Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BV9943

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
17/880109-11 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval, fietser overleden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880109-11 VON

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 12 maart 2012.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.C. Pol, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Leeuwarden opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een personenauto bestuurd terwijl hij in aanmerkelijke mate onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank (770 UG/L)

-rijdende over de Esdoornstraat komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg,

-waarbij verdachte reed met een snelheid van (meer dan ) (ongeveer) 80 km/uur, in ieder geval hoger dan de toegestane snelheid van 30 km/uur en

-verdachte (vervolgens) het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg met overminderde snelheid is opgereden,

-zulks terwijl [naam slachtoffer 1], die zich bevond op een fiets op het fietspad gelegen naast de Esdoornstraat, rijdende vanuit de richting van de Kanaalstraat en gaande in de richting van de Archipelweg en dit fietspad had verlaten om zijn weg te vervolgen via het kruisingsvlak Esdoornstraat en de Schieringerweg, dit kruisingsvlak is opgereden en afgereden,

-waarbij verdachte vervolgens met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de door [naam slachtoffer 1] bestuurde fiets is aangereden (zulks terwijl die [naam slachtoffer 1] verlichting voerde op zijn fiets en het wegdek ten tijde van het ongeval schoon en droog was en de straatverlichting brandde en de kruising Esdoornstraat/Schieringerweg overzichtelijk was), tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Leeuwarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Esdoornstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden over de Esdoornstraat komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg,

-waarbij verdachte reed met een snelheid van (meer dan) (ongeveer) 80 km/uur, in ieder geval hoger dan de toegestane snelheid van 30 km/uur,

-en verdachte (vervolgens) het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg met overminderde snelheid is opgereden,

-zulks terwijl [naam slachtoffer 1] die zich bevond op een fiets op het fietspad gelegen naast de Esdoornstraat rijdende vanuit de richting van de Kanaalstraat en gaande in de richting van de Archipelweg en dit fietspad had verlaten om zijn weg te vervolgen via het kruisingsvlak Esdoornstraat en de Schieringerweg, dit kruisingsvlak is opgereden en afgereden,

-waarbij verdachte vervolgens met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de door [naam slachtoffer 1] bestuurde fiets is aangereden, waardoor een ander ([naam slachtoffer 1]) werd gedood, (zulks terwijl die [naam slachtoffer 1] verlichting voerde op zijn fiets en het wegdek

ten tijde van het ongeval schoon en droog was en de straatverlichting brandde en de kruising Esdoornstraat/Schieringeweg overzichtelijk was), zulks terwijl verdachte verkeerde onder de invloed van een aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank (770 UG/L);

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto over de Esdoornstraat heeft gereden komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg terwijl hij, verdachte, in aanmerkelijke mate verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank (770 UG/L),

-rijdende met een snelheid van (meer dan) (ongeveer) 80 km/uur, in ieder geval hoger dan de toegestane snelheid van 30 km/uur

-en verdachte (vervolgens) het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg met overminderde snelheid is opgereden

-zulks terwijl die [naam slachtoffer 2] die zich bevond op een fiets op het fietspad gelegen naast de Esdoornstraat rijdende vanuit de richting van de Kanaalstraat en gaande in de richting van de Archipelweg en dit fietspad had verlaten om haar weg te vervolgen via het kruisingsvlak Esdoornstraat en de Schieringerweg, dit kruisingsvlak is opgereden en afgereden,

-waarbij verdachte vervolgens met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de door die [naam slachtoffer 2] bestuurde fiets is aangereden en

-waarbij de fiets waarop die [naam slachtoffer 2] reed, verhaakte voor, of gedeeltelijk onder de voorzijde van de door verdachte bestuurde auto en waarbij die fiets werd voortgeduwd over de rijbaan over een afstand van ongeveer 56 meter, en waarbij die [naam slachtoffer 2] op de voorruit van de auto is terecht gekomen en door de auto over een afstand van ongeveer 56 meter is meegevoerd, (zulks terwijl die [naam slachtoffer 2] verlichting voerde op haar fiets en het wegdek

ten tijde van het ongeval schoon en droog was en de straatverlichting brandde en de kruising Esdoornstraat/Schieringerweg overzichtelijk was), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Leeuwarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Esdoornstraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, over de Esdoornstraat komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg

-rijdende met een snelheid van (meer dan) (ongeveer) 80 km/u in ieder geval hoger dan de toegestane snelheid van 30 km/uur en verdachte (vervolgens) het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg met onverminderde snelheid is opgereden

-zulks terwijl die [naam slachtoffer 2] die zich bevond op een fiets op het fietspad gelegen naast de Esdoornstraat rijdende vanuit de richting van de Kanaalstraat en gaande in de richting van de Archipelweg en dit fietspad had verlaten om haar weg te vervolgen via het kruisingsvlak Esdoornstraat en de Schieringerweg, dit kruisingsvlak is opgereden en afgereden waarbij verdachte vervolgens met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de door die

[naam slachtoffer 2] bestuurde fiets is aangereden en waarbij de fiets waarop die [naam slachtoffer 2] reed, verhaakte voor, of gedeeltelijk onder de voorzijde van de door verdachte bestuurde auto en waarbij die fiets werd voortgeduwd over de rijbaan over een afstand van ongeveer 56 meter en waarbij die [naam slachtoffer 2] op de voorruit van de auto is terecht gekomen en door de auto over een afstand van ongeveer 56 meter is meegevoerd, (zulks terwijl die [naam slachtoffer 1] verlichting voerde op haar fiets en het wegdek ten tijde van het ongeval schoon en droog was en de straatverlichting brandde en de kruising Esdoornstraat/Schieringerweg overzichtelijk was), zulks terwijl verdachte verkeerde onder de invloed van een aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank (770 UG/L), waardoor een ander (genaamd [naam slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechter-bovenarm en/of een gebroken middenvoetsbeentje van de kleine teen van de rechtervoet en/of een wond aan de rechterknie en/of een wond op de rechtervoet en/of een wond op het achterhoofd, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank leest de tenlastelegging onder 1. subsidiair en 2. subsidiair aldus dat het onderdeel ''zulks terwijl verdachte verkeerde onder invloed van een aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank'' enerzijds wordt aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid in de zin van artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en anderzijds tevens als nadere feitelijke omschrijving van de schuld.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

- oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren;

- verbeurdverklaring van de in beslaggenomen auto.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat feit 1. primair (doodslag) en feit 2. primair (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. Zij meent dat het in het donker met hoge snelheid besturen van een auto in een omgeving waar veel fietsers rijden, terwijl de bestuurder verkeert onder invloed van alcohol, de aanmerkelijke kans in het leven roept op een ongeval met een dodelijke afloop. Zij heeft vervolgens gemotiveerd aangevoerd dat verdachte:

- met veel te veel alcohol op is gaan rijden;

- terdege gewaarschuwd was, niet alleen door eerdere veroordelingen voor rijden onder invloed, maar ook kort voor het ongeval door getuige [naam];

- tussen 87 en 95 kilometer per uur heeft gereden in de bebouwde kom, waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur gold;

- met onverminderde snelheid is ingereden op de fietsers en pas heeft geremd na de botsing, waaruit volgt dat hij de slachtoffers in het geheel niet heeft gezien;

- daar bekend was en wist dat de kans op fietsers vroeg in de avond aanzienlijk was;

- toch de auto is gaan besturen, hoewel hij op meerdere momenten tot bezinning had kunnen komen.

Nu verdachte onder deze omstandigheden de gedraging heeft verricht, kan het volgens de officier van justitie niet anders dan dat verdachte zich ook willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood tot gevolg zou hebben.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. primair en feit 2. primair, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer 1] en zijn dochter [naam slachtoffer 2]. De verdediging heeft gemotiveerd bepleit dat verdachte de gevolgen niet bewust op de koop toe heeft genomen.

Ten aanzien van feit 1. subsidiair en feit 2. subsidiair heeft de verdediging betwist dat sprake is van roekeloosheid en acht zij enkel bewijsbaar dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest. De verdediging meent dat het onder invloed verkeren van alcohol, zoals opgenomen in de tenlastelegging, enkel bedoeld is als strafverzwarende omstandigheid in de zin van artikel 175, derde lid, WVW 1994, maar niet bedoeld is als inkleuring van het bestanddeel schuld. Dientengevolge mag het gebruik van alcohol geen rol spelen bij de vraag of, en in hoeverre, schuld aanwezig is in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Ten aanzien van de feiten heeft de verdediging bestreden dat de getuige [naam] verdachte heeft gewaarschuwd om een taxi te nemen. De verdediging stelt dat verdachte 50 kilometer per uur heeft gereden en dat de getuigen onduidelijk hebben verklaard over de snelheid. De verdediging meent dat de conclusies van de Verkeersongevallenanalyse (VOA) en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) onduidelijk en oncontroleerbaar zijn. In de rapporten van VOA en KLPD wordt op geen enkele manier uitgelegd waarom de schade aan de fietsen qua hoogte niet overeen zou komen met de schade aan de auto. Evenmin is duidelijk gemaakt of het na een zware aanrijding wel mogelijk is om te bepalen hoe hoog de fietsen zijn geraakt. De VOA heeft in haar rapport de exacte plaats van de aanrijding niet duidelijk aangegeven. Voorts wijst de verdediging erop dat het KLPD ook zelf concludeert dat haar onderzoek geen nauwkeurige snelheidsbepaling heeft opgeleverd. De verdediging acht het onzeker of de auto waarvan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) aan de hand van de camerabeelden de snelheid heeft bepaald, wel daadwerkelijk de auto van verdachte is. Niet uitgesloten is immers dat verdachte de camera is gepasseerd op een moment waarvan geen camerabeelden beschikbaar zijn. Ook de auto die om 19.52.18 uur de camera passeert, komt volgens de verdediging in aanmerking als de auto van verdachte. Hiervan heeft echter het NFI geen snelheid bepaald.

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de feiten

Alcoholgebruik

Uit de ademanalyse is komen vast te staan dat verdachte in aanmerkelijke mate onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank. Zijn ademalcoholgehalte was 770 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, terwijl maximaal 220 microgram is toegestaan.

Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij in anderhalf uur tijd ongeveer 10 glazen bier heeft genuttigd. Gezien deze hoeveelheid bier in dit korte tijdsbestek staat vast dat verdachte aangeschoten of dronken was. Direct hierna is hij als bestuurder opgetreden. Een en ander vindt ook steun in de verklaring van getuige [naam].

Voorafgaande waarschuwing

De rechtbank zal de verklaring van getuige [naam], die inhoudt dat zij verdachte heeft gewaarschuwd om na zijn drankgebruik een taxi te nemen, niet tot het bewijs bezigen omdat de getuige niet consistent heeft verklaard. Zij heeft eerst aangegeven zich niet te herinneren met verdachte te hebben gesproken, terwijl zij later op een specifieke vraag van de verbalisant antwoordt dat zij vóór haar vertrek verdachte heeft gezegd een taxi te nemen. De rechtbank acht de verklaring derhalve onvoldoende betrouwbaar.

Echter, de rechtbank is van oordeel dat verdachte op een andere wijze terdege was gewaarschuwd voor de gevaren van het rijden onder invloed van alcohol. Verdachte is in het verleden reeds drie maal veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol en hij heeft de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA-cursus) gevolgd. Het is van algemene bekendheid dat deelnemers aan deze cursus indringend geïnformeerd worden over de risico’s van alcohol in het verkeer.

Snelheid van de auto

De rechtbank heeft ten aanzien van de snelheid het volgende overwogen.

Verklaring van verdachte

Verdachte verklaart dat hij 50 kilometer per uur heeft gereden. Hoewel hij niet op de kilometerteller heeft gekeken, weet hij dat hij op de Esdoornstraat altijd 50 kilometer per uur rijdt en dat hij dat ook op 11 maart 2011 heeft gedaan. Zijn passagier heeft ook geschat dat verdachte circa 50 kilometer per uur heeft gereden.

Verklaringen van de getuigen

Getuige [naam] verklaart te hebben gezien dat de auto heel hard aan kwam rijden en recht op de fietsers inreed. Getuige [naam] verklaart dat de auto heel erg snel door de wegversmalling bij het Comeniuscollege reed. Hij zag de auto met hoge snelheid op de drempel op de kruising Schieringerweg/Esdoornstraat rijden. Vervolgens zag hij de voorkant van de auto helemaal omhoog komen, waarbij de voorwielen loskwamen van de grond. Getuige hoorde dat de auto hard op de drempel neerkwam. Hij zag de auto na de drempel niet meer versnellen, maar hij vond dat deze nog steeds te hard reed.

Verkeersongevallenanalyse

De VOA heeft de toedracht van het ongeval, de snelheid en de technische staat van de voertuigen onderzocht. De VOA komt –kort weergegeven- tot de volgende bevindingen en conclusies. De botsing tussen de auto en de fietsers vond plaats net na het aflopende vlak van de enigszins verhoogde kruising. De bestuurder van de Gazelle kwam vermoedelijk met zijn achterhoofd in aanraking met de rechter dakstijl van de auto, en daarna met zijn schouders op de rechterzijde van de voorruit. Vervolgens werd hij via het dak omhooggeworpen en kwam hij achter de auto op de rijbaan terecht. De fiets werd ook omhoog geworpen en kwam achter de auto op de rijbaan terecht. Dat bestuurders van fietsen bij ongevallen via de voorruit omhoog geworpen worden, is volgens de VOA in documentatie en bij proeven beschreven. Hierbij zijn van belang de vorm van het voertuig, de snelheid, de onderlinge posities van de voertuigen, lichaamslengte en gewicht van de fietsers en hun houding op de fiets.

Aangezien de bestuurder van de Gazelle vrij lang was en vermoedelijk vrijwel rechtop zat, zou het heel goed mogelijk kunnen zijn dat de snelheid waarmee de auto hem raakte, vrij hoog is geweest. Bij hogere snelheden is het mogelijk dat personen op deze wijze omhoog geworpen worden.

Schade-inpassing

Voorts heeft de VOA met het KLPD onderzocht waarom de schade aan de achterzijde van de fietsen qua hoogte niet overeenstemde met de schade aan de voorzijde van de auto. Met telkens toenemende snelheid zijn ter plaatse van het ongeval met de betrokken auto negen rijproeven uitgevoerd, die digitaal zijn vastgelegd. Hieruit is gebleken dat de carrosserie van de auto bij lagere snelheid licht inveerde bij het afrijden van het verhoogde kruisingsvlak en vervolgens stabiliseerde. Bij hogere snelheden bleek echter dat de carrosserie hierbij meer in horizontale lijn "rechtdoor" ging, waarbij de wielophanging uitveerde en de rijbaan volgde. Onderzocht is, bij welke snelheid de schades aan de voertuigen het beste pasten. De conclusie luidt dat een nauwkeurige snelheid door deze proeven niet kan worden bepaald. Het verschil in schadehoogte kan wel aan de hand van dit verhoogde kruisingsvlak worden verklaard; de schades passen beter als met hogere snelheid wordt gereden. De hoogste gereden snelheid van 80 kilometer per uur zou het beste passen, omdat de uitvering van de carosserie dan op de meeste juiste positie na het kruisingsplateau plaatsvindt. VOA en KLPD komen dan ook tot de conclusie dat de auto van verdachte de toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur ruimschoots heeft overschreden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de processen-verbaal van VOA en KLPD duidelijk en controleerbaar zijn. In het proces-verbaal van de VOA zijn de sporen aan het wegdek en de voertuigen gedetailleerd beschreven. Het sporenbeeld bevestigt dat de botsplaats was gelegen net na het aflopende kruisingsvlak van Esdoornstraat en Schieringerweg. In dit proces-verbaal is op pagina 15 uitgebreid ingegaan op de schade-inpassing tussen de achterzijde van de fietsen en de voorkant van de auto. Per schadeplaats is telkens verwezen naar een foto, waardoor de inpassing ook controleerbaar is. Voorts heeft het KLPD in haar proces-verbaal inzichtelijk aangegeven hoe de conclusie is getrokken uit de digitale resultaten van de rijproeven. De ongevalsanalisten van de VOA hebben deze conclusie van de KLPD meegenomen in hun eigen oordeel en op navolgbare wijze gekoppeld aan hun eigen inschatting van de snelheid op basis van het sporenbeeld en de ongevalsdynamiek. Beide processen-verbaal kunnen derhalve naar het oordeel van de rechtbank tot het bewijs worden gebezigd.

Snelheidsberekening op grond van camerabeelden

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft aan de hand van de beelden van een bewakingscamera de snelheid berekend van een auto, model sedan, die op cameratijd 19:55:15 uur in beeld komt. Deze camera stond opgesteld op een school die circa 140 meter vóór de botsplaats aan de Esdoornstraat ligt. Het NFI heeft geconcludeerd dat de gemiddelde snelheid van de auto -met een tweezijdig betrouwbaarheidsinterval van 95 %- ligt tussen 87 en 95 kilometer per uur.

Vervolgens is op verzoek van de verdediging de heer [naam] aangesteld als verkeersongevallendeskundige. Na eigen onderzoek heeft hij in zijn rapport van 19 januari 2012 geconcludeerd dat het NFI de snelheid van de auto correct heeft bepaald. Hij heeft echter de vraag opgeworpen of de auto die rond 19.55.15 uur in beeld is, wel de betrokken auto is en of de fietsers die rond 19.53.45 uur in beeld zijn, wel de latere slachtoffers zijn.

Voorts heeft de deskundige de vraag opgeworpen of de klok van de bewakingscamera op

11 maart 2011 wel synchroon liep met de klok van de meldkamer. Zo niet, dan kan dat gevolgen hebben voor de berekening van de snelheid.

Naar aanleiding hiervan heeft de VOA op 4 maart 2012 aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Reeds op 7 april 2011 bleek nader onderzoek te hebben plaatsgevonden. Hieruit bleek dat de bewakingscamera 3 minuten en 17 seconden vóór liep op de klok van de meldkamer. Voorts heeft de VOA de werking van de camera nader onderzocht. Het bleek dat de bewakingscamera automatisch beweging detecteert. Bij beweging worden de beelden op een andere plek op de computer opgeslagen dan bij stilstaand beeld. Omdat dit niet tijdig was onderkend zijn de stilstaande beelden van 11 maart 2011 niet meer beschikbaar. Voorts is gebleken dat de camera wel alle auto's, maar niet alle fietsers detecteert. Als gevolg daarvan verspringt de cameratijd een aantal keren, waardoor zogenaamde ''hiaten'' in de tijd zijn ontstaan.

Ook het NFI heeft nader onderzoek uitgevoerd naar de vraag of andere auto’s op de camerabeelden wellicht in aanmerking komen als de Mercedes van de verdachte. Op basis van de vorm, positie van de achterlichten en kleur van de auto’s is gebleken dat hiervoor vijf auto’s in aanmerking kunnen komen:

Volgnummereerste beeld tijdlaatste beeld tijdtijdsverschil1519.52.1419.52.200.00.061719.52.3519.52.420.00.072019.55.1519.55.190.00.042119.55.5419.56.020.00.082219.56.0519.56.100.00.05

Ter zitting heeft de rechtbank de verkeersongevallenanalisten van de VOA, deskundige [naam deskundige] van het NFI en verkeersongevallendeskundige [naam] gehoord. Aan de hand van een door [naam deskundige] ontwikkelde methodiek, die alle deskundigen onderschreven, hebben de deskundigen zich ter zitting uitgelaten over de waarschijnlijkheid dat deze auto's met volgnummers 15, 17, 20, 21 en 22 bij het ongeval betrokken waren. Daarbij is uitgegaan van geschatte gemiddelde snelheden en is rekening gehouden met de hiaten in de camerabeelden. Deze berekeningen zijn door de deskundigen schriftelijk uitgewerkt en overgelegd aan de rechtbank. De deskundigen achtten het unaniem het meest waarschijnlijk dat auto 20, waarvan de snelheid door het NFI is bepaald, bij het ongeval is betrokken.

De verdediging heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het evenzeer mogelijk is dat de auto 21 –die aanmerkelijk langzamer reed- de auto van verdachte is. De rechtbank zal daarom de uitkomsten van de methodiek van de deskundigen in samenhang beschouwen met de tijd van de eerste 112-melding aan de meldkamer.

Overwegingen van de rechtbank inzake de snelheid

De rechtbank overweegt dat de tijd in de camerabeelden 3 minuten en 17 seconden voorliep op de klok van de meldkamer. De deskundigen hebben zich gebaseerd op deze cameratijd. Derhalve moeten 3 minuten en 17 seconden worden afgetrokken van de tijden in de berekeningen van de deskundigen om uit te komen op de meldkamertijd, die hierna als ‘werkelijke tijd’ wordt aangeduid.

Uit het aanvullend proces-verbaal van 9 maart 2012 blijkt dat de eerste 112-melding om 19.53.06 uur is binnengekomen bij de meldkamer. Binnen 40 seconden hierna kwamen nog twee meldingen binnen. De rechtbank maakt hieruit op dat het ongeval korte tijd vóór 19.53.06 uur heeft plaatsgevonden.

Voor de auto met volgnummer 15 geldt het volgende. Indien deze auto betrokken was bij het ongeval, zou het ongeval volgens de berekeningen van de deskundigen uiterlijk om 19.49.24 uur (werkelijke tijd) hebben plaatsgevonden. In dat geval zou het daarna minimaal 3 minuten en 42 seconden hebben geduurd voordat de melding bij de meldkamer binnenkwam. De rechtbank acht dit onaannemelijk, omdat getuige [naam] heeft verklaard dat vrij snel na het ongeval is gebeld en omdat de drie meldingen binnen 40 seconden na elkaar zijn gedaan. De rechtbank acht het daarom hoogst onwaarschijnlijk dat deze auto bij het ongeval betrokken is geweest.

Voor de auto met volgnummer 17 geldt dat de fietsers uiterlijk om 19.49.24 uur (werkelijke tijd) op de botsplaats zouden aankomen. De auto verdwijnt eerst om 19.49.25 uit het camerabeeld en moet dan nog 140 meter afleggen tot de botsplaats, die de fietsers dan al hebben gepasseerd. De rechtbank acht het, met de deskundigen, zeer onwaarschijnlijk dat deze auto bij het ongeval betrokken is geweest.

Voor de auto met volgnummer 20 geldt dat het ongeval heeft plaatsgevonden tussen 19.52.02 en 19.52.21 uur (werkelijke tijd). In dat geval heeft het tussen de 45 seconden en 1.02 minuut geduurd voordat de eerste melding bij de meldkamer werd gedaan. De rechtbank acht dit, gelet op hetgeen bij volgnummer 15 is overwogen, een aannemelijke tijd.

Voor de auto met volgnummer 21 geldt dat de fietsers om 19.53.05 uur (werkelijke tijd) op de plaats van het ongeval zouden zijn. De auto verlaat om 19.52.45 uur het beeld. Hij heeft dan nog 20 seconden om ongeveer 140 meter te overbruggen tot de botsplaats. Dit is mogelijk als de auto circa 25 kilometer per uur zou hebben gereden. Gelet op de getuigenverklaringen en het sporenonderzoek van de VOA acht de rechtbank dit hoogst onwaarschijnlijk. Bovendien zou de melding dan binnen 1 seconde na het ongeval bij de meldkamer zijn binnengekomen, hetgeen nagenoeg onmogelijk is. De verdediging heeft aangevoerd dat het ‘hiaat’ tussen de beelden ruimer moet worden genomen, omdat de fietsers zich ook in de donkere gedeelten links en rechts van het beeld zouden kunnen bevinden. Getuige-deskundige [naam] heeft echter ter zitting verklaard dat dit niet mogelijk is wanneer de fietsers licht voerden. De rechtbank acht het, gelet de getuigenverklaringen van [naam slachtoffer 2] en [naam], boven twijfel verheven dat de fietsers licht voerden. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer en acht het hoogst onwaarschijnlijk dat deze auto bij het ongeval betrokken is geweest.

Voor de auto met volgnummer 22 geldt dat de fietsers om 19.53.05 uur (werkelijke tijd) op de plaats van het ongeval zouden zijn. De auto heeft dan nog ongeveer 12 seconden om daar ook te arriveren. Dit is mogelijk indien die auto circa 42 kilometer per uur zou rijden. De melding zou dan echter binnen 1 seconde na het ongeval bij de meldkamer moeten zijn binnengekomen. Dit is nagenoeg onmogelijk, zodat het hoogst onwaarschijnlijk is dat deze auto bij het ongeval betrokken is geweest.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alleen de auto met volgnummer 20 in aanmerking komt als de auto van verdachte die bij het ongeval betrokken is geweest. Van deze auto heeft het NFI de snelheid bepaald; deze lag tussen 87 en 95 kilometer per uur.

Conclusie ten aanzien van de snelheid

De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaringen, het sporenonderzoek van de VOA, het onderzoek van het KLPD naar de schade-inpassing en het onderzoek van het NFI op basis van de camerabeelden in hun onderling verband en samenhang buiten twijfel stellen dat verdachte op het moment van de botsing heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur. De verklaringen van verdachte en zijn passagier over de snelheid zijn derhalve onaannemelijk.

Letsel van het slachtoffer [naam slachtoffer 2]

Uit de stukken blijkt dat het slachtoffer [naam slachtoffer 2] bij het ongeval een gebroken rechter bovenarm, een gebroken middenvoetsbeentje van de kleine teen van de rechtervoet, een wond op haar rechtervoet en een wond op haar achterhoofd heeft opgelopen. Voor de gebroken arm was een operatie noodzakelijk, waarbij pennen in haar arm zijn geplaatst. Deze pennen zijn in september 2011 operatief uit haar arm verwijderd. Gelet op de aard van dit letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Overwegingen ten aanzien van opzet en schuld

De officier van justitie heeft gesteld dat het opzet van verdachte gericht was op de dood van de fietsers, terwijl de raadsman meent dat enkel gesproken kan worden van bewuste schuld.

De rechtbank overweegt als volgt. Kenmerkend voor het verschil tussen opzet en bewuste schuld is, dat bij bewuste schuld sprake is van het nemen van risico's, waarbij de verdachte de risico’s kent maar erop rekent dat het wel goed zal aflopen. De verdachte die opzettelijk handelt, weet ook van die risico's, maar aanvaardt desondanks bewust de mogelijke gevolgen van zijn handelen en neemt die gevolgen op de koop toe. Van de verdachte die opzettelijk heeft gehandeld kan dus worden gezegd worden dat hij de gevolgen heeft gewild.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat verkeersdeelnemers doorgaans geen dood, letsel of schade willen veroorzaken bij anderen of zichzelf. Toch moet soms worden aangenomen dat een verdachte die een ongeval heeft veroorzaakt door zeer gevaarlijk rijden, opzet heeft gehad op de dood van de slachtoffers. Hiervan kan sprake zijn als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn rijgedrag het leven zullen verliezen. Of de verdachte zich in een concreet geval bewust heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans, kan worden aangenomen op grond van verklaringen van de verdachte of getuigen, maar kan ook worden aangenomen op grond van het verkeersgedrag van de verdachte en de bijzondere omstandigheden van het geval.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte zich voor of na het ongeval zo onverschillig heeft uitgelaten over de mogelijke gevolgen van zijn gedrag en zich daarover totaal niet heeft bekommerd, dat daaruit kan worden afgeleid dat zijn opzet gericht was op de dood van de slachtoffers.

Omtrent zijn verkeersgedrag is komen vast te staan dat hij een auto heeft bestuurd:

- terwijl hij fors onder invloed van alcohol was, terwijl hij door eerdere veroordelingen en het volgen van een EMA-cursus wist welke gevaren hieraan kleven;

- binnen de bebouwde kom, waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur was toegestaan, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur;

- vervolgens onvoldoende heeft uitgekeken, waardoor hij de fietsers niet heeft opgemerkt.

en tegen hen is aangereden, met fatale gevolgen.

De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden - hoe laakbaar ook - niet van dien aard zijn, ook niet in onderling verband beschouwd, dat daaruit onomstotelijk het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van de slachtoffers kan worden afgeleid. Ook bestudering van de jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 1. primair ten laste gelegde doodslag en de onder 2. primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

De mate van schuld

Ingevolge artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank de mate van schuld vast te stellen. Hierbij is van belang dat verdachte reeds driemaal is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol en dat hij de EMA-cursus heeft gevolgd. Hij was derhalve geïnformeerd over de risico's. Desondanks is hij in zijn auto naar een "vrijdagmiddagborrel" gereden en heeft hij in anderhalf uur tijd ongeveer 10 glazen bier genuttigd, waarna hij in zijn auto is gaan rijden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust onaanvaardbare risico's heeft genomen door onder invloed van een aanmerkelijke hoeveelheid alcohol en met hoge snelheid in de bebouwde kom een auto te besturen. Zulk zeer ernstig onzorgvuldig handelen is naar het oordeel van de rechtbank als roekeloos verkeersgedrag aan te merken.

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.

1. De verklaring van verdachte2, inhoudende:

Op 11 maart 2011 te Leeuwarden reed ik als bestuurder van een personenauto van het merk Mercedes over de Esdoornstraat, komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg. Ik ben het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg opgereden. Op een gegeven moment hoorde ik een harde klap en toen heb ik mijn personenauto tot stilstand gebracht. Toen ik uitstapte zag ik dat ik een vrouwelijke fietser had aangereden. Ze lag gewond op straat. Ik heb haar of een andere fietser niet voor mijn auto zien fietsen en ik heb derhalve niet geremd. Ik was die vrijdag naar een borrel op de Hemrik geweest. Ik ben daar ongeveer anderhalf uur geweest en ik heb daar direct vanaf het begin alcohol gedronken. Ik heb in totaal onderveer 10 glazen bier genuttigd en ben vervolgens als bestuurder in mijn personenauto gestapt. Op het politiebureau heb ik meegewerkt aan een ademanalyse, de uitslag was 770 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

Ik ben in het verleden driemaal eerder door de rechter veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol, ook heb ik in het verleden een EMA-cursus gevolgd.

2. De verklaring van verbalisanten3, inhoudende:

Op 11 maart 2011 te 20.00 uur kregen wij kennis van een verkeersongeval op de openbare weg, de Esdoornstraat, te Leeuwarden. Uit onderzoek bleek dat de bestuurder van een voertuig, Mercedes Benz, bij het ongeval was betrokken.

Ik, [naam verbalisant], heb op 11 maart 2011 te 20.09 uur van deze de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, als bedoeld in artikel 160, lid 5, van de Wegenverkeerswet 1994.

Als resultaat nam ik een alcoholindicatie boven de wettelijke vastgestelde limiet waar.

Op 11 maart 2011 te 20.35 uur heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [naam], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. De verklaring van goedkeuring behorende bij het apparaat, keuringsdatum 25 februari 2011, is geldig tot 9 september 2011. Aan verdachte is aanstonds medegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 770 ug/l bedroeg.

3. Een schriftelijk stuk, te weten het ticket ademanalyse4, inhoudende:

analysenummer : 1120

NMI eind datum : 09.09.2011

datum start : 11.03.2011

starttijd : 20.35

verdachte:

naam [naam]

voornaam : [voornaam]

bedienaar:

naam : [naam]

ademonderzoeksresultaat : 770 ug/l

4. De verklaring van verbalisant5, inhoudende:

Op 11 maart 2011 omstreeks 19.56 uur kwamen wij ter plaatse op de Esdoornstraat. Ik zag dat een manspersoon, later bleek dit de overledene, genaamd [naam slachtoffer 1] te zijn, levenloos op de grond lag en dat hij werd gereanimeerd. Ik zag op ongeveer drie meter van [naam slachtoffer 1] een beschadigde fiets. Ik zag dat onder andere het voorwiel dubbel was geklapt. Enkele tientallen meters verderop zag ik een donker gekleurde personenauto van het merk Mercedes midden op de rijbaan stilstaan, met de voorzijde in de richting van de Archipelweg. Tevens zag ik dat vanaf de kruising met de Schieringerweg, over de Esdoornstraat in de richting van de Duindoornstraat, zowel over de rijbaan als trottoir, meerdere beschadigde onderdelen van vermoedelijk een voertuig en/of rijwiel lagen verspreid. Ook zag ik dat enkele meters voor de Mercedes nog een persoon op de grond lag en dat enkele burgers over deze persoon stonden gebogen. Hierna zag en hoorde ik dat [naam slachtoffer 1] geen ademhaling had. Ook zag ik dat [naam slachtoffer 1] vermoedelijk ernstig letsel had aan zijn schedel en het rechteronderbeen. Ik zag een grote diepe wond tussen het rechteronderbeen en de rechtervoet van [naam slachtoffer 1].

5. De verklaring van de getuige [naam]6, inhoudende:

Ik liep op de Dennenstraat. Ik hoorde vanaf de richting Kanaalweg een auto aankomen. Ik zag dat twee fietsers uit diezelfde richting kwamen. Ik zag dat de verlichting van de fietsers werkte. Ik zag en hoorde dat de auto heel hard aan kwam rijden. Ik zag dat de auto recht op de fietsers inreed. Ik zag dat de fietsers werden aangereden door de auto die hier nu nog staat. Dat is de grijze Mercedes. Ik zag dat de fietsers meerdere meters werden weggeslingerd door de auto.

6. De verklaring van de getuige [naam]7, inhoudende:

Ik zag de auto met hoge snelheid op de drempel kruising Schieringerweg/Esdoornstraat rijden. Ik zag dat de voorkant van de auto helemaal omhoog komen. Ik zag dat de voorwielen los kwamen van de grond. Ik hoorde de auto op de drempel hard neerkomen. Ik zag de auto na de drempel niet meer versnellen. Ik vond wel dat deze nog steeds te hard reed. Ik zag en hoorde dat de auto een fietser aanreed. Ik zag dat deze fietser helemaal rechts reed van de weg. Ik zag dat de auto met zijn voorkant, ongeveer in de midden, de fietser achterop de bagagedrager raakte. Ik zag aan de verlichting van de auto dat deze niet remde. Meteen hierop zag ik vlak voor de fietser, die was aangereden, nog iemand fietsen. Deze fietser fietste rechts van de weg. Ik zag deze fietser aan de linkerkant van de weg rollen, omdat ze van de fiets was gereden en was geraakt door de auto. Ik zag een schoen achterop het dak van de auto neerkomen. Pas op dat moment zag ik de remlichten van de auto ontbranden. De auto stopte. Ik zag een man uitstappen vanuit de bijrijderzijde. Ik zag dat deze man dronken was. Ik zag de bestuurder uit de auto stappen. Ik zag ook dat deze man dronken was. Ik herkende dit dronken gedrag aan de manier van lopen. Ik zag dat de bestuurder naar de tweede aangereden fietser liep. Ik zag dat de eerste aangereden fietser een man was en de andere een vrouw.

7. De verklaring van de getuige [naam]8, inhoudende:

Op 11 maart 2011 was ik aan het werk aan de Esdoornstraat te Leeuwarden. Op een gegeven moment hoorde ik een harde klap van buiten komen. Ik ben na die harde klap naar buiten gelopen. Hier zag ik dat een persoon op de weg lag. Ik zag dat iets naar links een auto stond. Dit was een Mercedes. Ik ben hierna meteen naar binnengelopen om 112 te bellen. Toen ik buiten stond zag ik dat een man uit de Mercedes stapte. Ik zag dat de man aan de bestuurderszijde uitstapte.

8. De verklaring van de getuige [naam]9, inhoudende:

Op 11 maart 2011 ging ik met mijn ouders vanaf ons huis te Leeuwarden naar de Harmonie. Toen we weggingen zag ik dat onze buren [naam slachtoffer 2] en haar vader [naam slachtoffer 1] wegfietsten. Ik kan mij goed herinneren, dat de verlichting van beide fietsen van [naam slachtoffer 2] en haar vader goed werkte. Het waren twee felle achterlichten. Toen wij vervolgens wegreden zat ik [naam slachtoffer 2] en haar vader weer fietsen op de Grovestins op het fietspad en ik zag dat hun achterlichten nog steeds brandden.

9. De verklaring van de getuige [naam slachtoffer 2]10, inhoudende:

V: Weet je welke dag het was en hoe laat het was dat jij en je vader van huis gingen?

A: Het was vrijdag en het was iets na 19.40 uur.

V: Weet je de exacte datum nog?

A: 11 maart 2011

V: Weet je nog hoe jullie weggegaan zijn?

A: Op de fiets, ieder op een eigen fiets.

V: Weet je nog of jullie de fietsverlichting aanhadden?

A: Ja, we hadden allebei de fietsverlichting aan en deze brandde zowel voor als achter. Mijn vader was voordat wij vertrokken, hier nog mee bezig geweest en had de batterijen vervangen van de achterverlichting.

V: Jullie reden op de Esdoornstraat, hoe reden jullie?

A: Mijn vader en ik fietsten hier naast elkaar. Mijn vader fietste aan de kant van de weg en ik fietste aan de kant van het trottoir.

10. Een schriftelijk stuk, te weten een vertaling van de brief d.d. 12 maart 2011 van dr. [naam], chirurg, aan de huisarts11, inhoudende:

Op onze spoedeisende hulpafdeling zagen wij uw patiënte [naam slachtoffer 2].

datum : 11 maart 2011

verwezen door : 112 melding

reden : ongeval verkeer

dienstdoend specialist : [[naam].

lichamelijk onderzoek : rechter bovenarm fractuur, morgen OK

rechtervoet een ontvelling

hoofdwond behaarde achterhoofd 4 cm, gehecht

overig onderzoek : rechtervoet een afscheuringsfractuur

midden beens beentje van de kleine teen gebroken, gips

patiënte is opgenomen.

11. Een schriftelijk stuk, te weten een vertaling van de brief d.d. 22 september 2011 van [naam], chirurg, aan de huisarts12, inhoudende:

betreft: [naam slachtoffer 2]

Bovengenoemde patiënte werd op 21 september 2001 (rechtbank leest: 2011) het osteosynthesemateriaal uit haar in goede stand volledig geconsolideerde onderarm rechts verwijderd. De nabehandeling is functioneel.

12. De verklaring van verbalisanten13, inhoudende:

Het wegdek van de Esdoornstraat was ten tijde van het ongeval schoon en droog. Het wegdek vertoonde voor en ter plaatse van het ongeval geen oneffenheden welke van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

In onze aanwezigheid werd de lijkschouw op 12 maart 2011 in het mortuarium van het Medisch Centrum Leeuwarden te Leeuwarden verricht door gemeentelijke lijkschouwer en forensisch arts van de GGD Fryslân [naam].

Bij de schouw bleek dat het slachtoffer vermoedelijk als gevolg van een bloeding in de buik was overleden. Tevens had het slachtoffer een fikse hoofdwond achter op het hoofd. Deze verwonding was vrijwel zeker ontstaan door het contact met de bovenstijl aan de rechterbovenzijde van de voorruit. De breuk van de ribben en rechterschouderblad is mogelijk veroorzaakt door het contact met de voorruit van de Mercedes. Het letsel kon worden gerelateerd aan het ongeval.

Het ongeval is te wijten geweest aan gedragingen van de bestuurder van de Mercedes. Hoewel de route naar de ongevallocatie bij nacht goed overzichtelijk was, de straatverlichting was ontstoken en het feit dat de beide fietsers zeer waarschijnlijk licht voerden heeft de bestuurder van de Mercedes de fietsers niet of in ieder geval te laat opgemerkt.

Hij had met zijn voertuig over de Esdoornstraat in de richting van de Archipelweg gereden en botste kort na de kruising met de Schieringerweg met de voorzijde van zijn voertuig tegen de achterzijde van de twee fietsers. Na de botsing had de bestuurder geremd en zijn voertuig tot stilstand gebracht.

De beide fietsers hadden eerst gereden over het rechts van de rijbaan gelegen fietspad. Ter hoogte van de kruising met de Schieringerweg eindigde het fietspad en moesten zij vanaf dat fietspad na de kruising hun weg vervolgen op de rijbaan van de Esdoornstraat in de richting van de Archipelweg. Gezien de aangetroffen sporen fietsten zij naast elkaar of wat ook mogelijk was dat de bestuurster van de Union enigszins links voor de bestuurder van de Gazelle reed.

De botsing tussen de Mercedes en de twee fietsers vond plaats net na het aflopende vlak van de enigszins verhoogde kruising gevormd door de Esdoornstraat en de Schieringerweg. De bestuurder van de Gazelle kwam met de achterzijde van zijn hoofd in aanraking met de rechterbovenzijde van de ruit en de dakstijl. Vermoedelijk kwam hij met de schouders op de rechterzijde van de voorruit terecht. Vervolgens werd de bestuurder van de Gazelle via het dak omhoog geworpen en kwam hij uiteindelijk achter de Mercedes op de rijbaan van de Esdoornstraat terecht. De Gazelle werd ook omhoog geworpen, maar kwam niet meer in contact met de Mercedes. Ook de fiets kwam achter de Mercedes op de rijbaan terecht. De bestuurster van de Union kwam in aanraking met het linkerdeel van de voorruit en werd zeer waarschijnlijk met de Mercedes meegevoerd. Ze kwam uiteindelijk voor de Mercedes weer op de rijbaan terecht. Haar Union verhaakte vermoedelijk voor of gedeeltelijk onder de voorzijde van de Mercedes en werd voortgeduwd over de rijbaan. De krassporen liepen over de rijbaan naar links tot ongeveer 52,5 meter.

Dat bestuurders van fietsen bij ongevallen via de voorruit omhoog geworpen worden is in documentatie beschreven. Tevens zijn proefnemingen geweest, waarbij fietsen met opzittende pop op soortgelijke wijze worden aangereden als onderhavig geval. Hoe een persoon zich bij dit soort botsproeven gedraagt is van belang hoe de onderlinge positie van de betrokken voertuigen is. Ook zijn lichaamslengte en gewicht van de fietser en diens houding op de fiets van belang. Mede van invloed is de vorm van het voertuig en de gereden snelheid. Bij dit ongeval werden de fietsers van achteren aangereden. Gezien het feit dat de bestuurder van de Gazelle vrij lang was en op een fiets reed waarbij hij vermoedelijk vrijwel rechtop zat, zou het heel goed mogelijk kunnen zijn dat de snelheid waarmee de Mercedes tegen de fietser botste vrij hoog is geweest. Bij hogere botssnelheden is het mogelijk dat personen op dezelfde wijze in contact komen met de voorruit en daarna omhoog geworpen worden.

Bij de onderzoeken die in samenwerking met het KLPD zijn uitgevoerd bleek dat de Mercedes zich zodanig gedroeg dat bij lagere snelheid de carrosserie na het afrijden van het aflopende vlak van het verhoogde kruisingsvlak licht inveerde en vervolgens stabiliseerde. Bij hogere snelheden bleek dat de carrosserie tijdens het afrijden van dat vlak meer in horizontale lijn "rechtdoor" ging en de wielophanging als het ware uitveerde en de rijbaan volgde. Gezien het ongevalverloop, de wegwerpafstanden van de Gazelle en diens bestuurder, het dodelijk letsel van deze bestuurder, de uiteindelijke eindpositie van de Mercedes en de proefnemingen kan gesteld worden dat de bestuurder van de Mercedes de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur ruimschoots heeft overschreden.

13. De verklaring van verbalisant14, inhoudende:

De medewerkers van de regionale ongevallendienst hebben een schadepassing uitgevoerd tussen de betrokken Mercedes en de betrokken fietsen. In ruststand, op een horizontaal vlak, bleken de schades op de voertuigen voor wat betreft de hoogte niet overeen te komen. De schade op de fietsten was te hoog.

De in- of uitvering van de wielophanging van de Mercedes wordt veroorzaakt door het oprijden van het verhoogde plateau. Onderlinge verschillen voor wat betreft het effect van in- of uitveren treden op bij verschillen in snelheid.

De conclusie die getrokken kan worden naar aanleiding van de uitgevoerde rijproeven met de betrokken Mercedes is de volgende.

Een nauwkeurige snelheidsbepaling kan met de uitgevoerde proeven en een analyse van de verzamelde gegevens niet worden gegeven.

Het verschil in schadehoogte kan aan de hand van het verhoogde plateau worden verklaard. De schades passen beter als met een hogere snelheid wordt gereden. In de uitgevoerde proeven zou de hoogste gereden snelheid (80 km/h) het beste passen. In dit geval vindt namelijk de uitvering van de personenauto op de meeste juiste positie na het plateau plaats.

14. De verklaring van de NFI-deskundige15, inhoudende:

In dit rapport is de volgende opdracht in behandeling genomen:

Snelheidsbepaling van een door beeld rijdende personenauto over een wegtraject van de Esdoornstraat te Leeuwarden. De personenauto is van het merk Mercedes op de beeld 19.55.15 uur.

De beelden zijn bekeken en er zijn vergelijkingsopnamen gemaakt van een voorbijrijdende auto met verschillende vaste snelheden, om een schatting te kunnen maken van de nauwkeurigheid van de gehele meetprocedure. Vervolgens is aan de hand van de afgelegde snelheid en de verstreken tijd tussen de beelden de snelheid berekend.

conclusie: De gemiddelde snelheid van de auto over een traject van circa 38 meter kan worden bepaald met een tweezijdig betrouwbaarheidsinterval van 95 %. De grenzen van dit interval zijn bepaald op: minimaal 87 kilometer per uur en maximaal 95 kilometer per uur.

15. De verklaring van verbalisanten16, inhoudende:

Door ons is een nader onderzoek ingesteld met betrekking tot de tijd (klok) van de bewakingscamera ten opzichte van de tijd van de 112 centrale die destijds nog stond op de Meldkamer Friesland aan de Holstmeerweg 3 te Leeuwarden. Er bleek een tijdsverschil tussen de bewakingscamera-tijd en de tijd van de 112 centrale te zijn van 3,17 minuten. De bewakingscamera liep 3,17 minuten voor op de klok van de 112 centrale.

15. De verklaring van verbalisant17, inhoudende:

Op vrijdag 11 maart 2011 vond er een verkeersongeval plaats op de Esdoornstraat te Leeuwarden. Op 8 maart 2012 werd het verzoek ontvangen om onderzoek te doen naar de tijdstippen van de gedane melding en/of meldingen na het verkeersongeval op deze vrijdag 11 maart 2011.

Er werden door mij telefonische gegevens ontvangen van [naam], werkzaam als coördinator informatie managment ICT meldkamer Noord-Nederland te Drachten.

eerste melding: vrijdag 11 maart 2011 te 19.53.06 uur bij de 112 centrale van de politie met als melder [naam];

tweede melding: vrijdag 11 maart 2011 te 19.53.15 uur bij de 112 centrale van de politie met als melder Schermer;

derde melding: vrijdag 11 maart 2011 te 19.53.46 bij de 112 centrale van de politie met als melder [naam].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 11 maart 2011 te Leeuwarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Esdoornstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden over de Esdoornstraat komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg,

- waarbij verdachte reed met een snelheid van ongeveer 80 km/uur (in ieder geval hoger dan de toegestane snelheid van 30 km/uur) en verdachte vervolgens het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg met snelheid is opgereden,

- zulks terwijl [naam slachtoffer 1] die zich bevond op een fiets op het fietspad gelegen naast de Esdoornstraat rijdende vanuit de richting van de Kanaalstraat en gaande in de richting van de Archipelweg en dit fietspad had verlaten om zijn weg te vervolgen via het kruisingsvlak Esdoornstraat en de Schieringerweg, dit kruisingsvlak is opgereden en afgereden,

- waarbij verdachte vervolgens met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de door [naam slachtoffer 1] bestuurde fiets is aangereden, waardoor [naam slachtoffer 1] werd gedood,

- zulks terwijl die [naam slachtoffer 1] verlichting voerde op zijn fiets en het wegdek ten tijde van het ongeval schoon en droog was en de straatverlichting brandde en de kruising Esdoornstraat/Schieringerweg overzichtelijk was,

- zulks terwijl verdachte verkeerde onder de invloed van een aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, te weten 770 ug/l;

2. subsidiair

hij op 11 maart 2011 te Leeuwarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Esdoornstraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden, over de Esdoornstraat komende uit de richting van de Kanaalweg en gaande in de richting van de Archipelweg

-rijdende met een snelheid van ongeveer 80 km/u (in ieder geval hoger dan de toegestane snelheid van 30 km/uur) en verdachte vervolgens het verhoogde kruisingsvlak van de Esdoornstraat en de Schieringerweg met snelheid is opgereden

-zulks terwijl die [naam slachtoffer 2] die zich bevond op een fiets op het fietspad gelegen naast de Esdoornstraat rijdende vanuit de richting van de Kanaalstraat en gaande in de richting van de Archipelweg en dit fietspad had verlaten om haar weg te vervolgen via het kruisingsvlak Esdoornstraat en de Schieringerweg, dit kruisingsvlak is opgereden en afgereden waarbij verdachte vervolgens met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de door die

[naam slachtoffer 2] bestuurde fiets is aangereden en waarbij de fiets waarop die [naam slachtoffer 2] reed, verhaakte voor, of gedeeltelijk onder de voorzijde van de door verdachte bestuurde auto en waarbij die fiets werd voortgeduwd over de rijbaan en waarbij die [naam slachtoffer 2] op de voorruit van de auto is terechtgekomen en door de auto is meegevoerd,

- zulks terwijl die [naam slachtoffer 2] verlichting voerde op haar fiets en het wegdek ten tijde van het ongeval schoon en droog was en de straatverlichting brandde en de kruising Esdoornstraat/Schieringerweg overzichtelijk was,

- zulks terwijl verdachte verkeerde onder de invloed van een aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, te weten 770 ug/l,

- waardoor aan [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechterbovenarm en een gebroken middenvoetsbeentje van de kleine teen van de rechtervoet en een wond op de rechtervoet en een wond op het achterhoofd werd toegebracht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. subsidiair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2. subsidiair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, het reclasseringsadvies van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) en het psychologisch rapport d.d. 5 december 2011;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft door roekeloos rijden een zeer zwaar verkeersongeval veroorzaakt. Onder invloed van alcohol en veel te snel rijdend heeft verdachte in zijn auto twee fietsers aangereden. Als gevolg daarvan is de heer [naam slachtoffer 1] overleden en heeft zijn dochter

[naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het leed dat aan de nabestaanden is toegebracht, is ernstig en onherstelbaar. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat de overleden heer [naam slachtoffer 1] gelukkig getrouwd was, en vader was van vier kinderen. Hij stond midden in het leven. Het zwaargewonde slachtoffer [naam slachtoffer 2] heeft het verlies van haar vader moeten dragen en ingrijpende operaties moeten ondergaan. Zelfs als de lichamelijke gevolgen op den duur genezen, zal zij de psychische gevolgen voorgoed ondervinden. Schrijnend - voor de nabestaanden maar ook voor het rechtsgevoel - is dat verdachte al driemaal was veroordeeld voor rijden onder invloed. Het CBR had hem al eens een EMA-cursus opgelegd, waarin ook de gevaren van drank in het verkeer zijn behandeld. Het heeft niet mogen baten.

Volgens het reclasseringsadvies is verdachte na faillissementen van zijn straatmakerbedrijven in financiële problemen geraakt en heeft hij een alcoholprobleem ontwikkeld. Na het ongeval is verdachte acuut gestopt met de drank. Vanwege ernstige schuldgevoelens heeft verdachte psychiatrische hulp gezocht. Ook zijn gezin kreeg bijstand vanwege de impact van het ongeval. Verdachte heeft veel last van schuld en schaamte en accepteert dat hij gestraft zal worden. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf, met verplicht reclasseringstoezicht en een leefstijltraining gedurende de proeftijd. De psycholoog heeft gerapporteerd dat verdachte leed aan een ziekelijke stoornis, te weten milde alcoholafhankelijkheid, en antisociaal gedrag vertoonde in de vorm van rijden onder invloed. Dit gedrag werd niet veroorzaakt door een psychische stoornis, zodat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Na het ongeval heeft verdachte een posttraumatisch stresssyndroom ontwikkeld. Hij maakt zich zeer veel verwijten.

Bij de straftoemeting gaat de rechtbank uit van de landelijke oriëntatiepunten. Bij roekeloos rijden met een ademalcoholgehalte boven 570 microgram, waardoor een slachtoffer is gedood, is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en een rijontzegging gedurende vijf jaren. Het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel onder zulke omstandigheden kent een oriëntatiepunt van twee jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging gedurende vier jaren. Die straffen mogen niet eenvoudigweg worden opgeteld: het strafnut neemt af naarmate de duur van de straf toeneemt.

De rechtbank overweegt dat verdachte zal moeten leren leven met een zware last op zijn geweten. Anderzijds leggen de persoonlijke omstandigheden bij een zo ernstig vergrijp minder gewicht in de schaal. Voorts is vergelding een zelfstandig strafdoel en moeten potentiële daders worden afgeschrikt. Alles overwegend acht de rechtbank passend een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren.

In beslaggenomen goederen

De rechtbank acht de in beslaggenomen auto van het merk Mercedes Benz vatbaar voor verbeurdverklaring nu de feiten met deze auto zijn begaan en deze toebehoort aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1. voorts:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de duur van vijf jaren.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslaggenomen personenauto van het merk Mercedes Benz.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2012.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PL02GL 2011025073, gesloten op 5 juni 2011.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2012.

3 Een proces-verbaal misdrijf, d.d. 19 maart 2011, pagina's 138-139.

4 Een schriftelijk stuk, te weten het ticket ademalcoholanalyse d.d. 11 maart 2011, pagina 36.

5 Een proces-verbaal bevindingen, d.d. 12 maart 2011, pagina's 82-83.

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam]], d.d. 11 maart 2011, pagina 47.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam], d.d. 12 maart 2011, pagina's 50-51.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam], d.d. 12 maart 2011, pagina;s 43-44.

9 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam], d.d. 13 maart 2011, pagina 66.

10 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam slachtoffer 2], d.d. 15 april 2011, pagina's 73 t/m 75.

11 Een schriftelijk stuk, te weten een vertaling van de brief d.d. 12 maart 2011 van dr. [naam], chirurg, aan de huisarts.

12 Een schriftelijk stuk, te weten een vertaling van de brief d.d. 22 september 2011 van [naam], chirurg, aan de huisarts.

13 Een proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, d.d. 27 juli 2011, pagina's 7, 9, 17, 19 en 20 van dit proces-verbaal.

14 Een proces-verbaal van het KLPD, d.d. 25 juli 2011, pagina's 12 en 13 van dit proces-verbaal.

15 Een rapport van het NFI, d.d. 22 september 2011, pagina's 3, 4, 7 en 10 van dit rapport.

16 Een proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, d.d. 4 maart 2012, pagina's 3 en 4 van dit proces-verbaal.

17 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 maart 2012, pagina's 1 en 2 van dit proces-verbaal.