zou kunnen verstoren.

(…)

Vanuit het verleden en de gebeurtenissen in 2008 zijn de ouders en zus van [C] zeer aangedaan en betrokken op haar geraakt. De levens in het gezin zijn, zoals begrijpelijk in een dergelijke situatie, sterk verweven. (…)Dit belast [C] onbewust en mogelijk geregeld ook bewust omdat zij vanuit de verwevenheid de last van de andere gezinsleden voelt en mee maakt.

Terwijl zij vanuit haar herstelproces juist behoefte heeft aan een kalm en ontspannen brein bij haarzelf en haar verzorgers lijkt het erop dat de situatie zoals hij gegroeid is zich zo ook, ondanks de enorme inzet van de familieleden, tegen haar kan keren.

Dit is een complexe en verwarrende situatie waarin het ingewikkeld is om, gezien alles wat is gebeurd, ruimte te scheppen op een manier en een tempo dat iedereen verdragen kan en goed doet. Om hieraan recht te doen is systemische en therapeutische ondersteuning voor het gezin zeer wenselijk waarin ook met name aandacht is voor individuele thema’s en ontwikkeling. Voor [C] en het gezin is het belangrijk dat er geleidelijk aan meer ruimte komt voor individuele activiteiten los van elkaar en dat het” gewone leven” weer wordt opgepakt.

Op geleide van het resultaat van deze aanpak (gezien de ernst en de duur van de problematiek wordt een periode van een jaar verwacht) kan daarna bezien worden of en wanneer traumabehandeling in engere zin gepast is."

3. De grondslag van de vordering en het verweer

3.1. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] c.s. in zijn nadere conclusie allereerst verwezen naar hetgeen hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, samengevat onder r.o. 3.1 t/m 3.3 van het vonnis van 27 juli 2011, met uitzondering van de juridische kwalificaties betreffende artikel 7:658 BW. [eiser] c.s. heeft voorts het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [C] is veelvuldig over een langere periode misbruikt door [E] (hierna: [E]). Dat er sprake is geweest van veelvuldig misbruik over een langere periode kan worden afgeleid uit hetgeen [eiser] c.s. zelf daaromtrent van [C] heeft vernomen, uit de rapportages van haar behandelaars, alsmede uit het adviesverslag van [D]. Talant heeft onrechtmatig jegens [C] gehandeld door geen adequaat toezicht te houden op de personen die bij haar op de montageafdeling werkzaam zijn, althans niet dusdanige maatregelen te treffen dat de kans op seksueel misbruik van de daar werkzame kwetsbare personen tot een minimum werd beperkt, waardoor het misbruik van [C] heeft kunnen plaatsvinden. Voorts heeft Talant [C] onvoldoende nazorg geboden, hetgeen eveneens als onrechtmatig jegens [C] gekwalificeerd kan worden. [eiser] c.s. verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 8 april 1997 (NJ 1997,632), waarin het hof een psychiatrisch ziekenhuis aansprakelijk achtte voor de schade die een patiënte had geleden als gevolg van het feit dat zij door een medepatiënt was verkracht, omdat het ziekenhuis onvoldoende toezicht had gehouden en onvoldoende nazorg had geboden. Ter onderbouwing van de schade verwijst [eiser] c.s. naar het adviesverslag en het behandelplan van [D]. Uit het adviesverslag blijkt welke schade [C] heeft opgelopen door het misbruik en in welke mate. Verder blijkt uit het behandelplan dat de behandeling van [C] intensieve begeleiding en ondersteuning vanuit de thuissituatie vergt. Dat de schade in causaal verband staat tot het onrechtmatig handelen van Talant blijkt uit het adviesverslag van [D] en uit de overgelegde verklaringen van [eiser] c.s. en de therapeuten van [C].

3.2. Talant heeft ten verwere allereerst verwezen naar hetgeen zij eerder in de procedure met betrekking tot de vordering ex artikel 7:658 BW ten verwere heeft aangevoerd, welk verweer is samengevat onder r.o. 4.1 t/m 4.4 van het vonnis van 27 juli 2011. Datzelfde verweer heeft volgens haar te gelden ten aanzien van de vordering gebaseerd op artikel 6:162 BW, waarbij volgens haar in acht genomen moet worden dat in het algemeen eerder een schending van de 'bijzondere', afzonderlijk bij wet geregelde, zorgplicht van de werkgever wordt aangenomen dan een schending van de gewone zorgplicht van een instelling als Talant ex artikel 6:162 BW. Voorts rust de bewijslast thans, anders dan bij de vordering ex artikel 7:658 BW, steeds op [eiser] c.s. aldus Talant. Talant heeft voorts aangevoerd dat tot op heden niet bekend is geworden wat er is voorgevallen, met welke frequentie en in welk tijdsbestek een en ander moet worden geplaatst. Zij heeft de door [eiser] c.s. gestelde aard en omvang van het misbruik betwist en heeft daartoe aangevoerd dat de door [eiser] c.s. gestelde aard en omvang van het misbruik nog altijd niet door een deskundige is bevestigd en dat uit door haar getroffen maatregelen kan worden afgeleid dat de door [eiser] c.s. gestelde toedracht niet mogelijk is. Tot slot heeft zij aangevoerd dat uit het adviesverslag en het behandelplan van [D] niet blijkt dat [C] voortdurende verzorging nodig heeft c.q. niet meer in staat zou zijn om activiteiten te ontplooien (bijvoorbeeld) in de dagbesteding. Volgens Talant bevestigt [D] juist dat die voortdurende verzorging door [eiser] c.s. ongewenste effecten kan hebben.

4. De verdere beoordeling

4.1. De rechtbank neemt over hetgeen de kantonrechter in zijn vonnis van 27 juli 2011 heeft overwogen en beslist. In dit vonnis is geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] c.s. niet kunnen worden gebaseerd op aansprakelijkheid van Talant op de voet van artikel 7:658 BW. Omdat [eiser] c.s. de aansprakelijkheid van Talant voorts heeft gebaseerd op onrechtmatig handelen ex artikel 6:162 BW en de kantonrechter zich ter zake van deze grondslag niet bevoegd achtte, heeft de kantonrechter de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de sector civiel recht van deze rechtbank. Ter zake van deze grondslag overweegt de rechtbank als volgt.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat op Talant als zorginstelling, gezien de verhoogde kwetsbaarheid van personen met een verstandelijke beperking, een (ongeschreven) bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van personen met een verstandelijke beperking die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze zorgplicht houdt in dat Talant alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd teneinde een veilig dagbestedingsklimaat te bieden. Dit brengt mee dat Talant gehouden is er zo veel als redelijkerwijs mogelijk is op toe te zien dat aan haar zorg toevertrouwde cliënten geen schade aan zichzelf toebrengen en dat aan hen geen schade wordt toegebracht door derden, waaronder andere cliënten. Dit betreft een inspanningsverplichting die op haar rust. Het enkele feit dat er volgens [eiser] c.s. ongewenst seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen [C] en [E] maakt nog niet dat Talant haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden.

4.3. Hoever het toezicht van Talant behoort te gaan en welke maatregelen ter voorkoming van het toebrengen van schade van Talant mogen worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het gegeven geval, waarbij van belang zijn de aard en de ernst van het gevaar, bestaande in de kans op een inbreuk op de gezondheid en veiligheid van de personen met een verstandelijke beperking die aan de zorg van Talant zijn toevertrouwd, de te verwachten schade, de grootte van de kans dat die schade zich verwezenlijkt, de voorzienbaarheid van het gevaar en de schade en de kosten van de voorzorgsmaatregelen.

4.4. Van een schending van de bijzondere zorgplicht zou sprake kunnen zijn indien Talant geen of te weinig oog had voor het gevaar van seksueel overschrijdend gedrag jegens [C] of indien de concrete situatie bij Talant noopte tot het nemen van specifieke (beleids)maatregelen, die Talant vervolgens niet heeft genomen. Voorts zou van schending sprake kunnen zijn indien Talant, nadat zij bekend werd c.q. had kunnen zijn met seksueel overschrijdend gedrag van [E] jegens [C] niet die maatregelen heeft genomen die gelet op de omstandigheden redelijkerwijze van haar konden worden gevergd.

4.5. Talant heeft terecht aangevoerd dat, nu de vordering is gebaseerd op artikel 6:162 BW, de stelplicht en bewijslast ter zake van de feiten die aan de gestelde onrechtmatige daad, bestaande in de schending van de zorgplicht, ten grondslag zijn gelegd in beginsel op [eiser] c.s. rusten.

4.6. In het door partijen over en weer gestelde vindt de rechtbank aanleiding een comparitie van partijen te gelasten teneinde inlichtingen te verkrijgen. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden bezien hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook aan de orde komen of een schikking (al dan niet op onderdelen) mogelijk is.

4.7. De rechtbank wijst partijen erop dat indien zij nog stukken in het geding willen brengen, zij er voor dienen te zorgen dat deze stukken uiterlijk twee weken voor de comparitie in het bezit van de rechtbank en de wederpartij zijn.

4.8. In afwachting van de comparitie houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt partijen - [eiser] c.s. in persoon, Talant deugdelijk vertegenwoordigd -, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen voor de rechter-commissaris, waartoe te dezen wordt benoemd, mr. Th. G. Lautenbach, op een door haar nader te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Gerechtsgebouw, Zaailand 102 te Leeuwarden, teneinde inlichtingen te verschaffen en een schikking te beproeven;

5.2. verwijst de zaak naar de rol van 20 juni 2012 voor opgave van verhinderdata van de advocaten en partijen op de maandagen in de maanden juli, augustus en september 2012, zulks conform artikel 8.4 van het landelijk rolreglement;

5.3. verstaat dat stukken welke ter zitting besproken gaan worden tenminste twee weken voor de zitting aan de rechter en de andere partij worden gezonden;

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. Smit, J.A. Werkema en Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.?

fn: 445