Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BW0330

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
17/925127-11 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord, brand stichten, voorbereiding van opzettelijke brandstichting en moord of doodslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-03-29
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-03-29
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2012-03-29
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2012-03-29
Wetboek van Strafrecht 46, geldigheid: 2012-03-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/925127-11 VON

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 maart 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Zwolle.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 15 maart 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 juni 2011, te Sneek, (althans) in de gemeente Súdwest Fryslân,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer], meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar (boven)lichaam gestoken/gesneden, (waardoor [een] steek- en/of snijwond[en] en/of bloedverlies is/zijn ontstaan en) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art. 289/287 van het Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 juni 2011, te of bij Jislum, (althans) in de gemeente Ferwerderadiel,

in elk geval in het arrondissement Leeuwarden, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een chalet/caravan (te weten perceel [adres], gelegen aldaar op het terrein van [naam camping]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde chalet/caravan geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van voornoemde chalet/caravan en/of (een) belendend(e) chalet(s) en/of caravan(s) en/of de inventaris van die/dat belendend(e) chalet(s) en/of caravan(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in dat/die chalet/caravan bevindende personen (te weten [Benadeelde partij 3] en/of N.[benadeelde partij 2]) en/of voor zich in die/dat belendend(e) chalet(s) en/of caravan(s) bevindend(e) perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art. 157 lid 1/2 van het Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2011 tot en met 17 juni 2011, te Sneek, (althans) in de gemeente Súdwest Fryslân, in elk geval in het arrondissement Leeuwarden en/of elders in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf/de misdrijven

-moord en/of doodslag (op [naam] en/of [naam]) (als bedoeld in artikel 289 en/of 287 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

-brandstichting (in/aan/bij een caravan/chalet alwaar die [naam] en/of die [naam] zich zouden bevinden) (als bedoeld in artikel 157 ten 1e en/of ten 2e en/of ten 3e van het Wetboek van Strafrecht), (zijnde [een] misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld),

opzettelijk een hoeveelheid brandstof (te weten 5,08 liter benzine) en/of een mes(sen) bestemd tot het begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

art. 46 van het Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 16 juni 2011, te Jislum, (althans) in de gemeente Ferwerderadiel,

opzettelijk en wederrechtelijk een dier (te weten een hond), geheel of ten dele toebehorende aan [Benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft gedood;

art. 350 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. (moord), 2., 3. en 4. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren;

- oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 3], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaringen redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

Ten aanzien van feit 1:

1. De verklaring van verdachte2, inhoudende:

In de nacht van 17 juni 2011 ben ik naar Sneek gereden. De nacht daarvoor had ik al bedacht om naar Sneek te gaan. Dat was dus voor de brandstichting. Ik ben ongeveer rond kwart voor twee in de buurt van de woning van [slachtoffer] in Sneek aangekomen. Achter het huis is een steeg en daarachter is een straatje. Ik stond eerst daar. Waar ik stond, kon ik het huis zien. Ik was op dat moment moed aan het verzamelen om naar binnen te gaan. Ik had toen twee messen, een kruisboog en een hamer bij me. Op de messen had ik de foto's van mijn twee dochters, [naam] en [naam], geplakt. Ik heb heel lang buiten staan wachten. Toen het licht begon te worden, zag ik dat de buren hun gordijnen open deden. Ik ben toen naar een schuur of berging gelopen. De deur van de schuur was open. Ik ging in de schuur zitten wachten. Op een zeker moment hoorde ik iemand vertrekken. Ik wist wel dat het [naam] was, althans ik ging ervan uit dat het [naam] was.

Ik ben het huis met mijn wapens ingegaan. De messen hingen in foedralen aan mijn broek. Ik weet niet waar de kruisboog toen was. Ik had mijn handen volgens mij vrij. De achterdeur van de woning stond open. Ik ben via die deur naar binnen gegaan en ben vervolgens naar boven gegaan.

U houdt mij voor dat [slachtoffer] met messteken om het leven is gebracht. Op een bepaald moment ben ik de woning weer uitgegaan. Ik ben naar mijn auto toegelopen en ben weggereden. Er zat bloed aan mijn kleren. Ik was alleen toen ik de woning in ging. Ik moet het wel hebben gedaan. Ik ben toen in de richting van Joure gereden. Onderweg kwamen wel vaag dingen naar boven, maar ik weet niet wat er in de woning precies is gebeurd.

Het klopt dat ik bedreigingen heb geuit richting [slachtoffer]. Een van die keren was ze op het politiebureau. Volgens mij had ze in die periode tegen mij gezegd dat mijn kinderen bij haar zouden opgroeien. Het klopt ook dat ik heb gezegd dat ik een bloedbad zou aanrichten in Sneek. Ik heb [slachtoffer] een keer gebeld en haar gezegd dat ik de kinderen zou komen ophalen. De kinderen waren toen bij haar. Ze zei toen tegen mij dat als ik daar zou komen, ik eerst een messteek zou krijgen van haar en dan van haar moeder. Ik heb haar later weer opgebeld en gezegd dat als zij dat zou doen, ik daar een bloedbad zou aanrichten.

U toont mij een hakmes. Dit is een van de messen die ik heb meegenomen. U toont mij nu een (dolk)mes. Ook dit mes had ik toen bij me.

1.1. De verklaring van verdachte3, inhoudende:

Ik wens dat mijn verklaring letterlijk wordt genoteerd.

U brengt mij op de hoogte van het bestaan en de inhoud van het Europees arrestatiebevel dat op 17-06-2011 tegen mij is uitgevaardigd door officier van justitie Hoekstra in Leeuwarden, die mondeling mijn aanhouding buiten heterdaad heeft gelast wegens doodslag en zware mishandeling.

In dit Europees arrestatiebevel staat vermeld dat in de nacht van 16 op 17 juni 2011 in Sneek het lijk is aangetroffen van [slachtoffer] en dat gebleken is dat zij als gevolg van geweld is overleden.

In het bevel staat dat door de verklaringen van getuigen vast is komen te staan dat u kunt worden beschouwd als de vermoedelijke dader van deze feiten, des te meer omdat u voorafgaand aan de genoemde feiten bedreigingen tegen het slachtoffer heeft geuit.

V. Bent u in de nacht van 16 op 17 juni 2011 bij [slachtoffer] geweest?

A. Ja. Ik heb het gedaan. Ik heb haar met een mes gedood. Ik weet niet hoeveel messteken ik haar heb toegebracht. Het was een mes dat ik meegebracht had. Ik heb dat mes daar ongetwijfeld achtergelaten.

V. Waarom hebt u het gedaan?

A. Ik heb het gedaan vanwege de zekerheid dat mijn kinderen niet bij haar zouden gaan wonen. De avond ervoor heb ik het plan uitgedacht.

U hebt mij de keuze gegeven zelf te lezen wat u de griffier hebt gedicteerd of dit te laten voorlezen. De tolk heeft het voorgelezen.

Vraag: Vindt u dat deze tekst nauwkeurig weergeeft wat u hebt verklaard?

Antwoord: Ja

Vraag: Wenst u nog iets te corrigeren en/of toe te voegen?

Antwoord: Ik heb niets toe te voegen.

2. Een door verdachte geschreven brief4, inhoudende:

Hallo [naam]

Op dit moment zit ik in Dinant in gevangenis. In Nederland zal ik voor meerdere dingen worden aangeklaagd dan alleen voor moord.

Het was mijn plicht als vader ervoor te zorgen dat mijn kinderen nooit op een camping of in een huishouden zoals dat in Sneek zouden worden grootgebracht. Dit is mensonterend en ik heb er dan ook lang over na moeten denken. Maar dit was voor mij de enige oplossing om zeker te weten dat dit nooit zou gebeuren.

3. De verklaring van aangeefster [slachtoffer]5, inhoudende:

Ik woon op de [adres], binnen de gemeente Súdwest Fryslân.

Donderdag 9 juni 2011 was ik thuis. Omstreeks 19:30 uur kreeg ik een bericht van een sitebezoeker binnen.

Hier stond in: "[naam] en [slachtoffer], jullie hebben jullie doodvonnis getekend". Mijn zus zat naast mij en we wisten dat dit bericht alleen maar van [verdachte] kon zijn.

Op 11 juni 2011, omstreeks 21:30 uur kreeg ik weer een privébericht binnen op bovengenoemde site met de woorden: "[slachtoffer], jij gaat dood, als het nu met of zonder kids is". Ik heb gelijk de politie gebeld en gezegd dat ik, samen met mijn kinderen bedreigd werd.

Op dinsdag 14 juni 2011, omstreeks 15:35 uur, kreeg ik een oproep op mijn mobiele telefoon, voorzien van telefoonnummer [nummer]. Op de display stond [verdachte] vermeld, voorzien van telefoonnummer [nummer]. [verdachte] zei tegen mij: "Jij gaat dood en [naam] ook". Hierna verbrak hij de verbinding. Ik voelde me wederom bedreigd en ben gelijk naar het politiebureau gereden. Toen ik aan de balie stond belde [verdachte] mij weer. Ik zette mijn mobiele telefoon op de luidspreker en [verdachte] zei: Jij gaat dood". Uw collega, die aan de balie stond was getuige van dit gesprek.

4. De verklaring van aangeefster [naam]6, inhoudende:

Ik heb eigenlijk geen contact gehad met [verdachte] tot donderdag 9 juni. Die donderdag kreeg ik een telefoontje rond elf uur van het AMK uit Hengelo. Het AMK vond het beter dat [naam] bij mij was aangezien [verdachte] een zelfmoordpoging had ondernomen. Om 13.45 uur was ik bij school. Toen hebben ze [naam] uit de klas gehaald en is [naam] met mij mee gegaan.

[naam] (de rechtbank leest deze naam als: [slachtoffer]) is een DJ op een internetsite. Zij moest die avond draaien als DJ. Wij hadden een klein feestje omdat [naam] weer terug was.

's Avonds, de kinderen lagen al op bed, komt er een 'gast' binnen op de site. Je kunt op deze site met gebruikersnaam en wachtwoord inloggen, maar je kunt ook als gast op de site komen. Ik stond ingelogd onder mijn eigen naam '[naam]'. Ik kreeg een privébericht van die gast die binnen kwam met de woorden: "Jij en [naam] hebben vandaag jullie doodvonnis getekend". Ik wist gelijk dat het [verdachte] was. De site heeft de gast toen verwijderd, maar dan kun je gewoon weer inloggen. Ik heb niet op het bericht gereageerd.

Zondag 12 juni heb ik [verdachte] eerst gesproken op MSN, ik weet niet meer hoe laat het was. Hij vroeg aan mij of hij de kinderen mocht zien. Ik had gezegd dat het wel mocht, alleen niet op dat moment. [verdachte] begon toen een hele serenade. Hij zei onder andere: "Ik ga een bloedbad aanrichten, ik kom vanavond naar Sneek." Ik heb [verdachte] toen gebeld. Ik heb hem gevraagd of hij normaal wilde doen en bij zinnen wilde komen. Hij vroeg mij of hij de kinderen vanavond mocht zien. Ik zei hem dat dat niet kon, omdat ik het eerst wilde overleggen met het AMK. [verdachte] zei toen tegen mij: "Als ik vanavond de kinderen niet mag zien, dan richt ik een bloedbad aan in Sneek". [verdachte] heeft toen opgehangen.

5. De verklaring van [naam]7, inhoudende:

V: Oké. Nou [naam] en dan zit je hier op het politie bureau en je zei in de gang al een heel klein beetje van, tegen mij toen wij hierheen liepen van oom heeft mijn moeder.

A: Met een mes dood gemaakt.

V: Met een mes dood gemaakt.

O: [naam] knikt ja.

V: Wat kun jij mij daarover vertellen [naam]?

A: Nou euh mijn moeder die zat dus te slapen.

A: Ze werd wakker van de voetstappen die ze hoorde op de trap en toen kwam oom [verdachte] der aan en toen zei ze nee nee nee nee en toen gebeurde het.

A: Toen ging [verdachte] steken.

V: Toen ging [verdachte].

A: Heel vaak.

V: En waar was jij?

A: Op mijn kamer.

V: Op jou kamer?

A: Ja.

A: Ik deed de deur open en toen rende hij snel naar beneden.

V: En hoe weet je dat oom [verdachte] boven kwam? Want het gaat der om...

A: Ik hoorde het.

V: Wat jij gehoord of gezien hebt. Dus niet wat je van anderen hebt gehoord of gezien, maar wat jezelf gehoord en gezien hebt. Dat is heel belangrijk.

A: Ik heb het zelf gezien en gehoord.

V: Oké. En wat hoorde jij als eerste dan?

A: De voetstappen.

V: De voetstappen en waar hoorde jij die voetstappen?

A: Op de overloop.

V: Op de overloop. Wat voor, wat hoorde jij precies? Hoe ging dat?

A: Nou zo.

O: maakt met haar voeten een stappend geluid.

V: dat hoorde jij?

O: [naam] knikt ja.

V: Oké. En toen.

A: Nou en toen ging ie naar mijn moeders kamer.

V: Maar hoe weet je dat die hier naar toe gingen?

A: Dat ik mijn moeders deur krrrr.

V: Zegt die een beetje krrr.

A: Ja.

V: Hij kraakt een beetje.

O: [naam] knikt ja.

V: Dat hoorde jij?

O: [naam] knikt ja.

V: Wat hoorde jij. Je hoorde die deur opengaan.

A: Ja en mijn moeder ook.

V: En je, euh en toen?

A: Ik hoorde haar heel hard schreven nee nee nee.

V: Toen hoorde jij haar heel hard schreeuwen van nee nee nee nee.

A: Ja.

V: Heeft jou moeder nog meer dingetjes gezegd of geroepen?

A: Nee.

V: En wat hoorde jij nog meer van je moeder?

A: Euh niks

V: Niks. Heb je ook nog een andere stem gehoord?

A: nee

V: nee alleen maar je moeder die nee nee nee zei

A: ja en mijn moeder is nu overleden

V: Jij hoorde je moeder nee nee nee nee en heb je ook gehoord dat iemand wegging of euh.

A: Ja toen hoorde ik van stamp stamp stamp op de trap.

V: Op de trap. Stamp stamp stamp op de trap.

A: Ja die ging naar beneden en toen kwam er allemaal bloed. Bloedstappen op de grond

V: Toen kwamen er bloedstappen op de grond.

6. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood8, inhoudende:

Resultaten: Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], [geboortedatum]

In totaal 17 streepvormig en overwegend scherprandige huidklievingen- steeksels, gelokaliseerd aan de rug, voorzijde romp en de armen.

Conclusie: Het overlijden van [slachtoffer], geboren op 2 augustus 1983, wordt volledig verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van inwerking van zeer uitgebreid klievend en perforerend/stekend geweld.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat vrijspraak moet volgen van het bestanddeel voorbedachte raad en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Verdachte is naar de woning van het slachtoffer gegaan met het doel zijn kinderen mee te nemen. Hij was in de veronderstelling dat de kinderen zich daar bevonden en dat de aldaar aanwezige personen hem het meenemen van zijn kinderen zouden beletten.

Met de wapens die verdachte had meegenomen wilde hij een schrikeffect creëren om eerdergenoemd doel te verwezenlijken. Verdachte heeft weliswaar bedreigingen geuit, maar uit de stukken blijkt niet dat hij toen al het plan had om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij naar de woning is gegaan enkel omdat hij zijn kinderen wilde meenemen. Na het binnentreden van de woning is hij naar de zolder gegaan omdat hij dacht dat de kinderen daar waren. De kinderen bevonden zich echter niet op de zolder.

Volgens zijn eigen verklaring heeft hij hierna niet elders in de woning naar de kinderen gezocht.

Naar het oordeel van de rechtbank strookt dit niet met de bedoeling die verdachte zegt te hebben gehad. Indien verdachte werkelijk op zoek was naar zijn kinderen had een zoektocht door het huis immers meer voor de hand gelegen.

Voorts wordt de door verdachte opgegeven bedoeling niet ondersteund door objectief vast te stellen feiten en omstandigheden. Integendeel, uit de verklaring van [naam], de dochter van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat verdachte de trap is opgelopen en direct naar de slaapkamer van het slachtoffer is gegaan.

Verder heeft verdachte bij de rechter-commissaris in België aangegeven dat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht om de zekerheid te hebben dat zijn kinderen niet bij haar zouden opgroeien. Bij die gelegenheid heeft hij eveneens verklaard dat hij de avond ervoor het plan had uitgedacht.

In een brief die verdachte vanuit de gevangenis in België heeft geschreven naar zijn ex-partner spreekt verdachte eveneens over het feit dat dit de enige oplossing was om te voorkomen dat zijn kinderen in een huishouden zoals dat in Sneek zouden worden grootgebracht.

Tot slot is komen vast te staan dat verdachte tussen 9 en 14 juni 2011 meermalen gedreigd heeft [slachtoffer] te zullen vermoorden dan wel een bloedbad te zullen aanrichten in Sneek, waar de woning van [slachtoffer] is gelegen.

Op basis van het bovengenoemde is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte voor wat betreft zijn intenties ongeloofwaardig is. De rechtbank acht, gelet op het bovengenoemde, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.

Ten aanzien van feiten 2 en 4:

1. De verklaring van verdachte9, inhoudende:

Ik heb in de nacht van 15 op 16 juni 2011 een caravan in brand gestoken. Die caravan stond op een campingterrein in Jislum. Ik had de caravan van [naam] op het oog. Ik heb de verkeerde caravan in brand gestoken. Ik had daarvoor wat benzine getankt. Tegen de caravan lag wat afval. Ik heb de benzine over het afval gegoten en het afval in brand gestoken. Ik heb de brand bij het uitbouwgedeelte aangestoken.

2. De verklaring van aangeefster [naam]10 inhoudende:

Op donderdag16 juni 2011 te 04.00 uur werd te Jislum, binnen de gemeente Ferwerderadiel brandstichting gepleegd.

In de nacht van woensdag 15 juni 2011 op donderdag 16 juni 2011 is de chalet c.q. caravan waar ik in woon afgebrand. Bij de brand waar ik over spreek is mijn gehele woonwagen c.q. chalet afgebrand. Bij deze brand zijn geen persoonlijke ongelukken opgetreden. Wel is mijn hond bij de brand omgekomen en is eigenlijk mijn gehele caravan en de daarin bevindende inboedel afgebrand. Alles is weg. Deze caravan staat op camping [naam] te Jislum aan de [adres]. Mijn caravannummer luidt "U".

Op woensdag 15 juni 2011 was mijn dochter [naam] bij mij thuis. Wij zijn omstreeks 23:00 uur naar bed gegaan. Wij slapen elk in een aparte kamer van de caravan. Omstreeks 01:00 uur, het was dus al donderdag 16 juni 2011, ben ik wakker geworden. Ik ben toen even uit bed geweest om mijn medicijnen te nemen. Ik ben daarna direct weer naar bed gegaan en ik ben eigenlijk direct weer in slaap gevallen. Op een gegeven moment werd ik wakker. Ik weet niet precies hoe laat het toen was. Ik schat, maar dat is slechts een schatting, dat het omstreeks 04:00 uur moet zijn geweest. In elk geval was het buiten nog donker.

Toen ik wakker werd zag ik een vreemd soort licht en ik hoorde een "knappend" geluid.

Dit geluid herkende ik als het knappen van brandend hout.

Ik ben de hal in gelopen en nadat ik de deur van mijn slaapvertrek had geopend, zag ik direct dat de hal van de caravan geheel gevuld was met dikke, zwarte rook. Ook zag ik dat er links van mij, in de hal, al vuur was. Ik zag namelijk vlammen. In de hal stond ook een droogrek met kleding te drogen. Ter hoogte van dat droogrek zag ik een enorme hoeveelheid vuur. Voor de rest waren de vlammen niet zo hoog.

Ik realiseerde mij direct dat er brand was en ik heb [naam] wakker geroepen. Zij heeft vervolgens direct een laken van haar bed gepakt, heeft dit laken om haar heen geslagen en is met mij naar buiten gegaan. Ik wilde vervolgens eerst nog mijn hond redden. Ik heb een zestien jaar oude Jack Russel hond. Deze hond is nagenoeg doof en blind.

Toen ik buiten was viel het mij op dat er buiten reeds veel vuur was. Er was veel meer vuur buiten dan binnen. Uiteindelijk is de brandweer gekomen. Nadat de brandweer ter plaatse was gekomen, hebben zij het vuur uiteindelijk geblust. Op dat moment was de gehele caravan al in lichterlaaie en na het blussen bleek uiteindelijk dat de gehele caravan was afgebrand.

Als ik niet wakker was geworden van het knappend c.q. brandend geluid, dan was naar mijn mening het zeer wel mogelijk geweest dat zowel [naam] als ik bij de brand zou zijn omgekomen. Immers een caravan bestaat voor een groot gedeelte uit kunststof en ander brandbaar materiaal. De slaapkamer van [naam] lag vlak naast de uitgang van de caravan en ook direct naast de plek waar het buiten op zijn hevigst heeft gebrand.

3. De verklaring van [[naam]11, inhoudende:

Mijn moeder woont in een chalet op camping [naam] te Jislum. Ze woont op nummer 31-U. Ze woont daar alleen met haar hond en twee katten. De hond was een Jack Russel genaamd Polly.

Op woensdag avond, 15 juni 2011, zijn mijn moeder en ik exact om 22:50 uur naar bed gegaan. Plotseling werd ik wakker, omdat mijn moeder riep: "Brand, brand!" Ik zag mijn moeder in mijn slaapkamer staan. Ik zag aan de uitdrukking op het gezicht van mijn moeder dat ze in paniek was. Ik ben meteen opgestaan. Ik keek om de slaapkamerdeur en zag een groenige gloed in de gang.

Ik hoorde een loeiend en knetterend geluid. Ik was op dat moment ook in paniek. Ik heb geroepen en geschreeuwd. Ik keek de kamer in, waarin de wasmachine en koelkast staan. Ik zag daar alleen maar rook en vuur. We liepen via de gang naar de voordeur. Ik weet nog dat ik heel erg moest hoesten vanwege de ingeademde rook. Ik zag dat het buiten al brandde. Dat had ik niet verwacht. We hebben niet meer geblust. Er was veel te veel rook. Het was niet te harden. Er was geen mogelijkheid voor ons om iets te doen voor de hond. In mijn beleving duurde het een eeuwigheid voor er brandweer en politie kwam. De chalet stond inmiddels ook al zo erg in de fik dat blussen niet zoveel zin meer had. De brandweer liet het gecontroleerd afbranden.

4. Het proces-verbaal brand in chalet12, inhoudende:

Op donderdag, 19/06/2011, vanaf 13:00 uur, hebben wij, [namen verbalisanten], beiden inspecteur van politie, Materiedeskundigen Brand (Vakspecialisten A Opsporing), werkzaam bij de Politie Noord Nederland, Divisie Recherche Ondersteuning, Unit Forensisch-technische expertise, Technische Expertise Brandonderzoeken, op verzoek van [naam], werkzaam bij de Regiopolitie Fryslan, een onderzoek ingesteld naar aanleiding van brand in een chalet.

Plaats delict: [adres]U, 9177 GA Jislum

Object: houten chalet in gebruik als woning.

Samenvatting en conclusie:

De brand in het object was ter hoogte van de buitenwand aan de voorzijde van de uitbouw ontstaan. Het object was voorzien van één toegangsdeur die door de benadeelde van binnenin werd ontsloten.

De brand was vanaf de buitenzijde via de voorwand naar binnen geslagen en had zich vanaf de voorzijde van de uitbouw naar achteren en naar weerszijden uitgebreid.

Brandoorzaak.

Op of nabij de plaats van het ontstaan van de brand werden geen technische voorzieningen aangetroffen die deze brand veroorzaakt konden hebben. Ter plaatse werden aan de buitenzijde voor de aanbouw aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van brand bevorderende middelen. Uit het onderzoek van het NFI bleek dat in het inbeslaggenomen monster hoofdzakelijk (motor) benzine was aangetoond. De oorzaak van de brand moet dan ook gezocht worden in het ter plaatse brengen van brandbevorderende middelen en het vervolgens ontsteken van deze middelen.

Ten aanzien van feit 3:

1. De verklaring van verdachte13, inhoudende:

Ik wilde niet dat mijn kinderen op een camping zouden opgroeien. Het was mij een doorn in het oog dat ze daar zouden opgroeien. [naam] ging met [naam] op de camping in Jislum samenwonen. Ik ging ervan uit dat de kinderen daar permanent zouden gaan wonen.

U houdt mij voor dat uit de stukken blijkt dat ik 5.08 liter benzine heb getankt op 16 juni 2011 omstreeks kwart voor drie. Dat klopt. Ik heb benzine getankt en ben daarna naar de camping gereden, naar de chalet van [naam]. Het was toen inderdaad al mijn intentie om brand te stichten. Ik had de caravan van [naam] op het oog. Ik heb op het politiebureau gehoord dat ik de verkeerde chalet in brand had gestoken.

U houdt mij de verklaring van mijn buurvrouw, [[naam] voor. In de kofferbak van mijn auto lagen messen. Dat waren dezelfde messen die vandaag op de zitting zijn getoond. Het klopt dat ik deze messen aan mijn buurvrouw heb getoond. Ik heb uitlatingen gedaan in de trant van wat [naam] heeft verklaard.

Ik heb de messen al in een vroeg stadium gekocht.

Ik heb bedreigingen geuit in de richting van [naam].

2. De verklaring van aangeefster [naam]14, inhoudende:

V: Hoe vaak heeft [verdachte] contact met jou gehad over de camping?

A: Misschien twee of drie keer. Over de camping zelf had hij geen opmerkingen. Wel over het feit dat [naam] degene was waardoor onze relatie stuk was gegaan. Ik heb [verdachte] toen verteld dat dat niet waar was.

V: Wat voor opmerkingen heeft [verdachte] richting [naam] gemaakt?

A: Hij heeft [naam] een keer een sms gestuurd met daarin de tekst: "Jij gaat dood". Hij heeft dat in het pinksterweekend gezegd. Ik weet niet meer welke dag dat was.

Vrijdag 10 juni 2011 heeft [verdachte] telefonisch nog gedreigd. Hij heeft toen gezegd dat hij er voor ging zorgen dat ik de kinderen niet meer zou zien, dat hij ze in een pleeggezin wilde stoppen, dat ik van alles en nog wat was.

De dreigementen bestonden uit: "Ik geen kinderen, jij geen kinderen. Als ik de kinderen niet zie, dan zie jij de kinderen ook niet meer. Jouw doodvonnis is getekend. Ik ga er voor zorgen dat je helemaal kapot gaat. Doe iedereen een lol en spring voor de trein. Als je niet durft dan wil ik wel een zetje geven."

3. De verklaring van getuige [naam]15, inhoudende:

Op eerste Pinksterdag, zondag 12 juni 2011, om 21:02 uur werd ik gebeld op mijn gsm. Mijn nummer is [nummer]. Ik zag dat ik werd gebeld door een onbekend nummer. Ik nam op met de woorden: "Ja met [naam]." Ik hoorde dat de beller, een man, zei: "O jij dus, die laffe hond en die klootzak?!" Ik dacht al dat dit [verdachte] was. Ik liet het nummer aan [naam] zien.

Het nummer dat mij had gebeld was [nummer]. [naam] herkende het nummer van [verdachte]. Ik heb daarop dit nummer opgeslagen in mijn telefoon onder de naam [verdachte]. Diezelfde dag ontving ik van hetzelfde telefoonnummer om 23:19 uur een sms-bericht. Dit korte bericht luidde: "Jij gaat dood." (Opmerking verbalisant: getuige toonde ons het bedoelde sms'je in zijn gsm. Wij zagen dat nummer [nummer] op genoemde datum en genoemd tijdstip genoemd sms-bericht had gezonden).

4. De verklaring van getuige [naam]

Ik zie nu op de kalender dat het 10 juni was. Ik ben op die dag naar [verdachte] toegelopen omdat ik zag dat er een politieauto voor zijn woning stond. Toen ik daar aankwam was de politie net weer vertrokken. De dag ervoor was [naam] namelijk door het AMK van school gehaald en meegenomen naar Friesland. [verdachte] zei toen tegen mij: "Loop eens mee naar mijn auto." [verdachte] liet mij in de kofferbak van zijn blauwe Volvo grote messen zien die daarin lagen. Hij vertelde mij dat hij er een einde aan ging maken. Ik vroeg [verdachte] wat hij met de messen ging doen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ik ga mezelf van kant maken of ik ga [naam] van kant maken."

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van de onder 3. ten laste gelegde voorbereidingshandelingen moet worden vrijgesproken. Hij heeft hierbij aangevoerd dat verdachtes oogmerk bij het kopen van de benzine en de messen niet gericht was op het ombrengen van [naam] en [naam]. De raadsman heeft gesteld dat verdachte de chalet in brand wilde steken, zodat zijn kinderen niet meer daarheen zouden kunnen gaan. Volgens de raadsman blijkt uit de stukken onvoldoende dat verdachte met de messen zijn echtgenote, [slachtoffer], en [naam] wilde vermoorden. De uitlating van verdachte ten overstaan van zijn buurvrouw moet worden opgevat als een humoristische en niet serieus te nemen uitdrukking.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat een bewezenverklaring toegesneden op artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht vereist - kort gezegd - dat bewezen kan worden dat verdachte "opzettelijk" voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is dus voldoende dat er sprake is van opzet, zoals dat geldt in de gangbare opzet-leer. Er dient derhalve niet te worden vastgesteld dat sprake is van de zwaardere opzetvariant, oogmerk.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 16 juni 2011 benzine heeft gekocht met de bedoeling de chalet/caravan van [naam] in brand te steken. In de daaraan voorafgaande periode heeft verdachte meermalen doodsbedreigingen geuit tegen [naam] en [naam]. Ten tijde van deze bedreigingen had verdachte bovendien enkele messen reeds aangeschaafd. Tegenover mevrouw [naam] heeft verdachte, na het tonen van de messen, onder meer gezegd dat hij [slachtoffer] van het leven zou gaan beroven. Noch de verklaring van [naam] noch de andere processtukken bieden aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachtes uitlating aan [naam] niet serieus bedoeld was. Mede gelet op de door verdachte geuite bedreigingen acht de rechtbank dat niet een aannemelijk standpunt.

Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verwerven van de benzine en het voorhanden hebben van de messen strekte ter voorbereiding van enig feit als in het onder 3. ten laste gelegde bedoeld, op het begaan waarvan het opzet van de verdachte was gericht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 juni 2011 te Sneek, in de gemeente Súdwest Fryslân, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer], meerdere malen, met een mes, in haar lichaam gestoken/gesneden, waardoor steek- en snijwonden en bloedverlies zijn ontstaan en tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 16 juni 2011 te Jislum, in de gemeente Ferwerderadiel, opzettelijk brand heeft gesticht bij een chalet/caravan, te weten perceel [adres], gelegen aldaar op het terrein van [naam camping], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met brandbare stoffen, ten gevolge waarvan voornoemde chalet/caravan is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van voornoemde chalet/caravan en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die chalet/caravan bevindende personen, te weten [Benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2], te duchten was;

3.

hij in de periode van 10 juni 2011 tot en met 17 juni 2011 in het arrondissement Leeuwarden, ter voorbereiding van de misdrijven moord of doodslag op [naam] en/of [naam] als bedoeld in artikel 289 of 287 van het Wetboek van Strafrecht en brandstichting aan een caravan/chalet alwaar die [naam] en/of die [naam] zich zouden bevinden als bedoeld in artikel 157 ten 1e en/of ten 2e en/of ten 3e van het Wetboek van Strafrecht, zijnde misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, opzettelijk een hoeveelheid brandstof te weten 5,08 liter benzine en messen bestemd tot het begaan van die misdrijven, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 16 juni 2011 te Jislum, in de gemeente Ferwerderadiel, opzettelijk en wederrechtelijk een dier, te weten een hond, toebehorende aan [Benadeelde partij 3], heeft gedood.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op misdrijven:

1. Moord;

2. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

3. Voorbereiding van opzettelijke brandstichting en moord of doodslag;

4. Opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie en het NFIP-rapport d.d. 28 februari 2012 (hierna te noemen: PBC-rapport)

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, brandstichting, de voorbereiding van moord c.q. doodslag en brandstichting, en het doden van een dier.

Het meest ernstige feit is de moord op de schoonzus van verdachte. Daarbij gaat het om de schending van het hoogste rechtsgoed dat door de wet wordt beschermd, namelijk het menselijk leven.

In de vroege ochtend is verdachte, bewapend met een groot kapmes, een dolkmes en een kruisboog alsmede een hamer, de woning van het slachtoffer binnengedrongen. Vervolgens heeft hij het slachtoffer met in totaal zeventien messteken om het leven gebracht. De beide kinderen van het slachtoffer, negen en vier jaar oud, hebben volledig meegekregen wat er met hun moeder gebeurde. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte bij dit alles volgens een van te voren opgezet plan te werk is gegaan.

Ook de brandstichting betreft een zeer ernstig feit. Verdachte heeft een houten caravan (chalet) in brand gestoken, in de veronderstelling dat het ging om de caravan van de nieuwe vriend van zijn vrouw. Bij vergissing heeft verdachte de naastgelegen caravan in brand gestoken waarin een vrouw en haar dochter lagen te slapen. De slachtoffers hebben zich ternauwernood in veiligheid weten te brengen. De hond van het oudste slachtoffer is bij de brand om het leven gekomen en de caravan met inboedel is geheel verloren gegaan.

In de weken voorafgaand aan de feiten was verdachte verlaten door zijn echtgenote, die hun beide kinderen had meegenomen. Over de kinderen, met name de oudste, ontstond veel strijd. Verdachte heeft haar op een gegeven moment opgehaald en weer bij zich laten wonen. Ook heeft hij haar weer naar haar oude school laten gaan. Vanaf het moment waarop het AMK de dochter van deze school haalt en weer bij haar moeder onderbrengt, lijkt verdachte in een mentale staat te zijn gekomen die uiteindelijk heeft geleid tot het plegen van deze uiterst gewelddadige feiten.

Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum (PBC). Volgens het uitgebreide PBC-rapport lijdt verdachte aan een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven, met borderline-, narcistische en obsessief-compulsieve trekken. Verder wordt hij beschreven als een identiteitszwakke persoon met een beperkt empathisch vermogen en een beperkte frustratietolerantie. Verdachte vertoont volgens de deskundigen van het PBC een sterke neiging tot externaliseren. Dit laatste heeft hij ook op de terechtzitting laten zien. In de ogen van verdachte is wat hij heeft gedaan het gevolg van hetgeen zijn vrouw en de instanties met betrekking tot de kinderen verkeerd hebben gedaan. Zijn eigen verantwoordelijkheid lijkt hij zeer beperkt te zien.

De conclusie van het PBC-rapport is dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is voor de ten laste gelegde feiten. De kans op herhaling wordt groot geacht. Om het recidiverisico afdoende te kunnen bestrijden is volgens de deskundigen noodzakelijk dat de maatregel TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.

De rechtbank neemt de conclusies uit het PBC-rapport over. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is. De rechtbank is in dat verband ook van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de TBS-maatregel eist.

Daarnaast is een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur hiervan houdt de rechtbank rekening met de ernst van de delicten, het excessieve geweld dat door verdachte is gebruikt, het leed dat hij de slachtoffers en de nabestaanden heeft aangedaan en de beroering die de feiten hebben veroorzaakt in de maatschappij.

Ook houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de gepleegde feiten en de hiervoor omschreven omstandigheden. De rechtbank zal deze strafeis dan ook overnemen.

Benadeelde partij

Mr. Korver heeft zich namens [benadeelde partij 1] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door [benadeelde partij 1] geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De raadsman heeft gesteld dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten voor de grafsteen niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu tijdens de terechtzitting is gebleken dat de grafsteen nog niet is aangeschaft.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de grafsteen aan te merken zijn als kosten van lijkbezorging (als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW), zodat verdachte is gehouden deze aan [benadeelde partij 1] te vergoeden. Dat deze kosten nog niet daadwerkelijk zijn gemaakt, maakt dit niet anders.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2011.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Benadeelde partij

Mr. E.J. Postma heeft zich namens [benadeelde partij 3] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door [benadeelde partij 3] geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 2. en 4. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De gevorderde proceskosten zijn eveneens toewijsbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). De benadeelde partij is in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk.

Benadeelde partij

Mr. E.J. Postma heeft zich namens [benadeelde partij 2] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door [benadeelde partij 2] geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De gevorderde proceskosten zijn eveneens toewijsbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). De benadeelde partij is in dit onderdeel van de vordering niet ontvankelijk.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 46, 57, 157, 289 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in uitleveringsbewaring, verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], p/a 1017 CA Amsterdam, Herengracht 462, toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 11.963,21 (zegge: elfduizend negenhonderddrieënzestig euro en éénentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2011.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 11.963,21 (zegge: elfduizend negenhonderddrieënzestig euro en éénentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2011, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 94 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], p/a 9230 AC Surhuisterveen, Postbus 129, toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor het overige niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte in de kosten voor de rechtsbijstand tot op heden begroot op € 375,-(zegge driehonderdvijfenzeventig euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], p/a 9230 AC Surhuisterveen, Postbus 129, toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte in de kosten voor de rechtsbijstand tot op heden begroot op € 375,-

( zegge driehonderdvijfenzeventig euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. M.A.M. Wolters, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2012.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich, tenzij anders genoemd, in het doorgenummerde proces-verbaal met registratienummer 2011062437-PV-001, gesloten op

21 november 2011

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

3 Een schriftelijk bescheid inhoudende de verklaring van verdachte tegenover een rechter-commissaris aan de rechtbank van eerste aanleg van Dinant, pagina 141 - 143.

4 Een schriftelijk bescheid, zijnde een bief van verdachte, pagina 407 en 409.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 15 juni 2011, pagina 583.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [naam] d.d. 17 juni 2011, pagina 608 en 609.

7 Het proces-verbaal van bevindingen uitwerken studioverhoor van A.[naam] d.d. 18 juni 2011, pagina 649 - 652.

8 Het NFI rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 17 augustus 2011, welk rapport deel uitmaakt van het proces-verbaal forensisch technische onderzoek TGO "Partuur", proces-verbaalnummer 2011062437-FTO-AH-01, pagina 325 en 328.

9 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [Benadeelde partij 3] d.d. 16 juni 2011, pagina 585 - 587.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij 2], 28 juni 2011, pagina 723 - 725.

12 Het proces-verbaal brand in chalet, registratienummer 2011062437 -FTO-AH-08 (PV FTO, TGO Partuur), opgemaakt op 13 juli 2011, pagina 117 en 128.

13 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

14 Het proces-verbaal van aangifte van [naam] d.d. 17 juni 2011, pagina 602, 607 en 608.

15 Het proces-verbaal van verhoor van [naam] d.d. 21 juni 2011, pagina 704.

16 Het proces-verbaal van verhoor van [naam] d.d. 19 juni 2011, pagina 749.