Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BV9294

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/1594, 10/1836, 10/2349, 11/130 en 11/929
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0646, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschadeverzoeken in verband met realisering nieuwe woonwijk op voorheen agrarische gronden.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/1594, 10/1836, 10/2349, 11/130 en 11/929

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2012 in de zaken tussen

Stichting Elkien (voorheen: Stichting de Friese Greiden Groep),

gevestigd te Bolsward,

eiseres,

gemachtigde: T.A.P. Langhout, werkzaam bij Langhout & Wiarda Juristen Rentmeesters te Oranjewoud,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim,

verweerder,

gemachtigde: C. de Visser-[G], werkzaam bij de gemeente Boarnsterhim.

Als derde-partij hebben aan de gedingen deelgenomen: [A] en [B] (zaak AWB 10/1594), [C] (zaak AWB 10/1594), [D] (zaak AWB 10/1836), [E] (zaak AWB 10/2349), [F] (zaak AWB 11/130), [G] (zaak AWB 11/130) en [H] (zaak AWB 11/929), allen wonende te Reduzum.

Procesverloop

Bij brieven van 15 juli 2010, 22 juli 2010, 18 oktober 2010, 14 december 2010 en 12 april 2011 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluiten op bezwaar betreffende de toekenning van planschadevergoedingen aan voornoemde derde-partijen (hierna: de bestreden besluiten).

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder AWB 10/1594, AWB 10/1836, AWB 10/2349, AWB 11/130 en AWB 11/929.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting adviesbureau Stichting Advisering Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam, en mr. A.T.S. Neutel, werkzaam bij het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur (KOB) te Assen. Verder zijn [C], [D] en [E] verschenen.

Overwegingen

1. Op 15 november 1994 heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Reduzum" vastgesteld. Dit plan is op 8 maart 1995 goedgekeurd door GS van Fryslân (hierna: GS). Op 24 februari 1998 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Dit plan is op 16 oktober 1998 goedgekeurd door GS.

Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het college aan eiseres van deze bestemmingsplannen vrijstelling verleend voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein ten zuiden van de woonwijk Súd te Reduzum en de bouw van dertig woningen (woonwijk It Swinlan). De gronden waarop de nieuwe woonwijk is geprojecteerd, hebben op grond van voornoemde bestemmingsplannen een agrarische bestemming ("Agrarische doeleinden" op grond van het bestemmingsplan "Reduzum" en "Agrarisch gebied" op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied").

2. In verband met de realisering van de woonwijk heeft eiseres met de gemeente Boarnsterhim in oktober 2006 een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten op basis waarvan eiseres planschadeclaims moet voldoen. Tussen begin mei 2008 en eind april 2010 hebben de derde-partijen het college verzocht om een planschadevergoeding wegens de waardevermindering van hun woningen als gevolg van de komst van de nieuwe woonwijk. De derde-partijen wonen aan [straatnaam] te Reduzum, uitgezonderd [C] die woont aan [straatnaam] te Reduzum.

3. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het college aan [A] en [B] een planschadevergoeding van € 30.000 toegekend. Bij besluit van eveneens 26 februari 2009 heeft het college aan [C] een planschadevergoeding van eveneens

€ 30.000 toegekend. Bij besluit van 4 februari 2010 heeft het college aan [D] een planschadevergoeding van € 25.000 toegekend. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college aan [E] een planschadevergoeding van € 18.750 toegekend. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college aan [F] een planschadevergoeding van € 17.000 toegekend. Bij besluit van eveneens 24 juni 2010 heeft het college aan [G] een planschadevergoeding van € 15.500 toegekend. Tenslotte heeft het college bij besluit van 11 november 2010 aan [H] een planschadevergoeding van

€ 17.000 toegekend.

De aan [A] en [B] en [C] toegekende planschadevergoedingen zijn gebaseerd op het SAOZ-advies van januari 2009. De aan [D] toegekende planschadevergoeding is gebaseerd op het SAOZ-advies van november 2009. De aan [E] toegekende planschadevergoeding is gebaseerd op het KOB-advies van 4 maart 2010. De aan [F] en [G] toegekende planschadevergoedingen zijn gebaseerd op het KOB-advies van 11 mei 2010. De aan [H] toegekende planschadevergoeding is gebaseerd op het KOB-advies van 14 oktober 2010.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.

4. Met betrekking tot de planschadeverzoeken van [A], [B] en [C] heeft de gemachtigde van eiseres in de bezwaarfase op 29 april 2009 een contra-expertise opgesteld. Hierin heeft hij geconcludeerd tot een planschadevergoeding van € 18.000 voor [A] en [B] en een planschadevergoeding van € 17.000 voor [C]. Met betrekking tot de overige planschadeverzoeken heeft de gemachtigde van eiseres steeds verwezen naar deze contra-expertise.

Naar aanleiding van deze contra-expertise heeft de SAOZ op 30 juni 2009 met betrekking tot de planschadeverzoeken van [A], [B] en [C] nader advies uitgebracht. Met betrekking tot de overige zaken is geen apart nader advies uitgebracht.

5. Bij besluit op bezwaar van 15 juli 2010 heeft het college de aan [D] toegekende planschadevergoeding van € 25.000 gehandhaafd. Bij besluit op bezwaar van 22 juli 2010 heeft het college de aan [A] en [B] en [C] toegekende planschadevergoedingen van € 30.000 verminderd naar € 25.000, overeenkomstig het nadere SAOZ-advies van 30 juni 2009. Bij besluit op bezwaar van 18 oktober 2010 heeft het college de aan [E] toegekende planschadevergoeding van

€ 18.750 gehandhaafd. Bij besluit op bezwaar van 14 december 2010 heeft het college de aan [F] en de Vries toegekende planschadevergoedingen van respectievelijk € 17.000 en € 15.500 gehandhaafd. Bij besluit op bezwaar van 12 april 2011 heeft het college de aan [H] toegekende planschadevergoeding van € 17.000 gehandhaafd. Voornoemde besluiten zijn genomen in overeenstemming met de adviezen van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie.

6. Gelet op de datum waarop de planschadeverzoeken zijn ingediend en de datum van het vrijstellingsbesluit, heeft verweerder het verzoek van [A] en [B] en het verzoek van [C] opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De overige verzoeken zijn opgevat als verzoeken als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 16 november 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BU4594, dient voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de WRO of artikel 6.1 van de Wro te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een betrokken in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende regime. Daarbij is voor wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

8. Eiseres heeft voor wat betreft de planschadeverzoeken die door verweerder zijn voorgelegd aan het KOB gesteld dat bij de planvergelijking ten onrechte de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden van het oude planologische regime niet zijn meegenomen.

Dit betoog faalt. Zoals het KOB heeft aangegeven in het ten aanzien van het planschadeverzoek van [F] gegeven advies van 11 mei 2010, mogen op basis van de Wro, zoals uit de tekst van die wet volgt, zowel in het oude als het nieuwe planologische regime opgenomen binnenplanse vrijstellingen niet bij de planvergelijking worden betrokken, indien deze binnenplanse vrijstellingen niet zijn verwezenlijkt. Op grond van de Wro kan planschade worden geclaimd op grond van een verwezenlijkte binnenplanse vrijstelling. Op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro is een gewijzigd planologisch regime als gevolg van het verlenen van een binnenplanse vrijstelling een zelfstandige grond voor het indienen van een planschadeverzoek.

9. Eiseres heeft voor wat betreft de invulling van het nieuwe planologische regime, als gevolg van het vrijstellingsbesluit, aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van de maximale invulling van de groenstrook, zoals die voorkomt op de plankaart bij het vrijstellingsbesluit. Indien de groenstrook planologisch maximaal wordt ingevuld, heeft deze groenstrook een afschermende werking en werkt de groenstrook als een planologische buffer naar onder meer de woningen van de derde-partijen. De aantasting van de privacy van de derde-partijen is hierdoor minder groot dan verweerder veronderstelt. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond ingetrokken, in het licht van onder meer de AbRS-uitspraak van 23 maart 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BP8754 (Peel en Maas).

10. Eiseres en verweerder verschillen van mening over de maximale planologische invulling van het oude planologische regime, en dan met name van het bestemmingsplan "Reduzum".

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het bestemmingsplan "Reduzum" zijn de gronden waarop de woonwijk (inmiddels) gerealiseerd is, bestemd voor onder meer aan de grond gebonden veehouderijbedrijven, akkerbouw- en tuinbedrijven en kwekerijen van gewassen. Op grond van artikel 8, derde lid, onder b, van het bestemmingsplan "Reduzum" mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd voor de in het eerste lid omschreven doeleinden (sub 1). De bouwhoogte van buiten het bebouwingsvlak opgerichte bouwwerken mag maximaal drie meter bedragen (sub 2). De rechtbank oordeelt dat op basis van deze bepalingen de oprichting van een omheining of een zogenoemde windvanger van maximaal drie meter hoog ten behoeve van bijvoorbeeld een fruitteeltbedrijf tot de planologische mogelijkheden behoorde. De SAOZ heeft dit in haar nadere advisering (zie het nadere advies van de SAOZ in de zaak AWB 10/1594) ook onderkend en aangegeven dat onder het oude planologische regime, vanwege het mogen oprichten van een omheining of windvanger van drie meter hoog, in planologische zin al geen sprake was van een weids uitzicht voor de derde-partijen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat eiseres en verweerder het erover eens zijn dat de omheining of de windvanger vrijwel aansluitend op de perceelsgrens (de grens tussen de betreffende gronden en de percelen van de derde-partijen) opgericht kon worden.

11. Vervolgens is aan de orde de hoogte van de planschadevergoeding, uitgaande van de juiste planvergelijking als hiervoor aangegeven.

Verweerder heeft zich in de ten aanzien van [A] en [B] en [C] genomen bestreden besluiten met een verwijzing naar het nadere advies van de SAOZ op het standpunt gesteld dat vanwege de planologische mogelijkheid tot het oprichten van een windvanger van drie meter hoog de aan deze personen toegekende vergoedingen verminderd moet worden met € 5.000, naar elk € 25.000.

Eiseres betoogd met een verwijzing naar de contra-expertise van haar gemachtigde dat vanwege de planologische mogelijkheid tot het oprichten van een windvanger van drie meter hoog de aan [A] en [B] toegekende vergoeding verminderd moet worden met € 13.000, naar een bedrag van € 17.000. Voor wat betreft [C] heeft verweerder betoogd, opnieuw verwijzend naar de contra-expertise van haar gemachtigde, dat de aan [C] toegekende vergoeding verminderd moet worden met € 12.000, naar een bedrag van € 18.000. Ter zitting is eiseres echter terugkomen op dit standpunt en heeft zij betoogd dat vanwege de mogelijkheid tot het oprichten van een windvanger van planologisch nadeel en dus van planschade eigenlijk geen sprake is en dat dit geldt voor alle derde-partijen.

12. De rechtbank verwerpt de opvatting van eiseres dat van planologisch nadeel en van planschade voor de derde-partijen in het geheel geen sprake is. Dit eerst ter zitting ingenomen standpunt verhoudt zich ook niet met de opvattingen van de SAOZ en het KOB, daargelaten tot welke planschadevergoedingen zij in elk individueel geval hebben geconcludeerd. Bovendien heeft eiseres de wijziging van haar standpunt niet onderbouwd. Dat de SAOZ de stelling van de gemachtigde van eiseres ten aanzien van de windvanger heeft overgenomen, naar het oordeel van de rechtbank terecht, is op zich onvoldoende voor de conclusie dat van planschade in het geheel geen sprake is. De rechtbank verwerpt ook de opvatting van verweerder dat de planologische mogelijkheid tot het oprichten van een windvanger gewaardeerd moet worden met een vermindering van de toegekende vergoedingen met € 5.000. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het KOB de mogelijkheid van een windvanger wel heeft betrokken bij de beoordeling van de aan haar voorgelegde planschadeverzoeken en vervolgens heeft geconcludeerd tot vergoedingen variërend tussen € 15.500 ([G]) en

€ 18.750 ([E]). Mede gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de vergoedingen die aan [A] en [B], [C] en [D] bij de primaire besluiten zijn toegekend te verminderen naar elk € 20.000. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat, anders dan eiseres heeft gesteld, op grond van het voorheen geldende planologische regime van intensieve fruitteelt, een grootschalig kassencomplex, geen sprake kon zijn.

13. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen met nummer AWB 10/1594 ([A] en [B] en [C]) en AWB 10/1836 ([D]) gegrond zijn. De rechtbank vernietigt de ten aanzien van deze derde-partijen genomen bestreden besluiten en herroept de ten aanzien van deze derde-partijen genomen primaire besluiten. De rechtbank bepaalt de vergoeding voor deze derde-partijen op elk € 20.000. Verweerder hoeft dus niet opnieuw te beslissen op de planschadeverzoeken van deze derde-partijen. De overige beroepen zijn ongegrond.

14. Omdat de rechtbank de beroepen met nummers AWB 10/1594 en AWB 10/1836 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar in die zaken betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres terzake van de beroepen met nummers AWB 10/1594 en AWB 10/1836 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874 in zaak AWB 10/1594 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Dit geldt ook voor zaak AWB 10/1836. Andere kosten zijn niet gesteld. De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus € 1.748.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met nummers AWB 10/1594 en AWB 10/1836 gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten ten aanzien van de derde-partijen [A] en [B], [C] en [D];

- bepaalt de planschadevergoeding voor [A] en [B], [C] en [D] op elk € 20.000;

- draagt verweerder op het door eiseres in de beroepen met nummer AWB 10/1594 en AWB 10/1836 betaalde griffierecht van in totaal € 596 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ter zake van de beroepen met nummers AWB 10/1594 en AWB 10/1836 tot een bedrag van in totaal € 1.748, te betalen aan eiseres;

- verklaart de beroepen met nummers AWB 10/2349, AWB 11/130 en AWB 11/929 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mr. E.M. Visser en mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.