Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW3321

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/2628
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkloosheidswet. Inkomstenkorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 11/2628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde: T. Vallinga, werkzaam bij verweerder, vestiging in Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 19 september 2011 heeft verweerder (hierna: het Uwv) eiseres in kennis gesteld van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 14 maart 2012. Eiseres is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1 Eiseres was sedert 1 januari 2006 werkzaam bij Achmea, laatstelijk als bedrijvenspecialist voor 32 uur. Op 10 april 2009 is eiseres uitgevallen van haar werk.

1.2 Op 1 mei 2009 is haar dienstverband beëindigd en heeft het Uwv bij besluit van 18 mei 2009 aan eiseres met ingang van 1 mei 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.3 Met ingang van 31 augustus 2010 uur is eiseres voor 8 uur per week als docent gaan werken bij de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL). De inkomsten uit die dienstbetrekking zijn gedeeltelijk gekort op haar ZW-uitkering.

1.4 Bij besluit van 1 april 2011 heeft het Uwv eiseres met ingang van 1 april 2011 geschikt verklaard voor haar werk en haar ZW-uitkering per die datum beëindigd.

1.5 Bij besluit van 15 april 2011 is aan eiseres met ingang van 1 april 2011 een WW-uitkering toegekend. Daarbij is vermeld dat de uitkering is gebaseerd op het aantal uren dat eiseres gemiddeld per week werkte, zijnde 32 uur. Daarnaast is aangegeven dat zij gedurende de eerste twee maanden een WW-uitkering krijgt van € 114,73 bruto per dag en vanaf 1 juni 2011 € 107,08 bruto per dag, met de opmerking dat haar inkomsten uit haar werkzaamheden bij de NHL hierop zullen worden gekort. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij aangevoerd dat het dagloon te laag is vastgesteld. Bij besluit op bezwaar van 16 juni 2011 heeft het Uwv het dagloon per 1 april 2011 vastgesteld op € 179,67 bruto per dag.

1.6 Eiseres heeft in juni 2011 het Uwv telefonisch verzocht aan te geven waarom haar bij de NHL gewerkte uren worden gekort op haar WW-uitkering. Hierop heeft het Uwv bij brief van 6 juli 2011 eiseres meegedeeld dat zij niet voldoet aan de in artikel 20, zesde lid, van de WW gestelde twee voorwaarden voor inkomstenkorting. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.7 Bij brief van 3 oktober 2011, herhaald bij brief van 28 oktober 2011, heeft het Uwv desgevraagd aan eiseres meegedeeld waarom haar bij de NHL gewerkte uren gekort worden op haar WW-uitkering. Het tegen de brief van 28 oktober 2011 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 28 februari 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

Het geschil

2.1 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de uren waarin zij na het intreden van het arbeidsverlies op 1 mei 2009 maar vóór 1 april 2011 heeft hervat in werk niet gekort kunnen worden op haar WW-uitkering op de grond dat voor die uren het recht op uitkering is beëindigd. Daarbij wijst eiseres erop dat zij ten tijde van die werkhervatting, die is voortgezet na 1 april 2011, nog geen recht had op een WW-uitkering. Verder is zij van mening dat voor de uren, die zij na 1 april 2011 meer is gaan werken bij de NHL, artikel 20, zesde lid, van de WW ook moet worden toegepast. Zo niet, dan lijdt zij, door voor meer uren lager betaald werk te aanvaarden, een financieel nadeel, terwijl met die bepaling de wetgever juist heeft beoogd dit nadeel te voorkomen om werkhervatting te stimuleren.

2.2 Het Uwv blijft bij zijn standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor inkomstenverrekening; zij was niet langdurig en volledig werkloos ten tijde van haar werkhervatting. Enkel onder die voorwaarden acht de wetgever een inkomstenverrekening op zijn plaats, aldus het Uwv, omdat na een jaar werkloosheid alle arbeid, ongeacht opleidingsniveau en de hoogte van het loon, als passend wordt aangemerkt zodat werkhervatting tegen een laag salaris een enorme inkomstenachteruitgang zou betekenen als op basis van de urenkorting geen werkloosheid meer zou bestaan. Om hierin tegemoet te komen worden dan niet langer de uren gekort, maar wordt een percentage van de inkomsten gekort, zodat de WW als het ware nog een stukje kan aanvullen. Echter, deze regeling is dus op eiseres niet van toepassing, aldus verweerder.

Beoordeling van het geschil

3.1 Gelet op het verhandelde ter zitting staat in dit geding ter beoordeling of de werkzaamheden die eiseres na 1 april 2011 bij de NHL heeft verricht van invloed zijn op haar recht op een WW-uitkering en zo ja, of die uren dan wel de daarmee genoten inkomsten gekort moeten worden op haar WW-uitkering. Hierin heeft het Uwv ter zitting aanleiding gezien de brieven van 3 oktober 2011 en 28 oktober 2011 en het besluit op bezwaar van 28 februari 2012 in te trekken.

3.2 Ingevolge artikel 30 van de WW betaalt het Uwv de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.

Ingevolge artikel 15 van de WW heeft een werknemer die werkloos is met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen recht op uitkering.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die (a) ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en (b) beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Ingevolge het tweede lid wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

Uit artikel 20 van de WW volgt dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer niet langer werkloos is en wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht dan wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren (derde lid), tenzij de werknemer ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering heeft gehad en werkzaamheden als werknemer gaat verrichten op een moment waarop sprake is van volledig verlies van zijn arbeidsuren terwijl geen recht bestaat op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren (zesde lid, onderdeel b).

Ingevolge artikel 35aa van de WW wordt de uitkering verminderd met 70% van de inkomsten uit arbeid indien artikel 20, zesde lid, onderdeel b, of negende lid, van toepassing is.

3.3 De rechtbank stelt vast dat eiseres op 1 mei 2009 als gevolg van de beëindiging van haar dienstbetrekking bij Achmea arbeidsuren heeft verloren en wel voor 32 uur. Eiseres heeft namelijk in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van dit arbeidsurenverlies gemiddeld 32 uur gewerkt. Verder is tussen partijen niet in geschil dat eiseres op 31 augustus 2010 voor 8 uur als docent is gaan werken bij de NHL. Nu op die datum eiseres een ZW-uitkering ontving, had zij op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, van de WW op die datum nog geen recht op een WW-uitkering. Dit betekent dat de regels met betrekking tot de beëindiging van het recht op uitkering niet van toepassing zijn. Op 31 augustus 2010 was immers nog geen recht op uitkering ontstaan. Als gevolg van de werkhervatting is het op 1 mei 2009 ingetreden arbeidsurenverlies op 1 april 2011 verminderd tot 24 uur, zodat naar het oordeel van de rechtbank de omvang van het met ingang van 1 april 2011 ontstane recht op een WW-uitkering vastgesteld moet worden op 24 uur. Steun voor dit oordeel ziet de rechtbank in de uitspraken van 28 april 1992 en 5 januari 2000 van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder kenmerk LJN: ZB1793 en LJN: ZB8615. Dit betekent dat het Uwv terecht bij de uitbetaling van de WW-uitkering van eiseres rekening heeft gehouden met de uren die eiseres vóór 1 april 2011 bij de NHL werkte.

3.4 Voor wat betreft de uren die eiseres na 1 april 2011 meer is gaan werken bij de NHL, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv op grond van artikel 20, derde lid, van de WW gehouden was die uren te korten op de WW-uitkering van eiseres. Vast staat, en door eiseres is niet bestreden, dat zij niet voldoet aan de in artikel 20, zesde lid, onder b, van de WW, gestelde voorwaarden voor inkomstenkorting. In de Memorie van Toelichting bij dit artikel (TK 2008-2009, 31767, nr. 3) is gesteld dat de systematiek van het arbeidsurenverlies bevordert dat werkzoekenden hun competenties en hun productiviteit, die in hun loon is verdisconteerd, weer zo goed als mogelijk gaan benutten. Om de kans op hervatting in arbeid van werklozen, die langdurig (ten minste 52 weken onafgebroken werkloos zijn) werklozen te stimuleren en te vergroten wordt door de wetgever voor langdurige en volledige werklozen een uitzondering gemaakt op dit beginsel van urenkorting. Door (gedeeltelijke) inkomstenkorting zal aanvaarding van arbeid voor een lager loon en niveau, waartoe een langdurige werkloze verplicht is, voor betrokkene geen financieel nadeel opleveren. Dat relatief hoog opgeleide WW-gerechtigden andere werkzoekenden en werkenden met een lagere opleiding van de arbeidsmarkt verdringen, acht de wetgever minder zwaar wegen, omdat in veel gevallen een langdurige werkloze voor vervangend werk aangewezen zal zijn op een lager niveau en de arbeidsmarkt meer is gediend bij hervatting van arbeid op een lager niveau, dan bij het voortduren van de langdurige werkloosheid. Omdat eiseres op en na 1 april 2011 geen langdurige volledige werkloze was en dus ook niet verplicht was om arbeid op een lager niveau te accepteren, volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat met inkomstenkorting in haar geval bereikt wordt wat de wetgever met artikel 20, zesde lid, onder b, van de WW heeft beoogd. In de omstandigheid dat toepassing van artikel 20, derde lid, van de WW in het geval van eiseres leidt tot een voor haar betrekkelijk ongunstig resultaat, ziet de rechtbank geen reden om anders te oordelen. Die omstandigheid vloeit namelijk onvermijdelijk voort uit de door de wet- en regelgever gemaakte keuzes, waaraan ook de rechter niet voorbij mag gaan. Het is aan de wetgever om die keuzes te wijzigen.

3.5 Uit het vorengaande volgt dat het beroep ongegrond is.

3.6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2012.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.