Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW0939

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag na eerdere intrekking wegens het verzwijgen van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Toepassing uitspraak 19 juli 2011 van de Centrale Raad van Beroep (LJN: BR2972). Verlening voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/711

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2012 in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoekster (hierna: [X]),

gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: S.E. de Jong, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2012 heeft het college de aanvraag van [X] om een bijstandsuitkering afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [X] bezwaar gemaakt bij het college. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.

Het verzoek is gevoegd met de verzoeken met nummers AWB 12/409 en AWB 12/658 behandeld ter zitting op 29 maart 2012. [X] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst, zodat de voorzieningenrechter in de zaken AWB 12/409 en AWB 12/658 enerzijds en de zaak AWB 12/711 anderzijds afzonderlijk uitspraak doet.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [X] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan het verzoek kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter luidt dat het besluit van 1 februari 2012 geen stand zal houden.

2. [X] heeft pas op 25 maart 2012, dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb genoemde bezwaartermijn, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 februari 2012. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze termijnoverschrijding [X] niet worden verweten. Ten tijde van het nemen van het besluit van 1 februari 2012 was het college er mee bekend dat [X] zich laat bijstaan door een gemachtigde. Door het verzenden van het besluit van 1 februari 2012 aan [X] en niet (tevens) aan haar gemachtigde, dient de termijnoverschrijding niet voor risico van [X] te komen. Het college dient dus een inhoudelijke beslissing te geven op het bezwaarschrift.

3. Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college de bijstandsuitkering van [X] per 1 augustus 2009 ingetrokken. Bij besluit van 2 januari 2012 heeft het college de over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 november 2011 ten onrechte verstrekte bijstand van [X] teruggevorderd. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat [X] vanaf 1 augustus 2009 een gezamenlijke huishouding voert en dat zij het college hiervan niet op de hoogte heeft gesteld. Deze besluiten zijn aan de orde in de zaken AWB 12/409 en AWB 12/658. Bij uitspraak van heden heeft de voorzieningenrechter verzoeken om voorlopige voorziening in die zaken afgewezen.

4. Op 24 januari 2012 heeft [X] het college opnieuw om bijstand verzocht. Bij het besluit van 1 februari 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen, onder de overweging dat zich sinds het besluit van 19 december 2011 geen relevante wijziging in de situatie van [X] heeft voorgedaan. Hierdoor kan volgens het college niet gesteld worden dat er geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraak van 19 juli 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BR2972, ligt het, indien een bijstandsuitkering is ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

6. Als iemand een nieuwe aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder) indient, nadat de bijstand eerder is ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en betrokkene, al dan niet onder aanwending van rechtsmiddelen tegen die intrekking, volhoudt dat geen sprake is of is geweest van een gezamenlijke huishouding, kan de aanvrager in beginsel volstaan met de onderbouwde stelling dat de (vermeende) partner op een ander adres woont. Als dat zo is, is immers niet langer voldaan aan één van de criteria voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, te weten dat beiden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Het bestuursorgaan kan in een dergelijke situatie als regel niet volstaan met het louter stellen van de vraag "of de situatie is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de bijstand", omdat het antwoord op die vraag afhankelijk is van welk vertrekpunt men daarbij neemt. Meer precies zou de vraag in een zaak als deze, waarin ten tijde van de aanvraag nog een bezwaarprocedure liep tegen de intrekking van de bijstand, moeten luiden "of de situatie thans anders is dan waarvan het college ten tijde van de intrekking is uitgegaan en welke feiten en omstandigheden dat standpunt ondersteunen".

7. Anders dan de zaak die heeft geleid tot voormelde CRvB-uitspraak, betreft de onderhavige zaak niet de situatie waarin de twee (vermeende) partners thans twee afzonderlijke adressen hebben. [X] en haar vermeende partner, [A], hadden en hebben ook thans twee afzonderlijke adressen. In zoverre heeft voormelde uitspraak geen betekenis. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de uitspraak toch betekenis heeft voor deze zaak. Het ligt op de weg van de betrokkene om aan te tonen dat sinds de eerdere intrekking van de bijstand wegens (het verzwijgen van) het voeren van een gezamenlijke huishouding nu wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Dit laat echter onverlet dat het bijstandsverlenende bestuursorgaan de betrokkene wel de gelegenheid moet bieden om dat aan te tonen. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit de strekking is van voormelde CRvB-uitspraak.

8. [X] heeft op 24 januari 2012 het college opnieuw om bijstand verzocht. In haar bijstandsaanvraag heeft [X] als verblijfsadres [adres X] opgegeven. Dit is haar GBA-adres. In het kader van de aanvraag heeft [X] duidelijk gesteld dat zij geen gezamenlijke huishouding voert met [A] en het was het college duidelijk dat [X] de intrekking van haar bijstandsuitkering betwistte. [X] heeft in het kader van haar nieuwe aanvraag een aantal foto's overgelegd. Deze foto's van verschillende verblijfs- en gebruiksruimten in haar woning geven er blijk van dat zij recent haar eigen woning heeft opgeknapt en geschikt heeft gemaakt voor bewoning, ook voor haar dochtertje [B]. Onder die omstandigheden kon het college niet volstaan met het stellen van de vraag aan [X] of de situatie ten opzichte van 19 december 2011 is gewijzigd en bij een negatieve beantwoording van die vraag de nieuwe bijstandsaanvraag afwijzen omdat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Vanzelfsprekend geven de door [X] overlegde foto's, zonder nadere (bewijs)stukken, geen antwoord op de vraag of sinds 19 december 2011 feitelijk gezien geen sprake meer is van het voeren van een gezamenlijke huishouding van [X] met [A], maar van het zelfstandig wonen van [X] en haar dochtertje in haar eigen woning. De foto's wijzen naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel in die richting. Te meer wanneer deze recente foto's worden vergeleken met de in de verschillende vertrekken van de woning van [X] genomen foto's die zijn opgenomen in het frauderapport dat ten grondslag ligt aan de besluiten van 19 december 2011 en 2 januari 2012. Van het college had bij die stand van zaken mogen worden verlangd dat, als de foto's ontoereikend werden bevonden, het aangaf welke nadere gegevens nog zouden moeten worden verstrekt dan wel dat ter verificatie van de gestelde woon- en leefsituatie (aansluitend) een huisbezoek zou worden afgelegd.

9. Nu het college [X] onvoldoende gelegenheid heeft geboden om aan te tonen dat sprake is van een zodanige wijziging van de woon- en leefsituatie dat, zij in beginsel recht op bijstand voor een alleenstaande ouder heeft, kan de afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag wegens een gebrekkige motivering geen stand houden. De voorzieningenrechter kan echter, op basis van de beschikbare stukken, niet overzien of [X] thans ook daadwerkelijk recht op een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder heeft. Daarvoor zijn de door haar bij haar nieuwe aanvraag overgelegde foto's onvoldoende.

10. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de onweersproken penibele financiële situatie van [X] en de omstandigheid dat zij zorg draagt voor haar bijna twee jaar oude dochtertje [B], ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college op te dragen aan [X] een voorschot toe te kennen als hierna omschreven in het dictum van deze uitspraak. Gedurende deze periode zal het college [X] in de gelegenheid moeten stellen om met nadere gegevens te komen die haar stelling dat niet (langer) sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding staven. In dat kader kan het college besluiten tot het afleggen van een huisbezoek. Hiervoor zou aanleiding kunnen bestaan indien uit onderzoek of eventueel door [X] zelf aan te dragen gegevens blijkt dat op het adres [adres X] sprake is van een toegenomen verbruik van gas, water en electra, een verbruik dat past bij een éénoudergezin, zoals [X] en haar dochtertje. Het college zou ook, net zoals het heeft gedaan ter onderbouwing van zijn standpunt dat [X] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, opnieuw observaties kunnen verrichten en/of buurtbewoners kunnen gaan horen. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op dat het college ter onderbouwing van zijn besluit van 19 december 2011 onder meer, met een verwijzing naar het frauderapport van de Sociale Recherche Fryslân (SRF), betekenis heeft toegekend aan verklaringen van bewoners van de [straat waar woning X staat], inhoudende dat zij nooit, althans bijna nooit, een kind ([B]) hebben horen huilen. De bevindingen van een huisbezoek, een buurtonderzoek en observaties, zouden, in combinatie met nog aan te leveren nadere gegevens door [X], het college ervan kunnen overtuigen dat [X] thans wel een alleenstaande ouder is. Echter, niet alleen van het college wordt gedurende de periode waarover aan [X] een voorschot wordt verstrekt, het nodige verwacht. [X] dient gedurende deze periode aan het college te laten zien dat zij thans geen gezamenlijke huishouding (meer) voert met [A]. Vanzelfsprekend mag [X] zo nu en dan bij [A], de vader van haar dochtertje, op bezoek komen, maar aan de verstrengeling tussen hun levens dient, wil [X] in aanmerking (blijven) komen voor een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder, een einde te komen. Alleen dan kan het college besluiten dat [X] het thans toegekende voorschot mag behouden.

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college aan [X] het door haar betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door [X] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Omdat aan [X] een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet het college op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- draagt het college op aan [X] met ingang van heden een voorschot op een bijstandsuitkering, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, uit te betalen, tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 februari 2012, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de uitbetaling doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 42 aan [X] te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 874, te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.