Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW8115

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
119537 / FT RK 12-465
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking van rechter-commissaris in schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Wrakingskamer

Zaak-/rekestnummer: 119537 / FT RK 12-465

Wrakingsnummer: 5/2012

Uitspraak van de meervoudige wrakingskamer ex artikel 39 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering d.d. 24 mei 2012

inzake het door:

[A],

verblijvende te [woonplaats] op het adres [adres],

verzoekster tot wraking,

hierna te noemen: [A],

ingediende verzoek tot wraking van mr. [X], rechter in deze rechtbank.

Procesverloop

1.1. Bij deze rechtbank is aanhangig het door [A] op 3 mei 2012 ingediende verzoekschrift ex artikel 285 Fw, strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.2. [A] is bij brief van de griffier van deze rechtbank van 15 mei 2012 opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 24 mei 2012 te 09:00 uur, om te worden gehoord naar aanleiding van voormeld verzoekschrift. De terechtzitting zal plaatsvinden ten overstaan van mr. [X], rechter-commissaris.

1.3. [A] heeft bij brief van 20 mei 2012 de wraking verzocht van mr. [X].

1.4. Mr. [X] heeft de wrakingskamer op 23 mei 2012 schriftelijk medegedeeld niet in de wraking te berusten, waarbij hij tevens zijn standpunt omtrent het wrakingsverzoek kenbaar heeft gemaakt.

1.5. De behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van de meervoudige wrakingskamer van 24 mei 2012. Aan [A] is ter zitting een kopie van de schriftelijke reactie van mr. [X] overhandigd. [A] heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht en op de reactie van mr [X] gereageerd. Na een schorsing voor beraad heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak vormt daarvan de schriftelijke uitwerking.

Motivering

De feiten

2. In deze wrakingsprocedure wordt van de volgende feiten uitgegaan.

2.1. [A] heeft op 25 januari 2012 een (eerder) verzoekschrift ingediend strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij brief van gelijke datum heeft de griffier de ontvangst van dit verzoekschrift aan [A] bevestigd en haar medegedeeld dat zij nader bericht zal ontvangen over de verdere behandeling van haar verzoek. Voorts heeft de griffier [A] bij brief van 6 maart 2012 medegedeeld dat er stukken ontbreken die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, meer in het bijzonder een verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f Fw. Aan [A] is verzocht om binnen vier weken na verzending van genoemde brief dit stuk over te leggen.

2.2. Bij vonnis van 11 april 2012 heeft mr. [X] het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gevraagde aanvullende informatie niet was ontvangen.

2.3. Bij vonnis van 4 april 2012 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [A] veroordeeld tot ontruiming van de door haar van WoonFriesland gehuurde woning aan de [adres] te [woonplaats]. WoonFriesland heeft [A] vervolgens aangezegd dat zij, desnodig, op 2 mei 2012 zal overgaan tot ontruiming van deze woning.

2.4. Op 24 april 2012 heeft [A] bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 287b Fw, waarbij artikel 305 Fw van toepassing wordt verklaard en de dreigende en al aangezegde ontruiming van de woning van [A] door WoonFriesland op 2 mei 2012 wordt voorkomen.

2.5. De rechtbank heeft de behandeling van het sub 2.4. bedoelde verzoek bepaald op 27 april 2012. De griffier van de rechtbank heeft op 26 april 2012 de voicemail van de mobiele telefoon van [A] ingesproken, met het verzoek om terug te bellen. [A] is niet ter terechtzitting verschenen. Wel zijn ter terechtzitting verschenen mevrouw [Y], werkzaam bij WoonFriesland, en mevrouw [Z], werkzaam bij de gemeente Weststellingwerf. Zij zijn bij die gelegenheid door mr. [X] gehoord.

2.6. Bij vonnis van 27 april 2012 heeft mr. [X] het verzoek van [A] tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.7. [A] heeft vervolgens het thans voorliggende nieuwe verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij deze rechtbank ingediend.

Het standpunt van [A]

3. [A] legt - samengevat - het navolgende ten grondslag aan haar wrakingsverzoek.

Mr. [X] heeft reeds eerder twee verzoeken van [A] behandeld. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgedaan, zonder dat mr. [X] zich bij de afhandeling van het verzoekschrift iets heeft aangetrokken van de wijze van behandeling zoals bepaald in het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken van de rechtbank. Tijdens de aanvraag van een moratorium ex artikel 287b Fw door [A] heeft mr. [X] het vonnis van 11 april 2012 gewezen, waarbij het verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk is verklaard. Mr. [X] had behoren te weten dat een dergelijke beslissing verval van het moratorium met zich brengt. [A] wijst er voorts op dat zij de brief van de griffier van 6 maart 2012, waarbij is verzocht om aanvullende stukken, niet heeft ontvangen. Zij is tussen de indiening van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en de niet-ontvankelijkverklaring niet op de hoogte gehouden van de procesgang. Het vonnis van mr. [X] van 11 april 2012 is bovendien onduidelijk en onleesbaar. Een en ander wekt bij elkaar genomen de schijn van vooringenomenheid, aldus [A]. [A] wijst er voorts op dat zij het gevoel heeft gehad dat bij de behandeling van het eerste verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling negatieve emoties mr. [X] parten hebben gespeeld, waardoor volgens [A] niet uitgesloten kan worden geacht dat het mr. [X] bij de geplande behandeling van het nieuwe verzoekschrift jegens [A] aan onpartijdigheid ontbreekt. Een rechter dient zich er volgens [A] van bewust te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan, indien hij een zaak behandelt, waarover hij in een eerdere (soortgelijke) zaak al uitspraak heeft gedaan. [A] voert verder aan dat de griffier van de rechtbank haar voicemail niet meerdere keren heeft ingesproken op 26 april 2012. Zij had ter zitting willen verschijnen, maar was daarvoor niet (behoorlijk) uitgenodigd, omdat de datum en het tijdstip van de zitting in het voicemailbericht niet was meegedeeld. [A] acht het onbegrijpelijk dat mr. [X] mevrouw [Z] van de gemeente Weststellingwerf, die geen partij was bij het moratoriumverzoek, ter zitting aan het woord heeft gelaten. Naar de mening van [A] geeft de uitspraak van mr. [X] op het moratoriumverzoek bovendien blijk van een zekere irritatie en negatieve emoties jegens [A]. Dat getuigt van vooringenomenheid jegens [A]. Ten slotte heeft mr. [X], door het verzochte moratorium af te wijzen, waarna de ontruiming van de woning van [A] kon plaatsvinden, aldus [A], een catastrofe aangericht in haar leven, dat zij net weer enigszins op de rails had gekregen.

Het standpunt van mr. [X]

4. Mr. [X] heeft - samengevat - de navolgende reactie op het wrakingsverzoek gegeven.

Het wrakingsverzoek dient volgens mr. [X] te worden afgewezen. [A] stelt ten onrechte dat zij niet op de hoogte is gehouden van de procesgang van het eerste verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. In dat kader wijst mr. [X] op de brieven van de griffier aan [A] van 25 januari en 6 maart 2012. De beslissing op voormeld verzoek is pas gegeven nadat [A] niet had voldaan aan het verzoek van de griffier om toezending van aanvullende stukken. Een en ander is in overeenstemming met het door de rechtbank gehanteerde procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken. De stelling van [A] dat mr. [X] zich niets van dit reglement heeft aangetrokken, is dan ook feitelijk onjuist. Voorts wijst mr. [X] erop dat er, anders dan [A] suggereert, geen verband bestaat tussen de afwijzende beslissing op het moratoriumverzoek en het niet-ontvankelijk verklaren van het eerste verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling. Beide verzoeken zijn door mr. [X] op hun eigen merites beoordeeld. Verder ziet mr. [X] geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de griffier dat zij (meermaals) getracht heeft om [A] telefonisch op te roepen voor de zitting van 27 april 2012. Naar de mening van mr. [X] maken de door [A] geschetste omstandigheden niet dat hij niet meer onbevangen of onpartijdig kan oordelen over het thans voorliggende verzoek. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat mr. [X] tweemaal afwijzend heeft beslist op verzoeken van [A], nu daarin niet is vooruitgelopen op het onderhavige verzoek. Overigens heeft mr. [X] naar eigen zeggen nimmer blijk gegeven van irritaties of negatieve emoties jegens [A], die hij overigens nimmer heeft ontmoet of ter zitting heeft gesproken.

De beoordeling

5. De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Een verzoek tot wraking is mogelijk indien sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke - door de verzoeker aan te voeren - omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6. Naar het oordeel van de wrakingskamer is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat er sprake is van een persoonlijke vooringenomenheid van mr. [X] jegens [A]. Anders dan [A] heeft gesteld, vallen in de door mr. [X] gewezen uitspraken geenszins negatieve emoties of irritatie jegens [A] af te leiden.

7. Vervolgens dient te worden onderzocht of zich in dit geval omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij [A] bestaande vrees dat mr. [X] jegens haar een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.

8. De wrakingskamer constateert dat mr. [X] recent een tweetal uitspraken heeft gedaan waarbij tot niet-ontvankelijk verklaring resp. afwijzend is beslist op verzoeken van [A]. [A] is het kennelijk niet eens met deze uitspraken. De omstandigheid dat een rechter eerder een uitspraak heeft gedaan waarmee degene die zijn wraking verzoekt het niet eens is, is echter niet een omstandigheid die erop wijst dat de onpartijdigheid van die rechter schade zou kunnen lijden (HR 16 december 2011, LJN: BU8280 en HR 13 april 2012, LJN: BW1972). Dat klemt hier te meer nu, zoals mr. [X] terecht stelt, hij in deze uitspraken niet is vooruitgelopen op een beslissing inzake het thans voorliggende - nieuwe - verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De wrakingskamer merkt daarbij nog op dat het eerdere verzoek ook niet inhoudelijk is beoordeeld door mr. [X], omdat het verzoek toen niet volledig was.

9. Voor zover [A] meent dat mr. [X] bij de beoordeling van het eerdere verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling procesrechtelijke regels onjuist heeft toegepast, hetgeen de wrakingskamer overigens op geen enkele wijze is gebleken, vormt dat evenmin een omstandigheid die erop wijst dat moet worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van mr. [X]. Dat geldt evenzeer indien er door de griffie van deze rechtbank fouten zouden zijn gemaakt bij het informeren van [A] over de procesgang inzake het eerdere verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling – wat, gelet op de in het procesdossier aangetroffen brieven van 25 januari en 6 maart 2012 evenmin aannemelijk is geworden - en het spoedshalve telefonisch contact zoeken door de griffie inzake het oproepen van [A] voor de zitting inzake het verzochte moratorium op 27 april 2012.

10. Het stond mr. [X] naar het oordeel van de wrakingskamer vrij om ter zitting van 27 april 2012 - waarbij het moratoriumverzoek werd behandeld - de namens de gemeente Weststellingwerf verschenen mevrouw [Z] te horen als informant, ook al was de gemeente Weststellingwerf in deze procedure geen partij. Dit is een procesbeslissing waartoe mr. [X] als behandelend rechter bevoegd was. Hieruit kan echter geen vooringenomenheid van mr. [X] jegens [A] worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor de beslissing van mr [X] om het verzoek van [A] te behandelen terwijl zij zelf niet ter terechtzitting was verschenen.

11. Nu geen van de door [A] aangevoerde wrakingsgronden doel treft, moet het wrakingsverzoek als zijnde ongegrond worden afgewezen.

Beslissing?

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2012 door

mr. J.S. van der Kolk, voorzitter, mr. J.A. Werkema en mr. M. van der Hoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Postma als griffier.