Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW4434

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
17/880480-11VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting, beleggingen,faillissement, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 326, geldigheid: 2012-04-27
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2012-04-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880480-11VEV

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 17/885181-12

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 april 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10 te Ter Apel.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 februari 2012 en 13 april 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

in de zaak met parketnummer 17/880480-11 dat:

1.

verdachte op verschillende tijdstippen, althans enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 20 maart 2005 tot en met 12 maart 2011,

op na te melden plaatsen, althans te Zwaagwesteinde, (althans) in de

gemeente Dantumadeel en/of elders in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

(onder meer)

[naam] (zaak 7; pag. 504 - 519) en/of

[naam] (zaak 11; pag. 573 - 585) en/of

[naam] (zaak 12; pag. 587 - 614) en/of

[naam] (zaak 13: pag. 616 - 631) en/of

[naam] (zaak 16; pag. 673 - 688) en/of

[naam] (zaak 18; pag. 708 - 727) en/of

[naam] (zaak 21; pag. 771 - 797) en/of

[naam] (zaak 22; pag. 799 - 816) en/of

[naam] (zaak 24: pag. 864 - 884) en/of

[naam] (zaak 26; pag. 899 - 938C) en/of

[naam] (zaak 27; pag. 940 - 966) en/of

[naam] (zaak 29; pag. 1009 - 1021) en/of

[naam] (zaak 36; pag. 1167 - 1198) en/of

[naam] (zaak 38; pag. 1212 - 1240) en/of

[naam] (zaak 50; pag. 1526 - 1567) en/of

[naam] (zaak 54; pag. 1614 - 16420 en/of

[naam] (zaak 57; pag. 1678 - 1696)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer (gro(o)t(e)) geldbedrag(en), in

elk geval van enig goed,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid,

voornoemde perso(o)n(en) meegedeeld en/of voorgehouden en/of voorgesteld

en/of toegezegd dat/die (gro(o)t(e)) geldbedrag(en) tegen een (zeer) hoog

rendement te beleggen in of via één of meer bedrijf/bedrijven en/of in (onder

meer) recreatiewoningen en/of vakantieparken en/of onroerend goed en/of in te

brengen of te investeren in één of meer door verdachte genoemde

(beleggings-)projecten,

waardoor voornoemde perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art. 326, lid 1, Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

verdachte op verschillende tijdstippen, althans enig tijdstip, in of

omstreeks de periode van 30 maart 2005 tot en met 12 maart 2011,

te Zwaagwesteinde, (althans) in de gemeente Dantumadeel en/of elders

in Nederland,

(telkens) opzettelijk één of meer (gro(o)t(e)) geldbedrag(en), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

(onder meer)

[naam] (zaak 7; pag. 504 - 519) en/of

[naam] (zaak 11; pag. 573 - 585) en/of

[naam] (zaak 12; pag. 587 - 614) en/of

[naam] (zaak 13: pag. 616 - 631) en/of

[naam] (zaak 16; pag. 673 - 688) en/of

[naam] (zaak 18; pag. 708 - 727) en/of

[naam] (zaak 21; pag. 771 - 797) en/of

[naam] (zaak 22; pag. 799 - 816) en/of

[naam] (zaak 24: pag. 864 - 884) en/of

[naam] (zaak 26; pag. 899 - 938C) en/of

[naam] (zaak 27; pag. 940 - 966) en/of

[naam] (zaak 29; pag. 1009 - 1021) en/of

[naam] (zaak 36; pag. 1167 - 1198) en/of

[naam] (zaak 38; pag. 1212 - 1240) en/of

[naam] (zaak 50; pag. 1526 - 1567) en/of

[naam] (zaak 54; pag. 1614 - 16420 en/of

[naam] (zaak 57; pag. 1678 - 1696),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en) verdachte uit hoofde van zijn,

verdachtes, persoonlijke dienstbetrekking van/als (zelfstandig) assurantie-

en/of hypotheekadviseur(s), in elk geval als (zelfstandig)

financieel-adviseur, (telkens) anders dan door misdrijf,

te weten van voornoemde perso(o)n(en) als ingelegd(e) geld(en) ter belegging

of ter investering in door verdachte genoemde (beleggings)projecten,

onder zich had(den),

(telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art. 322 ivm art 321 Wetboek van Strafrecht)

2.

verdachte op verschillende tijdstippen, althans enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 24 september 2009 tot en met 6 mei 2010,

te Zwaagwesteinde, (althans) in de gemeente Dantumadeel en/of één of meer

andere plaatsen in het arrondissement Leeuwarden en/of één of meer (andere)

plaatsen in Nederland,

(telkens) een (zogenaamde) participatieovereenkomst,

zijnde elk daarvan een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van het daarin

vermelde te dienen, althans om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

door (telkens) die participatieovereenkomst te ondertekenen met, althans

(telkens) te voorzien van een handtekening, die (telkens) de ondertekening of

handtekening van [naam] moest voorstellen,

zulks (telkens) met het oogmerk om die participatieovereenkomst(en), althans

die/dat geschrift(en), als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken;

en in de zaak met parketnummer 17/885181-12 dat:

verdachte op verschillende tijdstippen, althans enig tijdstip, in of omstreeks

de periode 1 november 2006 tot en met 1 oktober 2009,

te Kollumerpomp en/of te Kollum, (althans) in de gemeente Kollumerland Ca.

en/of te Zwaagwesteinde, (althans) in de gemeente Dantumadeel, in elk geval in

Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

[naam] en/of [naam] (aangifte/zaak 58) en/of

[naam] (aangifte/zaak 59),

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer (gro(o)t(e)) geldbedrag(en), in

elk geval van enig goed,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid,

voornoemd(e) perso(o)n(en) meegedeeld en/of voorgehouden en/of voorgesteld

en/of toegezegd dat/die gro(o)t(e) geldbedrag(en) tegen een (zeer) hoog

rendement te beleggen in of via één of meer bedrijf/bedrijven en/of in (onder

meer) recreatiewoningen en/of vakantieparken en/of onroerend goed en/of in te

brengen of te investeren in één of meer door verdachte genoemde

(beleggings-)projecten,

waardoor voornoemde perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art. 326 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

verdachte op verschillende tijdstippen, althans enig tijdstip, in of omstreeks

de periode van 1 november 2006 tot en met 1 oktober 2009,

te Kollumerpomp en/of te Kollum, (althans) in de gemeente Kollumerland Ca.

en/of te Zwaagwesteinde, (althans) in de gemeente Dantumadeel,

(telkens) opzettelijk één of meer (gro(o)t(e)) geldbedrag(en), in elk geval

enig goed,

(telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

[naam] en/of [naam] (aangifte/zaak 58) en/of

[naam] (aangifte/zaak 59),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk(e) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en) verdachte uit hoofde van zijn

persoonlijke dienstbetrekking van/als (zelfstandig) assurantie- en/of

hypotheekadviseur, in elk geval als (zelfstandig) financieel-adviseur,

(telkens) anders dan door misdrijf onder zich had,

(telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

(art. 322 ivm art. 321 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en 2 en het in de zaak met parketnummer 17/885181-12 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest;

- niet ontvankelijk verklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen zoals genoemd in de zaak met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 17/8885181-12 primair ten laste gelegde feiten;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de door de in de zaak met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 17/885181-12 primair genoemde personen gevorderde bedragen, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor de ad informandum gevoegde strafbare feiten, met uitzondering van de door verdachte ontkende ad informandum gevoegde feiten;

- niet ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [naam];

- afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam].

Bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat voor een bewezenverklaring van het in de zaken met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en het in de zaak met parketnummer 17/885181-12 primair ten laste gelegde sprake moet zijn van de in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht genoemde oplichtingsmiddelen. De raadsman heeft zijn verweer toegespitst op het door de officier van justitie bewezen geachte oplichtingsmiddel "samenweefsel van verdichtsels". Naar de mening van de raadsman is geen sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels waardoor mensen zijn bewogen tot afgifte van geld, nu er maar sprake is geweest van één leugen, hetgeen volgens jurisprudentie van de Hoge Raad onvoldoende is voor een bewezenverklaring van dit oplichtingsmiddel.

De rechtbank verstaat dit verweer, hoewel door de raadsman niet expliciet betoogd, als een beroep op vrijspraak.

De rechtbank overweegt het volgende. Voor zover hier van belang is sprake van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht wanneer iemand met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam, door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, een ander beweegt tot afgifte van enig goed. Wil er in juridische zin van oplichting sprake zijn, dan moet door één of meer van de hiervoor genoemde middelen iemand worden bewogen tot afgifte van een goed. Tussen de afgifte van het goed en de hiervoor genoemde middelen, moet een rechtstreeks verband bestaan. Verdachte heeft uit hoofde van zijn beroep van financieel adviseur de aangevers leren kennen. Doordat verdachte bij diverse aangevers reeds jarenlang de financiële adminstratie verzorgde, optrad als tussenpersoon op het gebied van verzekeringen en hypotheken en financiele adviezen gaf, was hij op de hoogte van hun financiële positie. Nadat verdachte voor zichzelf was begonnen met het beleggingsadvieskantoor Infass, bleven de contacten met vroegere klanten bestaan. Met gebruikmaking van zijn imago als vakkundig financieel adviseur en het vertrouwen dat hij had opgebouwd, heeft hij de aangevers benaderd om hem geldbedragen te geven. Verdachte wendde voor dat hij dit geld zou investeren in onder meer onroerend goed, recreatieparken, recreatiewoningen of golfbanen en dat de aangevers een zeer hoog rendement mochten verwachten. Daarbij werd tevens door verdachte meegedeeld dat zij hun inleg altijd weer terug konden krijgen. Er is dus geen sprake van één leugen zoals de raadsman heeft beweerd.

Verdachte heeft ter zitting erkend dat aangevers hem geen geld zouden hebben geleend, als hij hen zou hebben verteld waar hij het geld daadwerkelijk voor zou gaan gebruiken. Verdachte wist op het moment dat hij afspraken maakte met aangevers omtrent de vermeende beleggingen ook reeds dat hij het geld niet zou gaan beleggen. Er is derhalve een causaal verband tussen de onware verhalen van verdachte en het uitlenen van het geld door de aangevers.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook bewezen worden verklaard dat verdachte de aangevers opzettelijk, door een samenweefsel van verdichtsels, heeft bewogen geld af te staan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 17/885181-12 primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 17/880480-11

1. primair:

verdachte op verschillende tijdstippen in de periode van 20 maart 2005 tot en met 12 maart 2011, op na te melden plaatsen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam] en

[naam]

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, voornoemde personen meegedeeld of voorgehouden of voorgesteld of toegezegd die geldbedragen tegen een hoog rendement te beleggen in of via één of meer bedrijven of in recreatiewoningen of vakantieparken of onroerend goed in te brengen of te investeren in één of meer door verdachte genoemde beleggingsprojecten,

waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

verdachte op verschillende tijdstippen in de periode van 24 september 2009 tot en met 6 mei 2010, te Zwaagwesteinde, in de gemeente Dantumadeel en andere plaatsen in Nederland, telkens een zogenaamde participatieovereenkomst, zijnde elk daarvan een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt door telkens die participatieovereenkomst te ondertekenen met een handtekening, die telkens de handtekening van [naam] moest voorstellen,

zulks telkens met het oogmerk om die participatieovereenkomsten, als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en in de zaak met parketnummer 17/885181-12 dat:

primair:

verdachte op verschillende tijdstippen in de periode 1 november 2006 tot en met 1 oktober 2009, te Kollumerpomp en te Kollum, in de gemeente Kollumerland Ca. en te Zwaagwesteinde, in de gemeente Dantumadeel, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam] en [naam] en [naam],

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, voornoemde personen meegedeeld of voorgehouden of voorgesteld of toegezegd die geldbedragen tegen een zeer hoog rendement te beleggen in of via één of meer bedrijven of in recreatiewoningen of vakantieparken of onroerend goed of in te brengen of te investeren in één of meer door verdachte genoemde beleggingsprojecten,

waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 17/880480-11 de misdrijven:

1. primair: Oplichting, meermalen gepleegd.

2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

in de zaak met parketnummer 17/885181-12 de misdrijven:

primair: Oplichting, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, de psychologische rapportage en het reclasseringsadvies;

- de erkenning van de verdachte zich nog aan de overige op de dagvaarding met parketnummer 17/880480-11 genoemde ad informandum gevoegde strafbare feiten te hebben schuldig gemaakt, welke zaken derhalve hiermee zijn afgedaan, met dien verstande dat de rechtbank de navolgende ad informandum gevoegde strafbare feiten bij de strafoplegging buiten beschouwing heeft gelaten, nu verdachte die feiten ter zitting heeft ontkend:

- Zaak 5, [naam];

- Zaak 30, [naam];

- Zaak 31, [naam];

- Zaak 37, [naam];

- Zaak 51, [naam];

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een groot aantal gevallen van oplichting. De slachtoffers waren veelal mensen met een bescheiden tot modaal inkomen. Verdachte spiegelde potentiële beleggers onder meer voor dat zij hun spaargeld of overwaarde in de woning via hem bij een beleggingsfonds konden beleggen en dat dit een hoog rendement zou opleveren. Het beleggingsfonds waar verdachte over sprak heeft nooit bestaan en de gestorte gelden verdwenen regelrecht in de bedrijven van verdachte waar hoge salarissen werden uitgekeerd en gereden werd in dure leaseauto’s. De gelden die de slachtoffers ter belegging beschikbaar stelden waren veelal bestemd voor oudedagsvoorziening, studievoorziening voor de kinderen of reservering voor onvoorziene uitgaven in de toekomst. Door het hoge rendement dat verdachte in het vooruitzicht stelde en het feit dat hij zich steeds als betrouwbaar wist te presenteren, gingen de slachtoffers met hem in zee. Vaak stond verdachte al met hen in contact als financieel adviseur.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling. De rechtbank heeft geen reden om aan die conclusie te twijfelen en neemt deze over. De vraag blijft dan onbeantwoord hoe verdachte de slachtoffers in de ogen heeft kunnen kijken toen hij hun een hoog rendement beloofde, terwijl hij op dat moment wist dat dit geld voor andere doeleinden zou worden gebruikt dan hij hen toezegde. Ter terechtzitting hiernaar gevraagd, heeft verdachte verklaard dat hij destijds in een soort waan leefde, zonder het besef wat de gevolgen voor de gedupeerden waren. Deze verklaring heeft de rechtbank echter niet kunnen overtuigen, nu uit het rapport van de psycholoog niet gebleken is dat er sprake is van stoornissen die een gestoord besef van de realiteit zouden moeten verklaren. Er zijn vele momenten geweest waarop verdachte zich de vraag had kunnen en moeten stellen wat hij zijn slachtoffers aandeed. De schade die verdachte de gedupeerden heeft berokkend is enorm. Sommige van de slachtoffers zijn in ernstige financiële problemen geraakt en moeten zelfs hun woning verkopen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij de schade zal vergoeden, maar gelet op de hoogte daarvan en de inkomensvooruitzichten van verdachte, vraagt de rechtbank zich af of dit tot de reële mogelijkheden behoort.

De gepleegde delicten rechtvaardigen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdediging heeft aangevoerd dat als strafverminderende omstandigheid moet gelden het feit dat de slachtoffers zelf ook schuld hebben omdat zij te goedgelovig waren. De rechtbank verwerpt die stelling in zijn geheel. Verdachte was werkzaam als financieel adviseur en de slachtoffers mochten uitgaan van een zekere deskundigheid en volledige betrouwbaarheid. Het zou een omkering van zaken zijn om het misbruik van vertrouwen ook maar enigszins aan de slachtoffers toe te rekenen.

De verdediging heeft verder nog aangevoerd dat in het voordeel van verdachte rekening gehouden moet worden met het effect van “trial by media”. Nu verdachte op grote schaal oplichtingen pleegde, die blijkbaar nog niet tot onderzoek hadden geleid door politie en justitie, was de media-aandacht een normaal uitvloeisel van journalistiek onderzoek in deze omvangrijke zaak. Het is de taak van de media om het publiek te informeren en het is de rechtbank niet gebleken dat daarbij de grenzen van de journalistieke verantwoordelijkheid zijn overschreden. Dat er daarbij sprake zou kunnen zijn van een publieke veroordeling moge zo zijn, maar niet valt in te zien waarom dit een eerlijk proces ten overstaan van de rechter in de weg zou staan. Ook in de negatieve publiciteit over verdachte en de wijze waarop verdachte en zijn gezin door personen in zijn omgeving zijn behandeld, ziet de rechtbank geen strafverminderende omstandigheid, omdat dit nu eenmaal de gevolgen zijn van zijn handelwijze, veelal in zijn directe woonomgeving.

De rechtbank is, met name gelet op eerder berechte, soortgelijke gevallen en gelet op het strafblad van verdachte, van oordeel dat een straf zoals door de officier van justitie is geëist niet op zijn plaats is.

Mede rekening houdend met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, legt de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op.

De vorderingen van de benadeelde partijen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten:

In dit strafproces hebben 18 personen zich gevoegd als benadeelde partij. Zij hebben door middel van een voegingsformulier vergoeding gevorderd van de door hen geleden schade.

Het betreft de hiervoor in de zaken met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 17/885181-12 primair genoemde personen.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelden overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de tekst van en wetsgeschiedenis bij artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat de wetgever beoogd heeft de positie van slachtoffers van strafbare feiten te verbeteren door hen op een eenvoudige, goedkope en snelle manier de gelegenheid te bieden hun civiele vordering te innen.

Bij de beoordeling van de gegrondheid van de vordering is uitgangspunt dat de strafrechter het civiele aansprakelijkheidsrecht toepast, met inachtneming van enkele strafvorderlijke bijzonderheden die met name tot doel hebben de strafzaak niet te zeer op te houden met debatten over ingewikkelde civielrechtelijke (bewijs-)aangelegenheden. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de onderhavige vorderingen beoordeeld dienen te worden naar civiel recht. Dit geldt ook voor de vraag naar de ontvankelijkheid van de vorderingen.

Verdachte is in staat van faillissement verklaard. Blijkens artikel 26 van de Faillissementswet kunnen vorderingen die reeds bestonden ten tijde van de faillietverklaring, gedurende het faillissement op geen andere wijze worden ingesteld dan door aanmelding bij de curator ter verificatie. Aangezien in het onderhavige geval sprake is van vorderingen die hun grond vinden in het onrechtmatig handelen van verdachte vóór datum faillissement en voorts het faillissement nog niet is opgeheven, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen in dit strafproces. Zij kunnen hun vorderingen slechts ter verificatie aanmelden bij de curator.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [naam], afwijzen, nu uit het door de officier van justitie overgelegde vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht, d.d. 6 oktober 2010, blijkt dat verdachte reeds veroordeeld is om aan de benadeelde partij een bedrag van

€ 52.792,-- te betalen. Niet is gebleken dat deze benadeelde een andere vordering instelt dan de door de civiele rechter toegewezen vordering.

De schadevergoedingsmaatregel:

De schadevergoedingsmaatregel is een zelfstandige strafrechtelijke maatregel die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde te versterken in zijn positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag om de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zoveel als mogelijk is uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van het openbaar ministerie (de staat).

Het faillissement van de verdachte staat niet in de weg aan het opleggen van deze maatregel. Nu verdachte ten aanzien van de eerder genoemde benadeelde partijen aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank besloten tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel vastgesteld dient te worden op een bedrag gelijk aan de netto investering.

Vordering benadeelde partij ter zake ad informandum gevoegd feit:

[naam] heeft zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces ten aanzien van een ad informandum gevoegd feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu het ad informandum gevoegde feit is gepleegd voor 1 januari 2011. Ten aanzien van ad informandum gevoegde feiten, gepleegd vóór deze datum, is het voor slachtoffers niet mogelijk zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benadeelde partij zijn vordering overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 Faillissementswet ter verificatie kan aanmelden bij de curator.

Schadevergoedingsmaatregel ter zake ad informandum gevoegde feiten:

De officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake de ad informandum gevoegde feiten eveneens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op de pleegdatum van de delicten is in deze zaak het oude recht, zoals dit gold tot 1 januari 2011, op het punt van de toepasbaarheid van de schadevergoedingsmaatregel van toepassing. Op basis van dit recht is toepassing van de schadevergoedingsmaatregel voor de ad informandum gevoegde feiten niet mogelijk (HR 23 september 1997, NJ 1998,102). De rechtbank zal derhalve de officier van justitie niet volgen in haar vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter zake de ad informandum gevoegde strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het in de zaak met parketnummer 17/880480-11 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 17/885181-12 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de vorderingen van de navolgende benadeelde partijen niet ontvankelijk:

[[namen benadeelde partijen]

Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] af.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 110.000,-- (zegge: honderdtienduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 87.048,-- (zegge: zevenentachtigduizendachtenveertig euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 125.738,-- (zegge: honderdvijfentwintigduizendzevenhonderdachtendertig euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 83.668,71 (zegge: drieentachtigduizendzeshonderdachtenzestig euro en eenenzeventig eurocent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 110.000,-- (zegge: honderdtienduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 89.000,-- (zegge: negenentachtigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 236.844,25 (zegge: tweehonderdzesendertigduizendachthonderdvierenveertig euro en vijfentwintig eurocent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 111.590,-- (zegge: honderdelfduizendvijfhonderdnegentig euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 80.000,-- (zegge: tachtigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 103.628,99 (zegge: honderddrieduizendzeshonderdachtentwintig euro en negenennegentig eurocent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 90.000,-- (zegge: negentigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 87.000,-- (zegge: zevenentachtigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 85.000,-- (zegge: vijfentachtigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam] te betalen een som geld ten bedrage van € 116.725,27 (zegge: honderdzestienduizendzevenhonderdvijfentwintig euro en zevenentwintig eurocent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam] te betalen een som geld ten bedrage van € 83.000,-- (zegge: drieentachtigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 105.500,-- (zegge: honderdvijfduizendvijfhonderd euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 158.231,55 (zegge: honderdachtenvijftigduizend- tweehonderdeenendertig euro en vijfenvijftig eurocent).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 70.000,-- (zegge: zeventigduizend euro).

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de staat, ten behoeve van de eerdergenoemde benadeelden te betalen, de hierna genoemde som van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel van in totaal € 1.932.974,77,

(zegge: eenmiljoennegenhonderdtweeendertigduizendnegenhonderdvierenzeventig euro en zevenenzeventig eurocent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 (driehondervijfenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 april 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.