Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW6857

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/2941
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijke berisping gemeenteambtenaar in verband met het niet opvolgen van een dienstopdracht, namelijk de verplichte deelname aan een fietstocht, ter versterking van het saamhorigheidsgevoel en de interne samenwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2941

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2012 in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [X]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Franekeradeel,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigden: mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en M. van Deursen, werkzaam bij de gemeente Franekeradeel.

Procesverloop

Bij brief van 13 mei 2011 heeft [naam], de leidinggevende van [X], [X] opgedragen deel te nemen aan een organisatiebrede activiteit, namelijk een fietstocht door een gedeelte van de gemeente Franekeradeel op vrijdagmiddag 20 mei 2011. In het besluit is aangegeven dat deze activiteit als werk wordt beschouwd en dat het de bedoeling is dat iedereen binnen de gemeentelijke organisatie hieraan deelneemt.

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het college [X] een berisping gegeven, omdat hij zonder opgave van redenen niet heeft deelgenomen aan de fietstocht.

Bij besluit van 24 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van [X] tegen de dienstopdracht en de berisping ongegrond verklaard.

[X] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012, waarbij [X] in persoon is verschenen en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ter zitting heeft mr. Van der Meer [X] voorgesteld dat hij zijn beroep tegen de dienstopdracht intrekt en dat het college vervolgens de besluiten van 8 juni 2011 en 24 oktober 2011 betreffende de berisping intrekt. Daarbij heeft mr. Van der Meer het voorbehoud gemaakt dat het voorstel nog wel goedgekeurd moet worden door het college. [X] heeft het voorstel van mr. Van der Meer geaccepteerd. In verband hiermee heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Bij brief van 26 april 2012 heeft het college [X] geïnformeerd over de uitvoering van de ter zitting gemaakte afspraken. Op 5 mei 2012 is [X] teruggekomen op het bereikte akkoord en heeft hij de rechtbank verzocht om uitspraak te doen.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. [X] is van mening dat de brief van 13 mei 2011 niet beschouwd kan worden als een dienstopdracht. Daarmee is de grondslag van de berisping komen te ontvallen. [X] is bovendien van mening dat een verplichte fietstocht niet als werk beschouwd kan worden.

2. De rechtbank oordeelt, in navolging van het college en de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Franekeradeel, dat een leidinggevende (inherent) bevoegd is tot het geven van een dienstopdracht en dat een dienstopdracht zich in allerlei vormen kan voordoen. Voor het geven van een dienstopdracht is een formeel besluit van het college niet vereist. Dat een dienstopdracht alleen maar gegeven kan worden door of namens het college vindt geen steun in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank wijst onder meer op de uitspraken van 26 mei 2005, 11 januari 2007 en 22 februari 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder achtereenvolgens LJN: AT6293, LJN: AZ7633 en LJN: BA0446. De rechtbank oordeelt verder dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het dienstbelang, gelegen in het versterken van het saamhorigheidsgevoel en de interne samenwerking, de fietstocht (en de voorafgaande gezamenlijke lunch en de afsluitende barbecue) rechtvaardigt. Van een zwaarwegend belang aan de zijde van [X] dat het niet deelnemen aan de fietstocht rechtvaardigt, is de rechtbank niet gebleken. [X] heeft principiële bezwaren tegen de fietstocht en het staat hem vanzelfsprekend vrij om deze bezwaren kenbaar te maken. Het niet deelnemen aan de fietstocht in het kader van een dienstopdracht is echter niet de geëigende methode om deze bezwaren te uiten of kenbaar te maken. Daarvoor dient [X] een ander podium te zoeken.

3. Vast staat dat [X] niet heeft deelgenomen aan de fietstocht. Dit betekent dat het college op grond van artikel 16:1:1, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), gelezen in combinatie met artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO, bevoegd is [X] schriftelijk te berispen. De rechtbank oordeelt dat het college hiertoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Uit het beroepschrift leidt de rechtbank af dat [X] het ook eens is met de berisping, indien aangenomen moet worden dat sprake is van een dienstopdracht die door hem niet is opgevolgd.

4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

5. Anders dan mr. Van der Meer in zijn brief van 9 mei 2012 stelt, is de rechtbank van oordeel dat [X] in zijn brief van 5 mei 2012 geen verzoek om een schadevergoeding heeft gedaan. De rechtbank zal zich hierover dus niet uitlaten.

6. Voor een vergoeding van de door [X] geclaimde proceskosten (verletkosten en reiskosten) bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2012.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.