Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW1785

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
17/885080-10 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft overwogen dat er bewijsuitsluiting dient te volgen voor dat deel van het verhoor van verdachte dat betrekking heeft op de verdenking van verkrachting van de vrouwen, nu verdachte hiervoor niet was aangehouden en niet in de gelegenheid was gesteld om ten aanzien hiervan een raadsman te consulteren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift: verdachte heeft documenten vervaardigd waarin niet-bestaande medische onderzoeken werden beschreven en deze documenten voorzien van namen en beeldmerken van een universiteit en een zorginstelling. Het doel hiervan was om vrouwen ertoe te bewegen zich te onderwerpen aan nep-onderzoeken die de man bij hen uitvoerde.

De rechtbank heeft de man vrijgesproken van verkrachting en het plegen van ontucht met deze vrouwen, omdat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er sprake was van 'door een feitelijkheid dwingen' in de zin van artikel 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 22c, geldigheid: 2012-04-06
Wetboek van Strafrecht 22d, geldigheid: 2012-04-06
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2012-04-06
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2012-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/885080-10

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 april 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 26 maart 2012.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 te Tijnje, in de gemeente Opsterland, meermalen, althans eenmaal,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht en/of gehouden

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- in het kader van een (afstudeer)onderzoek van/voor/namens de [naam 1] zich (ten onrechte) heeft voorgedaan als onderzoeker van de [naam 1] en/of

- zich (daarbij) heeft bediend van een of meer (valselijk opgemaakt(e)) document(en) (voorzien van (ondermeer) het/een logo van de [naam 1] en/of naam en/of titel(s) van verdachte en/of met een omschrijving/beschrijving van het onderzoek) en/of

- die [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat hij zijn licentie als onderzoeker zou kwijtraken indien hij geen vrijwilliger(s)/perso(o)n(en) voor zijn onderzoek zou vinden en/of

- die [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat dit onderzoek, gezien haar verleden, voor haar geschikt was en/of (aldus)

(telkens) een vertrouwensrelatie met die [slachtoffer 1] heeft opgebouwd en/of (aldus) (telkens) een psychisch overwicht op die [slachtoffer 1] heeft opgebouwd/verworven;

(art. 242 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 te Tijnje, in de gemeente Opsterland, meermalen, althans eenmaal,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het masseren en/of knijpen, althans aanraken en/of betasten, van/in de (onbedekte) borst(en) van die [slachtoffer 1] en/of

- het met zijn, verdachtes, vinger(s) betasten/aanraken van de vagina, althans de schaamlippen, van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- in het kader van een (afstudeer)onderzoek van/voor/namens de [naam 1] zich (ten onrechte) heeft voorgedaan als onderzoeker van de [naam 1] en/of

- zich (daarbij) heeft bediend van een of meer (valselijk opgemaakt(e)) document(en) (voorzien van het/een logo van de [naam 1] en/of naam van verdachte en/of met een omschrijving/beschrijving van het onderzoek) en/of

- die [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat hij zijn licentie als onderzoeker zou kwijtraken indien hij geen vrijwilliger(s)/perso(o)n(en) voor zijn onderzoek zou vinden en/of

- die [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat dit onderzoek, gezien haar verleden, voor haar geschikt was en/of (aldus)

(telkens) een vertrouwensrelatie met die [slachtoffer 1] heeft opgebouwd en/of (aldus) (telkens) een psychisch overwicht op die [slachtoffer 1] heeft opgebouwd/verworven;

(art. 246 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 31 december 2006 te Tijnje, in de gemeente Opsterland en/of te Luinjeberd, in de gemeente Heerenveen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd en/of gebracht en/of gehouden, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- in het kader van een (afstudeer)onderzoek van/voor/namens de [naam 1] zich (ten onrechte) heeft voorgedaan als onderzoeker van de [naam 1] en/of

- zich (daarbij) heeft bediend van een of meer (valselijk opgemaakt(e)) document(en) (voorzien van (onder meer) het/een logo van de [naam 1] en/of naam en/of titel(s) van verdachte en/of met een omschrijving/beschrijving van het onderzoek) en/of

- die [slachtoffer 2] heeft voorgehouden dat hij het onderzoek voor een dokter aan de [naam 1] (die met een experiment bezig was) verrichtte en/of

(aldus) een vertrouwensrelatie met die [slachtoffer 2] heeft opgebouwd en/of (aldus) een

psychisch overwicht op die [slachtoffer 2] heeft opgebouwd/verworven;

(art. 242 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 31 december 2006 te Tijnje,

in de gemeente Opsterland en/of te Luinjeberd, in de gemeente Heerenveen,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het aanraken en/of betasten van de onbedekte) borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of

- het duwen/brengen van een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten/aanraken van de clitoris, althans van de vagina, van die [slachtoffer 2]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- in het kader van een (afstudeer)onderzoek van/voor/namens de [naam 1] zich (ten onrechte) heeft voorgedaan als onderzoeker van de [naam 1] en/of

- zich (daarbij) heeft bediend van een of meer (valselijk opgemaakt(e)) document(en) (voorzien van het/een logo van de [naam 1] en/of naam en/of titels van verdachte en/of met een omschrijving/beschrijving van het onderzoek) en/of

- die [slachtoffer 2] heeft voorgehouden dat hij het onderzoek voor een dokter aan de [naam 1] (die met een experiment bezig was) verrichtte en/of (aldus)

(telkens) een vertrouwensrelatie met die [slachtoffer 2] heeft opgebouwd en/of (aldus) (telkens) een psychisch overwicht op die [slachtoffer 2] heeft opgebouwd/verworven;

(art. 246 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 te Tijnje, in de gemeente Opsterland, (in elk geval) in Nederland,

- een informatiefolder (van/namens de [naam 1]) -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk in die informatiefolder

- het/een logo en/of beeldmerk van de [naam 1] en/of

- zijn, verdachtes, naam en/of woonplaats en/of

- een of meer titel(s) (voor zijn naam) (te weten Drs. en/of Dr.) en/of

- zijn, verdachtes, afstudeerrichting(en) en/of

- een of meer institu(u)t(en) van afstuderen en/of

- een of meer jaartal(len) van afstuderen

vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

- een brief (van/namens [naam 2]) -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst immers heeft verdachte valselijk in het briefhoofd van die brief

- voor zijn, verdachtes naam, een of meer titel(s) en/of

- als aangegeven dienst (door/namens [naam 2]) Psychodiagnostieke, Psychotherapie en Psychosociale Behandeling

vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

(artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting gemotiveerd bepleit, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd (de rechtbank citeert hierbij uit de pleitnota van de raadsman): 'Het handelen alsof er slechts een verdenking ter zake van valsheid in geschrifte aan de orde was, waardoor [verdachte] over de andere verdenking niet met zijn raadsman contact had, levert, gelet op objectief gezien de evidente onjuistheid daarvan, een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde (en van het consultatierecht), waardoor als het niet welbewust was, hetgeen wel het geval lijkt te zijn, toch in elk geval met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.'

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht primair geen onherstelbaar vormverzuim aanwezig, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisanten hebben verdachte, na overleg met de officier van justitie, aangehouden voor valsheid in geschrifte en nadat verdachte zijn raadsman hierover heeft geconsulteerd, hebben de verbalisanten verdachte hierover gehoord. Dat op enig moment is gesproken over seksuele handelingen, vloeit voort uit het verband tussen deze handelingen en de valsheid in geschrifte. De verbalisanten hebben verdachte hierover geen sturende maar open vragen gesteld, aldus de officier van justitie.

Subsidiair is de officier van justitie van mening dat wellicht vastgesteld kan worden dat de verbalisanten niet hadden mogen doorvragen over de seksuele handelingen die verdachte heeft gepleegd bij [slachtoffer 1], omdat verdachte ten aanzien van dit feit niet is gewezen op zijn consultatierecht. De officier van justitie heeft aangegeven, dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling van dit vormverzuim, nu verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad: verdachte had immers al gesproken met zijn raadsman over de verdenking van valsheid in geschrifte die nauw samenhangt met de seksuele handelingen.

Meer subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat enkel bewijsuitsluiting moet volgen van het deel van het verhoor waarin is doorgevraagd over de seksuele handelingen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende vast.

Verdachte is per brief uitgenodigd om op het politiebureau te Drachten te verschijnen. In deze brief stond dat hij werd verdacht van valsheid in geschrift. Verdachte is vervolgens op 18 november 2009 op het politiebureau te Drachten verschenen en werd vervolgens, op bevel van de officier van justitie, aangehouden door verbalisant [naam 3] op verdenking van overtreding van artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte werd na de voorgeleiding gehoord door verbalisanten [naam 4] en [naam 3]. Nadat de verbalisanten verdachte de cautie hadden gegeven, hebben zij hem vragen gesteld met betrekking tot de verdenking van valsheid in geschrifte. Verdachte heeft hierover voorafgaand aan zijn verhoor contact gehad met zijn advocaat.

De rechtbank stelt op grond van voorgaande vast dat er geen vormverzuim heeft plaatsgevonden in het onderzoek naar de valsheid in geschrifte en zal om die reden het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Op 29 september 2009 en 1 oktober 2009 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte gedaan van verkrachting door verdachte. De officier van justitie heeft geen toestemming gegeven om verdachte hiervoor aan te houden. De officier van justitie had bevolen om verdachte aan te houden op verdenking van artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Dit is een bevoegdheid die aan de officier van justitie toekomt op grond van artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat er sprake was van een verhoor dat mede gericht was op het ondervragen van verdachte met betrekking tot de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat verdachte derhalve geïnformeerd had moeten worden over deze aangiftes.

De rechtbank is van oordeel dat dit anders lag nadat aan hem het volgende door de verbalisanten was voorgelegd: 'We hebben ook een verklaring van [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank leest [slachtoffer 1]) opgenomen. Zij heeft verklaard dat het onderzoek breder lag dan wat jij nu verklaart.' en verdachte hierop verklaarde: 'O. Bedoel je dat. Ja dat klopt wel'.

Hierna is verdachte specifiek ondervraagd over de aangifte van [slachtoffer 1], door aan hem onder meer te vragen 'Wat had ze nog aan?' en 'Waar heb je haar aangeraakt?'.

De rechtbank is van oordeel dat het verhoor vanaf dit moment mede betrekking had op de verdenking van een geheel ander feit dan waarvoor verdachte was aangehouden en waarvoor hij in de gelegenheid was gesteld een raadsman te consulteren. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte om die reden op dat moment wederom gewezen moeten worden op zijn consultatierecht. Nu verdachte niet opnieuw de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verdere verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat in de regel dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan niet is gebleken, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken.

De rechtbank zal het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk verklaren ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Het vorenstaande brengt mee dat kan worden volstaan met bewijsuitsluiting, maar dan alleen voor wat betreft het deel van de verklaring van verdachte dat volgt op de woorden: 'O. Bedoel je dat. Ja dat klopt wel'.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een behandeling bij de reclassering of bij de GGZ;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 3.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 3.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat op grond van beide aangiftes, die elkaar ondersteunen, kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door verdachte zijn gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen die mede bestonden uit seksueel binnendringen. Verdachte heeft twee kwetsbare vrouwen uitgezocht en psychische druk op hen uitgeoefend. Deze psychische druk werd dusdanig opgebouwd, mede door het tonen van vals opgemaakte stukken, dat beide vrouwen niet meer in staat waren om zich te verzetten of onttrekken aan de seksuele handelingen, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat hiervoor onvoldoende wettig bewijs is: voor beide feiten geldt dat er slechts sprake is van één verklaring, namelijk die van aangeefsters. Voorts zijn deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar, nu beide aangeefsters veel met elkaar hebben gesproken voordat zij aangifte hebben gedaan, waardoor de nodige beïnvloeding heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft voorts bepleit dat er geen sprake was van dwang als bedoeld in artikel 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft aangegeven dat het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beide aangifte gedaan van verkrachting. Hun verklaringen worden ondersteund door verschillende wettige bewijsmiddelen, te weten stukken die door verdachte vals zijn opgemaakt. De vals opgemaakte stukken zijn een folder met het logo van de [naam 1] (hierna: [naam 1]), uitslagen van het onderzoek en een brief met het logo van [naam 2]. Voorts heeft verdachte erkend dat hij een document heeft opgemaakt en daarbij het logo van de [naam 1] heeft gebruikt, teneinde [slachtoffer 1] mee te laten werken aan een onderzoek.

De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van beide aangeefsters en heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De rechtbank neemt op grond van voorgaande de aangiftes als uitgangspunt.

Aan verdachte is onder 1. primair en 2. primair verkrachting, als omschreven in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten laste gelegd.

Meer specifiek is aan verdachte ten laste gelegd dat hij door feitelijkheden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit seksueel binnendringen.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde feit, moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Dat is het geval als verdachte door een feitelijk dwingen opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer seksuele handelingen, die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, tegen haar wil heeft geduld.

Uit de wettige bewijsmiddelen blijken de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Deze zouden weliswaar tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte door misleiding de aangeefsters heeft bewogen seksuele handelingen te ondergaan, maar uit die bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat er sprake was van 'door een feitelijkheid dwingen' in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet volgen dat verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of de aangeefsters in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat zij zich daardoor niet tegen die handelingen konden verzetten, of dat verdachte de aangeefsters heeft gebracht in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte, situatie dat het daardoor voor de slachtoffers zo moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken dat er sprake was van dwang van de kant van de verdachte.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde.

Aan verdachte is onder 1. subsidiair en 2. subsidiair het plegen van ontucht, als omschreven in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten laste gelegd.

Evenals bij het primair ten laste gelegde, dient vastgesteld te worden of er sprake is geweest van dwang. Nu dit niet bewezen kan worden, zal verdachte voorts van het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde -met de officier van justitie en de raadsman- wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 te Tijnje, in de gemeente Opsterland, in Nederland,

een informatiefolder van/namens de [naam 1] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte valselijk in die informatiefolder

- het logo en/of beeldmerk van de [naam 1] en

- zijn, verdachtes, naam en woonplaats en

- titels voor zijn naam, te weten Drs. en Dr. en

- zijn, verdachtes, afstudeerrichtingen en

- instituten van afstuderen en

- jaartallen van afstuderen

vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en

een brief van/namens [naam 2] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte valselijk in het briefhoofd van die brief

- voor zijn, verdachtes naam, titels en

- als aangegeven dienst door/namens [naam 2] Psychodiagnostieke, Psychotherapie en Psychosociale Behandeling

vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie en het reclasseringsadvies;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het misdrijf valsheid in geschrift. Hij heeft documenten vervaardigd waarin niet-bestaande medische onderzoeken werden beschreven. Deze documenten heeft hij voorzien van de namen en beeldmerken van de [naam 1] en van [naam 2]. Hij heeft ook valse academische titels voor zijn naam vermeld. Het doel hiervan was om vrouwen ertoe te bewegen zich te onderwerpen aan nep-onderzoeken die verdachte bij hen uitvoerde. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk omdat hij werkzaam is in de zorg. Volgens het reclasseringsrapport heeft verdachte weinig inzicht in het laakbare van zijn handelingen: hoewel hij erkent dat hij de professionele distantie heeft overschreden, lijkt hij nog altijd te denken dat hij de vrouwen kon helpen door dit misdrijf.

Voor valsheid in geschrift bestaan geen landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting. In het persoonlijk leven van verdachte lijken zich geen andere problemen voor te doen. Wel is verdachte na het strafbare feit verhuisd vanuit het dorp waar het feit zich heeft afgespeeld, en is hij in behandeling gegaan bij een psycholoog. Verdachte is first-offender. Een inschatting van het recidiverisico kan de reclassering niet maken.

De rechtbank zal verdachte de maximale werkstraf opleggen van 240 uren. Nu het recidivegevaar moeilijk is in te schatten, terwijl enigszins verontrustend is dat verdachte weer in de zorg werkt, zal de rechtbank ter voorkoming van herhaling ook nog een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, nu de vorderingen tot schadevergoeding ziet op feiten waarvoor verdachte wordt vrijgesproken.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair en 2. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. K. Post en mr. H.H.J. Harmeijer, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 april 2012.

Mr. Harmijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.