Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW7774

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
118905 / HA RK 12-40
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landinrichtingswet: verzoek tot in de macht stelling bij voorraad op grond van artikel 204 Landinrichtingswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

Landinrichtingen

Zaak-/rolnummer: 118905 / HA RK 12-40

Bevelschrift ex artikel 204 Landinrichtingswet van 11 mei 2012

op verzoek van:

de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Baarderadeel",

hierna te noemen: de Landinrichtingscommissie,

gemachtigde: mr. ing. J. Heinen,

gericht tegen

[verweerder]

hierna te noemen: [verweerder],

wonende aan [adres],

gemachtigde: mr. J.T Fuller.

Procesverloop

1. Bij brief van 8 maart 2012 heeft de Landinrichtingscommissie verzocht om een bevelschrift ex artikel 204 Landinrichtingswet (Liw.) af te geven waarop een aantal in de brief genoemde (rechts)personen in de macht kunnen worden gesteld van tevens in deze brief genoemde kavels welke thans nog in gebruik zijn bij [verweerder].

Namens [verweerder] is door zijn gemachtigde gereageerd bij brief van 27 maart 2012, met daarbij een drietal bijlagen.

De Landinrichtingscommissie heeft daarop gereageerd bij brief van 30 maart 2012, met bijlage.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012.

Vervolgens is beslissing bepaald.

Het verzoek

2.1 De Landinrichtingscommissie heeft gesteld dat krachtens het plan van toedeling voor de ruilverkaveling Baarderadeel de navolgende in het gedeelte Oosterwierum e.o. van het blok gelegen kavels in eigendom of gebruik zijn toegedeeld aan de daarbij genoemde eigenaar of gebruiker:

kavelnummer oppervlakte oud perceel toedeling aan

183.041 2.13.35 ha Oosterwierum B 114 [A]

183.050 2.99.60 ha Oosterwierum B 931 [B]

Oosterwierum B 330

183.202 1.69.00 ha Oosterwierum B 932 [B]

183.008 1.15.35 ha Oosterwierum B 322 [C]

183.010 1.21.25 ha Oosterwierum B 971 [D]/ [C]

182.007 1.72.00 ha Oosterwierum B 892 [E]/[F]

173.072 1.81.95 ha Oosterwierum A 1326 [E]/[F]

173.054 2.45.00 ha Oosterwierum A 1307 [E]/[F]

173.510 1.65.90 ha Oosterwierum A 1333 [E]/[F]

173.045 1.26.30 ha Oosterwierum A 1322 [G]/[F]

173.508 dls 0.53.50 ha Oosterwierum A 1322 [G]/[F]

2.2 De toedeling van deze gronden is onherroepelijk nu de rechtbank Leeuwarden omtrent de bezwaren tegen het plan van toedeling heeft beslist en daartegen geen rechtsmiddel openstaat. De vermogensverschuiving gaat hoe dan ook plaatsvinden. Het passeren van de akte van toedeling zal naar het zich nu laat aanzien plaatsvinden medio oktober 2012. De Landinrichtingscommissie heeft besloten dat de kavelovergang van de landinrichting, en dus ook voor de hiervoor genoemde gronden, zal plaatsvinden op 1 januari 2012. Ondanks verzoeken en aanmaningen weigert [verweerder] de voornoemde kavels te ontruimen, ontruimd te houden en ter beschikking te stellen aan de voornoemde (rechts)personen. De nieuwe eigenaren hebben er in het kader van hun bedrijfsvoering belang bij dat zij de gronden zo spoedig mogelijk kunnen gaan gebruiken. Verder moeten zij vóór 15 mei 2012 in verband met allerlei subsidies aangifte doen bij de Dienst Regelingen en dat kan alleen als de gronden dan in hun bezit zijn gesteld.

2.3. De Landinrichtingscommissie stelt zich verder op het standpunt dat een belangenafweging bij de toepassing van artikel 204 Liw. niet aan de orde is. De regeling is ten aanzien van de in artikel 209 Liw. neergelegde pendant van artikel 204 Liw. geïntroduceerd in de Ruilverkavelingswet uit 1924 en het doel was om inbezitstelling ten aanzien van een onwillige op zo eenvoudig en weinig kostbaar mogelijke wijze te kunnen laten plaatsvinden. De door [verweerder] gestelde omrijschade komt aan de orde bij de lijst der geldelijke regelingen.

2.4. De Landinrichtingscommissie verzoekt daarom om afgifte van een bevelschrift waarop genoemde (rechts)personen, desnoods door middel van de sterke arm, bij voorraad in de macht gesteld kunnen worden van de aan hen in eigendom of gebruik toekomende kavels.

Het verweer

3.1. [verweerder] heeft het verzoek betwist. De door de Landinrichtingscommissie gewenste kaveloverdracht is een vrijwillige overdracht en [verweerder] hoeft daar dus niet aan mee te werken. Hij heeft daar ook geen belang bij omdat hij (omrij)schade zal lijden als gevolg van de kaveloverdracht. In het kader van de bezwaren tegen het plan van toedeling is deze schade door de Dienst Landelijk Gebied becijferd op € 7.400,-- per jaar. Het grootste probleem zit hierbij voor wat betreft [verweerder] bij de op een afstand van ongeveer 200 meter van zijn boerderij gelegen inbrengpercelen die aan [B] zijn toegedeeld. Door deze percelen zo lang mogelijk in zijn bezit te houden kan hij zijn schade beperken. Van zwaarwegende belangen van degenen die de percelen in bezit moeten krijgen is niet gebleken.

3.2. [verweerder] stelt zich verder op het standpunt dat de Landinrichtingscommissie gebruik had moeten maken van de mogelijkheid om grondruil te realiseren op basis van een plan van tijdelijk gebruik in plaats van de mogelijkheid van artikel 204 Liw.

De beoordeling

4.1. De rechter-commissaris oordeelt als volgt. Niet ter discussie tussen partijen staat dat het plan van toedeling ten aanzien van de hiervoor onder 2.1. opgesomde percelen vaststaat en dat daarbij deze percelen met [verweerder] als inbrenger zijn toegedeeld aan de genoemde (rechts)personen. Voorts staat vast dat de Landinrichtingscommissie eind 2011 heeft besloten kavelovergang voorafgaande aan het passeren van de akte van toedeling per 1 januari 2012 te doen plaatsvinden. De betrokkenen, op [verweerder] na, hebben hiermee ingestemd.

4.2. Artikel 204 Liw. luidt als volgt: "Op verzoek van de centrale commissie wordt degene, aan wie krachtens het plan van toedeling een onroerende zaak in eigendom of in gebruik toekomt, op bevelschrift van de rechter-commissaris desnoods door middel van de sterke arm bij voorraad in de macht daarvan gesteld". De bedoeling van deze bepaling is om voorafgaande aan het ingaan van de juridische eigendomsoverdracht door de akte van toedeling gronden feitelijk al in bezit te stellen van de nieuwe eigenaren of gebruikers. Gelet op deze bepaling heeft de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid hiertoe willen bieden. De mogelijkheid die artikel 204 Liw. de Landinrichtingscommissie biedt beoogt een voorziening te geven voor de periode na vaststelling van het plan van toedeling en staat los van een mogelijk plan van tijdelijk gebruik, hetwelk in de regel een voorziening geeft voorafgaande aan de uiteindelijke toedeling. Dat eerder geen plan van tijdelijk gebruik is vastgesteld staat dan ook niet in de weg aan toepassing van artikel 204 Liw.

4.3. Anders dan door de Landinrichtingscommissie is betoogd is de rechter-commissaris van oordeel dat in het kader van de beoordeling van het onderhavige verzoek wel enige vorm van belangenafweging dient plaats te vinden omdat er wordt vooruitgelopen op een formeel-juridisch nog niet vastgelegde eigendomssituatie. Als uitgangspunt daarbij geldt dat de juridische eigendomsovergang binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden en dat de nu gevraagde voorziening voor een beperkte periode zal gelden, maar wel al de toekomstige situatie zal behelzen conform het plan van toedeling, welke in de akte van toedeling zal worden vastgelegd. Mogelijke bezwaren tegen toepassing van artikel 204 Liw. zullen daarom van een zeer zwaarwegend belang moeten zijn.

4.4. De rechter-commissaris is van oordeel dat het door de Landinrichtingscommissie gestelde omtrent het belang van de verkrijgers om in het kader van hun bedrijfsvoering de toegedeelde gronden in gebruik kunnen nemen, alsmede de voor de aanvraag van mogelijke subsidies relevante datum van 15 mei 2012 zwaarder wegen dan het door [verweerder] gestelde belang, bestaande uit zijn omrijschade. De rechter-commissaris betrekt hierbij dat overige betrokkenen in het gebied van de landinrichting meewerken aan kavelovergang en er is al sprake van een carroussel van feitelijke overdrachten conform het plan van toedeling, terwijl [verweerder] als enige daarbij een afwijkende positie inneemt, waardoor het ruilproces wordt beïnvloed. Voorts is de rechter-commissaris gebleken dat de bezwaren van [verweerder] zich in feite beperken tot een tweetal aan [B] toegedeelde percelen en dat [verweerder] nog geen begin heeft gemaakt met de bewerking van die percelen, alhoewel dat agrarisch-technisch al had gekund en gemoeten en dit, gelet op zijn standpunt omtrent het belang voor hem van die percelen, ook voor de hand had gelegen.

4.5. De rechter-commissaris begrijpt dat de door [verweerder] gestelde schade, uitgaande van de juistheid van het door hem genoemde bedrag, voor hem een aanzienlijk belang vertegenwoordigt, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is dat onvoldoende om het verzoek van de Landinrichtingscommissie af te wijzen. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

4.6. De kosten van deze procedure zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen.

Beslissing

De rechter -commissaris:

- beveelt dat de navolgende (rechts)personen desnoods door middel van de sterke arm bij voorraad in de macht zullen worden gesteld van navolgende percelen conform de hieronder weergegeven opsomming:

kavelnummer oppervlakte oud perceel in de macht te stellen van

183.041 2.13.35 ha Oosterwierum B 114 [A]

183.050 2.99.60 ha Oosterwierum B 931 [B]

Oosterwierum B 330

183.202 1.69.00 ha Oosterwierum B 932 [B]

183.008 1.15.35 ha Oosterwierum B 322 [C]

183.010 1.21.25 ha Oosterwierum B 971 [D]/ [C]

182.007 1.72.00 ha Oosterwierum B 892 [E]/[F]

173.072 1.81.95 ha Oosterwierum A 1326 [E]/[F]

173.054 2.45.00 ha Oosterwierum A 1307 [E]/[F]

173.510 1.65.90 ha Oosterwierum A 1333 [E]/[F]

173.045 1.26.30 ha Oosterwierum A 1322 [G]/[F]

173.508 dls 0.53.50 ha Oosterwierum A 1322 [G]/[F];

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. R Giltay, rechter-commissaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

fn 439