Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW2933

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/2058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van de zinsnede "arbeid waarmee hij zijn onderhoud placht te voorzien" van artikel 46, vijfde lid, van de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2058

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2012 in het geding tussen

Poiesz Supermarkten B.V., gevestigd te Sneek,

eiseres,

gemachtigden: mr. M.C. Gons en F.T. van de Lageweg,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: A.B. Froentjes.

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd [naam] (verder te noemen [X]) met ingang van 26 april 2011 in aanmerking te brengen voor ziekengeld in het kader van de Ziektewet (ZW). Tegen dit besluit heeft [X] een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 28 juli 2011 heeft verweerder het bezwaarschrift van [X] gegrond verklaard en hem met ingang van 26 april 2011 ziekengeld toegekend. Bij brief van dezelfde datum (het bestreden besluit) heeft verweerder eiseres van voormeld besluit op de hoogte gesteld.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is [X] door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door hem is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [X] is verschenen in persoon.

Overwegingen

1.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet bewiste, feiten als vaststaand aan. [X] is op 14 maart 2011 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij eiseres in de functie van (aankomend) chauffeur. De arbeidsovereenkomst is, in de proeftijd, met ingang van 6 april 2011 beëindigd.

1.2 [X] heeft zich op 29 april 2011 in verband met knieklachten bij verweerder ziek gemeld, waarbij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 26 april 2011 is genoemd. Verweerder heeft [X] doorverwezen naar eiseres, omdat eiseres eigen risicodrager is voor de ZW. De bedrijfsarts van eiseres acht [X] volledig arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk en volledig arbeidsgeschikt voor zittend werk. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 10 mei 2011 de aanvraag van [X] voor een ZW-uitkering afgewezen. Bij het besluit van 18 mei 2011 heeft verweerder [X] meegedeeld dat hij met ingang van 26 april 2011 geen recht heeft op ziekengeld, omdat hij op en na die datum niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Tegen dit besluit heeft [X] een bezwaarschrift ingediend.

1.3 Bij de besluiten van 28 juli 2011 heeft verweerder [X] en eiseres meegedeeld dat het besluit van 18 mei 2011 wordt ingetrokken en dat [X] per 26 april 2011 ongeschikt wordt geacht voor het verrichten van zijn werk, waardoor hij recht heeft op ziekengeld. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat [X], omdat hij in de proeftijd is ontslagen, onder de Werkloosheidswet (WW) valt, zodat zijn ziekmelding moet worden behandeld als een ziekmelding vanuit de WW. Eiseres merkt op dat, indien [X] voorafgaand aan zijn dienstverband bij eiseres een WW-uitkering had genoten, een proefplaatsing bij eiseres mogelijk zou zijn geweest. In dat geval had [X] drie maanden bij eiseres kunnen werken met behoud van zijn uitkering. In die periode had ook kunnen worden beoordeeld of [X] geschikt was voor de functie. Naar de mening van eiseres steekt dit schril af bij de drie weken die verweerder in dit geval als 'niet zeer kort' aanmerkt. Verweerder voert aan dat eiser voor en na zijn dienstverband bij eiseres geen recht had op een WW-uitkering. Op het moment dat hij zich ziek meldde, was om die reden artikel 46 van de ZW van toepassing.

De rechtbank overweegt dat zij haar oordeel dient te baseren op de feiten en omstandigheden van het geval. Het antwoord op de vraag wat er zou zijn gebeurd als [X] met behoud van uitkering bij eiseres op een proefplaats had gewerkt, is daarbij niet van belang. Immers, er heeft zich geen proefplaatsing voorgedaan. De rechtbank constateert dat [X] vóór indiensttreding bij eiseres en erna, wat daar verder ook de reden van is, geen recht had op een WW-uitkering, zodat verweerder op goede gronden heeft besloten dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 46 van de ZW. Deze beroepsgrond van eiseres faalt derhalve.

3. In artikel 46, eerste lid, van de ZW is bepaald dat degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het Uwv aanspraak op ziekengeld heeft alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW, dan ontstaat de aanspraak op ziekengeld na het eindigen van die dienstbetrekking. In het vijfde lid van artikel 46 van de ZW is bepaald dat voor de toepassing van dit artikel ongeschikt tot werken is, degene die ongeschikt is tot het verrichten van arbeid waarmee hij in zijn onderhoud placht te voorzien.

4.1 Eiseres voert aan dat [X] niet in zijn onderhoud placht te voorzien door het verrichten van werkzaamheden als chauffeur. In zijn gehele loopbaan is hij krap twee maanden als zodanig werkzaam geweest, zodat naar de mening van eiseres geen sprake is van het duurzaam vervullen van de functie van chauffeur. De functie van sociaal pedagogisch medewerker dient eerder te worden aangemerkt als de arbeid waarmee eiser in zijn onderhoud placht te voorzien. Deze functie kan zittend worden uitgeoefend, zodat hij voor deze functie niet arbeidsongeschikt is. Verweerder voert aan dat de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid van (aankomend) chauffeur, als maatgevende arbeid moet worden aangemerkt. De functie van chauffeur heeft [X] naar de mening van verweerder niet slechts zeer kort verricht. Daarnaast is het verweerder niet gebleken dat [X] deze functie om medische redenen feitelijk niet aankon. Overigens is verweerder van mening dat, hoewel [X] geschikt is bevonden voor zittend werk, dit niet tot gevolg heeft dat hij de functie van chauffeur kon verrichten, omdat deze functie niet als een zittende functie kan worden aangemerkt.

4.2 De rechtbank dient te beoordelen welke arbeid in dit geval moet worden aangemerkt als de arbeid waarmee [X] in zijn onderhoud placht te voorzien (artikel 46, vijfde lid, van de ZW). Van belang is daarbij hoe de zinsnede 'in zijn onderhoud placht te voorzien' moet worden opgevat. De rechtbank constateert dat bij invoering van de Ziektewet in 1913, artikel 46 (toen artikel 40) reeds in de wet was opgenomen (zie Staatsblad 1913, 204). De arbeidsmaatstaf was toen in het derde lid als volgt omschreven: "ongeschikt tot werken is degene die ongeschikt is voor den arbeid, waartoe hij zich bij het einde zijner verzekering laatstelijk had verbonden". De memorie van toelichting bij het wetvoorstel (TK 1090-1910, kamerstuknummer 302, ondernummer 4, te vinden op www.statengeneraaldigi-taal.nl) bevat geen nadere toelichting op de in dit artikel vermelde arbeidsmaatstaf. Bij een wetswijziging in 1929 is de formulering van deze bepaling gewijzigd in de huidige formulering. Het is de rechtbank niet gebleken dat met deze wijziging ook een inhoudelijke wijziging van de arbeidsmaatstaf heeft plaatsgevonden. Aangezien de rechtbank voorts uit de wetgeschiedenis en de jurisprudentie niet is gebleken dat is bedoeld in artikel 46, vijfde lid, van de ZW een andere arbeidsmaatstaf te hanteren dan de arbeidsmaatstaf van artikel 19 van de ZW, zal zij de arbeidsmaatstaf van artikel 46, vijfde lid, van de ZW op dezelfde wijze opvatten als die van artikel 19 van de ZW. Dit houdt in dat onder de arbeid waarmee [X] in zijn onderhoud placht te voorzien, moet worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Een uitzondering daarop wordt aangenomen in het geval die arbeid slechts kort is verricht en betrokkene het werk in feite ook niet aankon (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BD8510). De rechtbank is van oordeel dat hieruit moet worden afgeleid dat van een uitzonderingssituatie sprake is, indien twee elementen zich voordoen, te weten dat de arbeid slechts kort is verricht en dat betrokkene het werk (op medische gronden) in feite niet aankon.

4.3 Voor wat betreft de lengte van het dienstverband constateert de rechtbank dat, hoewel [X] in zijn loopbaan maar kort werkzaam is geweest als chauffeur, hij zich al geruime tijd gericht heeft op dit werk. Op enig moment heeft hij bewust gekozen om niet meer werkzaam te zijn als sociaal pedagogisch werker. Hij heeft zich vervolgens om laten scholen tot vrachtwagenchauffeur. Na het behalen van zijn rijbewijs is hij, na enige tijd als vrachtwagenchauffeur te hebben gewerkt, in dienst getreden bij eiseres en ook na zijn ontslag bij eiseres heeft hij enige tijd werk als chauffeur verricht. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af, in combinatie met het feit dat [X] enkele weken als chauffeur werkzaam is geweest, dat niet kan worden gezegd dat [X] het werk van chauffeur slechts kort heeft verricht. Dit houdt in dat het eerste element van de uitzonderingssituatie zoals weergegeven onder punt 4.2 zich in dit geval niet voordoet. De rechtbank merkt met betrekking tot het tweede element van de uitzonderingssituatie op, dat hiervan sprake is als is aangetoond dat de betrokkene het werk feitelijk op medische gronden niet aankon. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. [X] is in zijn proeftijd ontslagen, omdat hij naar de mening van eiseres onvoldoende ervaring had en niet omdat hij vanwege medische klachten het werk niet aankon.

Omdat geen sprake is van de uitzonderingssituatie zoals beschreven onder punt 4.2, dient de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid, te weten de arbeid van (aankomend) chauffeur, te worden aangemerkt als de arbeid waarmee [X] in zijn onderhoud placht te voorzien. Dat [X] zich op het moment van ontslag nog in een inwerktraject bevond, waardoor hij naar de mening van eiseres nog niet de werkzaamheden vervulde waarvoor hij was aangenomen, is in dit kader niet van belang. [X] heeft immers, ook al was dat onder begeleiding van een mentor, in de periode dat hij bij eiseres werkzaam was de feitelijke werkzaamheden van een (aankomend) chauffeur uitgeoefend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook op goede gronden deze arbeid aangemerkt als de arbeid waarmee [X] in zijn onderhoud placht te voorzien. Ook deze beroepsgrond van eiseres faalt derhalve.

5. Gelet op de medische gegevens die zich in het dossier bevinden, is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat om de bezwaarverzekeringsarts [naam] niet in haar oordeel te volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden tot het besluit is gekomen om [X] met ingang van 26 april 2011 ongeschikt te achten voor zijn arbeid als (aankomend) vrachtwagenchauffeur.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

w.g. J.A. van Loo

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.