Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BV7209

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
97662 - HA ZA 09-561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Opzet tot brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 97662 / HA ZA 09-561

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken van 22 februari 2012

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

LEERFASHION MODECENTRUM GENEMUIDEN,

gevestigd te Genemuiden,

2. [A],

wonende te [woonplaats],

3. [B],

wonende te [woonplaats],

4. [C],

wonende te [woonplaats],

eisers,

hierna afzonderlijk te noemen: Leerfashion, [A], [B] en [C] en gezamenlijk te noemen Leerfashion c.s.,

advocaat: mr. J.V. van Ophem te Leeuwarden,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij U.A.

ALGEMENE FRIESE ONDERLINGE SCHADEVERZEKERINGS-MAATSCHAPPIJ "ZEVENWOUDEN" U.A.,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

hierna te noemen: Zevenwouden,

advocaat: mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 oktober 2010

- het deskundigenbericht

- de conclusie na deskundigenbericht van Leerfashion c.s.

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Zevenwouden.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De inhoud van voornoemd tussenvonnis dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.2. Bij meergenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank bevolen dat door de in dit vonnis benoemde deskundige - de heer [X] - een deskundigenbericht zal worden uitgebracht ter beantwoording van in het tussenvonnis genoemde vragen:

2.3. In zijn deskundigenbericht heeft de deskundige onder meer het navolgende gemeld:

"2.6. Stukken waarnaar in het deskundigenbericht wordt verwezen

In dit deskundigenbericht wordt onder meer verwezen naar ontbrandingstemperaturen en brandgedrag van (kunst)stoffen. Deze informatie is onder meer terug te vinden in het handboek voor het brandonderzoek Uit de brand van de hand van drs. L.J. Bijl ISBN 90 6040 888 8, 2e druk 1989, blz. 70, 231 e.v.). De heer Bijl was als onderzoeker verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Het boek beschrijft onder meer het interpreteren van de verschijnselen die tijdens een brand ontstaan, chemische en fysische grondbegrippen en de praktische aspecten van het brandonderzoek. Het boek wordt gebruikt bij de Opleiding tot Technisch Rechercheur en Deskundige A onderzoeken aan het Instituut Criminaliteitsbeheersing te Zutphen en dient gezien te worden als een handboek voor de brandonderzoeker.

(…)

Op basis van mijn beschouwing, kunnen de voorgelegde vragen als volgt worden beantwoord:

I. Kunt u, na onderzoek van alle door partijen beschikbaar gestelde onderzoeksresultaten en overige bescheiden, die zicht (kunnen) geven op de oorzaak en het ontstaan van de brand, zo concreet mogelijk aangeven wat naar uw deskundig oordeel de oorzaak is geweest van het ontstaan van de brand op 31 maart 2008 in het magazijn achter de kledingzaak van Leerfashion?

De brandhaard in magazijn I (ontstaansgebied I) heeft zich aantoonbaar niet in de richting van het kelderluik verspreid en ter plaatse van het kelderluik worden geen sporen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een verticale branduitbreiding naar de ondergelegen kelderruimte (ontstaansgebied II). Het ontbreken van deze sporen leidt naar de conclusie dat hier sprake is van twee separate brandhaarden welke elkaar niet kunnen hebben ingeleid of beïnvloed en waarbij een elektrische of mechanische oorzaak geheel kan worden uitgesloten. Derhalve moeten de beide brandhaarden het gevolg zijn van menselijk handelen in casu dat hier sprake is van brandstichting waarbij het verplaatsen van de (ingeschakelde) bouwlamp kan duiden op het bewust achterlaten van een ontstekingsbron naar het ontstaansgebied I kennelijk werd daarmee een vertraagde ontsteking beoogd.

Uit de proefnemingen blijkt onomstotelijk dat het opwarmen van een kwaliteit polypropyleen tapijt en karton al na 2 minuten leidt tot een onmiskenbare scherpe en doordringende stank en zichtbare rookontwikkeling. In onderhavige kwestie op gang gekomen op korte afstand van de route welke door het personeel omstreeks 18.00 uur werd gevolgd op weg naar de garderobe en het uitschakelen van de magazijnverlichting. Dat men hierbij niets heeft opgemerkt, bewijst naar mijn oordeel dat de brand niet vóór 18.00 uur die bewuste 31e maart 2008 kan zijn ontstaan, maar later, hetgeen past in het tijdstip van activering van de rookmelder in het magazijn om 18.23.50 uur. Naar mijn oordeel is het zeer waarschijnlijk dat de brand moet zijn aangestoken na het gezamenlijk vertrek van het personeel omstreeks 18.00 uur en kort vóór het activeren van de rookmelder om 18.23.50 uur.

II. Wilt u daarbij ook bijzondere aandacht schenken aan de vragen hoe de bouwlamp naar waarschijnlijkheid was geplaatst, welke afstand de bouwlamp had tot brandbare materialen, de mate van brandbaarheid van die materialen, de warmte die dergelijke bouwlampen afgeven en de snelheid waarmee bedoelde materialen tot ontbranding kunnen komen, in relatie tot de afstand tot de bouwlamp.

De gevaarzetting van een bouwlamp is op grond van de resultaten van de door mij uitgevoerde proefnemingen vastgesteld. Gebleken is dat brandgevaar ontstaat als een ingeschakelde bouwlamp op minder dan 20 cm van een brandbare omgeving wordt geplaatst. Acuut brandgevaar ontstaat als warmte niet of onvoldoende aan de omgeving kan worden afgegeven en een proces van warmtestuwing op gang kan komen.

De heer [A] heeft op mijn verzoek de werkplek gereconstrueerd waar hij zijn (herstel) werkzaamheden heeft uitgevoerd. De gereconstrueerde situatie kan aan de hand van het beschikbaar gestelde beeldmateriaal als betrouwbaar worden aangemerkt en met zekerheid kan worden gesteld dat door [A] rondom de bouwlamp voldoende vrije ruimte was gelaten tot de brandbare omgeving en er derhalve geen sprake was van brandgevaar.

III. Heeft u overigens nog opmerkingen op het terrein van uw deskundigheid die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?

Het door [Y] ter beschikking gestelde beeldmateriaal toont locale brandschade in magazijn II ontstaan aan een rugleuning en zitting van een bureaustoel en de bovenzijde van een bureau(legger): volgens [Y] het gevolg van stralingswarmte (4.1.5. van dit deskundigenbericht). Dit brandbeeld is ook duidelijk terug te vinden op een overzichtsfoto van Biesboer, foto 19. Op deze opname is duidelijk zichtbaar dat in een ruim gebied rond de stoel en het bureau geen vuurschade is ontstaan zodat stralingswarmte als oorzaak naar mijn mening kan worden uitgesloten. Convectiehitte heeft wel de kunststof behuizing van een hoger gehangen klok doen smelten zoals dat te zien is op [Y]-foto 3. Op [Y]-foto 2 is evenwel zichtbaar dat op de hoogte van de stoel en bureau(blad) kunststoffen en ander brandbaar materiaal onaangetast zijn gebleven zodat de locale vuurschade aan de stoel en het bureau niet kan zijn ontstaan door stralings- en conventiehitte. Naar mijn oordeel is hier sprake van een separate brandhaard waarvoor op het beeldmateriaal geen elektrische of mechanische oorzaak is aan te wijzen en derhalve ook op deze locatie sprake moet zijn van brandstichting.

(…)

6. OPMERKINGEN EN VERZOEKEN

(…)

6.2.1. Eisende partij

In een fax-/mailbericht van 18 juli 2011 heb ik schriftelijk van eiser de volgende opmerkingen / verzoeken ontvangen (onder bijlage 7 bij dit deskundigenbericht gevoegd).

(…)

6.2.1.1. Reactie

(…)

6 en 18: Op mijn verzoek heeft de heer [A] geheel zelfstandig zijn werkplek gereconstrueerd en daarbij het krukje met de bouwlamp op het kelderluik geplaatst. Met het bij ter beschikkingstaand beeldmateriaal heb ik de gereconstrueerde situatie gecontroleerd en mag dit naar mijn oordeel als betrouwbaar worden aangemerkt (4.1.2. van dit deskundigenbericht). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de aanwezige heren [Y] en [Z] geen op- of aanmerkingen hebben gemaakt op de door [A] gereconstrueerde situatie.

Dat [eiser] nu stelt dat de bouwlamp elders moet hebben gestaan is opmerkelijk: de lamp zou met het krukje zodoende achter [A] hebben gestaan en het uitgestraalde licht zou dus niet (volledig) op het kledingstuk hebben geschenen.

Onder punt 18 stelt [Y] dat het uit brandtechnisch oogpunt onmogelijk is dat de bouwlamp met het krukje op het kelderluik heeft gestaan, een vaststelling die volledig overeenstemt met hetgeen onder 4.2. van dit deskundigenbericht al werd vermeld.

7: Biesboer stelt in haar rapport (3.3.2. blz. 9) dat het kelderluik zeer oppervlakkig door hitte was aangetast en was vervuild met bluswater en brandresten. Om tot deze constatering te kunnen komen moet het kelderluik zijn vrijgemaakt. Biesboer-foto 49 toont evenwel dat slechts een klein deel van het luik is vrijgemaakt.

8: naast de term "vuurschade" hanteer ik ook "brandschade" waarmee aangegeven de (vuur- of brand) schade herkenbaar in onder meer de door Biesboer aangewezen ontstaansgebieden. [Y] stelt terecht dat "vuurschade" niet voorkomt in de woordenlijst van het boek van Bijl. Ook brandschade komt niet voor op die lijst net zomin als de door [Y] gehanteerde termen: brand- en warmtedoorslag, intensiteit- en bewegingsspoor, vlampluimen en vliegvuur.

9 t/m 16: (…) Feitelijk stelt [Y] dat de ontstekingstemperatuur van de plastic zakken niet werd bereikt. Hij miskent daarmee de brandschade die zelfs voor een niet ter zake deskundige herkenbaar is op het beeldmateriaal van Biesboer: duidelijk is zichtbaar dat niet alleen het tafelblad is verbrand, maar ook de plastic zakken die brandend zijn gevallen en een van de tafelpoten heeft doen ontsteken, Biesboer-foto 41 t/m 44. Tijdens mijn bezoek heb ik de brandschade op en aan het bewuste tafeltje goed kunnen beoordelen en daarbij vast kunnen stellen dat de brandschade aan een van de tafelpoten het directe gevolg is van de in brand geraakte plastic zakken die op enig moment zijn gevallen en de tafelpoot heeft doen ontsteken waardoor herkenbare brandschade is ontstaan (foto 24).

Als [Y] stelt dat de brandhaard in het magazijn I niet in staat is geweest de volgens hem "makkelijk ontsteekbare" plastic zakken in de kelder te doen ontsteken, dan laat deze stelling slechts één conclusie open en dat is dat de brand in de kelder een separate brandhaard betreft en uitsluitend het gevolg van menselijk handelen omdat volgens de heren [A] daar geen elektrische of mechanische ontstekingsbron aanwezig was (4.1.5. van dit deskundigenbericht).

(…)

22 t/m 27: Onder 27 schrijft [Y] dat: "Enkel bij direct contact van de bouwlamp met het tapijt is en kan daarom een reukwaarneming worden gedaan". Feitelijk sluit [Y] hiermee het vallen van de bouwlamp (door trillingen veroorzaakt door langsrijdend verkeer) uit: het vertrekkend personeel heeft geen "reukwaarneming" en dat geldt ook voor de nog later vertrekkende [C], het vertrek van deze getuigen moet hebben plaatsgevonden binnen het tijdsbestek waarbinnen stank, maar zeker ook rookontwikkeling ontstaat als de lamp op dat moment in contact was geweest met tapijt of karton.

(…)

30: Ten onrechte stelt [Y] dat gedurende de proefnemingen de luchttemperatuur werd bepaald. Foto 18 laat de gehanteerde meetmethode zien waarbij de door karton opgenomen infrarood energie is gemeten door de temperatuur te bepalen van het oppervlakte van het karton.

(…)

35: [Y] wijst op blz. 12, tweede alinea, op een "(…) grote open verbinding met de ruimte waarbij de brand bij de bouwlamp is ontstaan." De sporen op [Y]-foto 2, foto 23 van bijlage 3 van dit deskundigenbericht liggen volgens [Y]: "(…) in één lijn met de open verbinding".

De door [Y] beschreven bouwkundige situatie strookt niet met de situatie die ik heb aangetroffen. De brandhaard in magazijn I (ontstaansgebied I) werd fysiek gescheiden door een stenen muur zodat stralingswarmte als ontstekingsbron niet mag worden aangewezen voor de brandhaard op en rond de bureaustoel in magazijn II (foto 25).

Dat volgens [Y] uitsluitend de bovenzijde van de rugleuning van de bureaustoel is geschroeid wordt door zijn eigen foto 2 tegengesproken: duidelijk is te zien dat ook aan de zitting en een bureau(legger) vuurschade is ontstaan.

(…)

Algemene reactie

(…)

Ten slotte spreekt [Y] van "hete stralende rook". Kennelijk doelt [Y] op hete rookgassen die inderdaad in staat zijn infraroodstraling af te geven. Stralingswarmte zou volgens [Y] door rookgassen overwegend van boven worden overgedragen en aan dat overdrachtsprincipe komt volgens [Y] geen vuur te pas. [Y] wijst in dat kader niet op Kirk's Fire Investigation, waar op blz. 42 een voorbeeld wordt gegeven van een ruimte gevuld met hete rookgassen en vlammen en welke effecten dit heeft op lager niveau(…). [Y] moet bekend zijn met de werking van elektrische kacheltjes en infrarood badkamerverwarming; bij die apparatuur komt geen rook vrij.

(…)

6.2.2. Gedaagde partij

In een brief van 15 juli 2011 heb ik schriftelijk van gedaagde de volgende opmerkingen/verzoeken ontvangen (onder bijlage 8 bij dit deskundigenbericht gevoegd):

In de brief van [gedaagde] wordt gesteld, althans mij de vraag voorgelegd, dat gelet op de afgegeven stralingswarmte van de bouwlamp en de plaatsing daarvan op geringe afstand van brandbare materialen, het ontstaan van brand binnen zeer korte tijd onontkoombaar was.

6.2.2.1 Reactie

Zoals reeds in 4.2. vermeld, is het aannemelijk dat ten tijde van het ontstaan van de brand de bouwlamp heeft gestaan in het door Biesboer aangewezen ontstaansgebied I. Uit de reactie van [eiser] valt op te maken dat ook [Y] die mening is toegedaan (punt 18, 6.2.1.1. van dit deskundigenbericht). De partijonderzoekers Biesboer en [Y] wijzen de bouwlamp als ontstekingsbron aan hetgeen betekent dat de lamp op minder dan 20 cm van brandbare materialen moet hebben gestaan en derhalve kan worden gesteld dat de brand binnen zeer korte tijd onomkeerbaar was. (...)"

2.4. Leerfashion c.s. hebben bij akte na deskundigenbericht op de daarbij geformuleerde gronden het deskundigenbericht vrijwel integraal betwist. Voor zover nodig, zal de rechtbank bij de verdere beoordeling daarop terug komen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5. De rechtbank stelt allereerst vast dat Leerfashion c.s. bij akte na deskundigenbericht de discussie trachten te heropenen omtrent de expertise van de heer [X], de door de rechtbank benoemde deskundige. Dit geschilpunt is in het tussenvonnis van 13 oktober 2010 (zie r.o. 2.9.) reeds behandeld. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij daarover in dit vonnis heeft overwogen en beslist en voegt daar nog het volgende aan toe. Uit de reactie van de deskundige op dit punt (zie paragraaf 6.2.1.1. van zijn rapport) alsmede bijlage 1 bij het deskundigenrapport blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de heer [X] een langdurige en brede (ook recente) ervaring heeft op het gebied van brandonderzoek en dat hij tevens de nodige opleidingen op dat gebied heeft gevolgd. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de heer [X]. De bij akte na deskundigenbericht door Leerfashion c.s. tegen de persoon van de deskundige opgeworpen bezwaren zullen daarom worden gepasseerd.

2.6. De rechtbank overweegt voorts dat indien een rechter de zienswijze van een door hem aangewezen deskundige volgt, hij zijn beslissing in het algemeen niet verder zal behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering, zeker als deze gebaseerd is op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie, hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (o.a. HR 5 december 2003, JBPr 2004, 29 en HR 9 december 2011, NJ 2011, 599).

2.7. Het uitgebrachte deskundigenrapport is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk, begrijpelijk, overtuigend, consistent en concludent. Uit de definitieve rapportage blijkt dat de deskundige uitgebreid is ingegaan op het commentaar van Leerfashion c.s. op de concept-rapportage. Daarmee is voldaan aan de eisen van hoor en wederhoor. De deskundige heeft daarbij de naar aanleiding van het conceptrapport door Leerfashion c.s. geuite opmerkingen gemotiveerd en afdoende verworpen. De conclusie na deskundigenbericht van Leerfashion c.s. is overwegend een herhaling van voornoemde opmerkingen. Voor zover de opmerkingen die Leerfashion c.s. in de conclusie na deskundigenbericht hebben gemaakt, naar aanleiding van het definitieve deskundigenbericht, overeenkomen met de reeds naar aanleiding van de concept-rapportage door hen gemaakte opmerkingen, ziet de rechtbank gelet op het daarop door de deskundige gegeven commentaar geen aanleiding om de twijfelen aan de juistheid van de (definitieve) bevindingen van de deskundige. Aan deze herhaalde opmerkingen zal de rechtbank daarom voorbijgaan.

2.8. Met betrekking tot de overige door Leerfashion c.s. in de conclusie na deskundigenbericht geuite opmerkingen over deze rapportage overweegt de rechtbank als volgt.

2.8.1. Waar Leerfashion c.s. hebben gesteld dat aan de door [X] uitgevoerde testen met de bouwlampen en de vloerbedekking diverse gebreken kleven, waardoor de waarnemingen en conclusies daaruit ongeldig en onbruikbaar zouden zijn, overweegt de rechtbank dat dit bezwaar enerzijds door de deskundige al is weerlegd in zijn definitieve deskundigenbericht, terwijl Leerfashion c.s. anderzijds de gestelde gebreken ten aanzien van het bij de testen gebruikte karton en vloerbedekking, mede in het licht van de fase waarin de procedure zich bevindt, onvoldoende hebben onderbouwd.

2.8.2. De rechtbank zal voorbijgaan aan de opmerking van Leerfashion c.s. dat er door de deskundige verkeerd geciteerd is uit brieven (van 4 april en 11 juli 2011) van de raadsman van Leerfashion c.s., nu gesteld noch gebleken is in hoeverre dit afbreuk doet aan de (uiteindelijke) bevindingen van de deskundige.

2.8.3. De deskundige heeft zich in het kader van zijn onderzoek onder meer gebaseerd op het hiervoor genoemde boek van Bijl (zie par. 2.6. van het deskundigenbericht). Volgens Leerfashion c.s. zou dit boek - kort gezegd- achterhaald zijn. Leerfashion c.s. hebben naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gespecificeerd onderbouwd waarom de in dat boek vermelde inzichten onjuist zouden zijn. Ook deze opmerking van Leerfashion c.s. zal daarom worden gepasseerd.

2.9. Leerfashion c.s. hebben nog een alternatieve oorzaak voor het ontstaan van de brand gesteld, inhoudende dat de bouwlamp door trillingen van voorbijrijdend verkeer zou zijn omgevallen. De rechtbank oordeelt daaromtrent als volgt. Gesteld dat juist zou zijn dat de bouwlamp als gevolg van vorenbedoelde trillingen is omgevallen - hetgeen reeds niet aannemelijk is, omdat op geen enkele wijze concreet inzichtelijk is gemaakt hoe dit heeft kunnen gebeuren - laat die stelling onverlet dat de deskundige twee (afzonderlijke) brandhaarden heeft vastgesteld. Daarmee is brandstichting naar het oordeel van de rechtbank een gegeven. Immers, als de bouwlamp, zoals Leerfashion c.s. trachten ingang te doen vinden, door trillingen zou zijn omgevallen, verdraagt zulks zich niet met het oordeel van de deskundige dat er twee brandhaarden waren.

2.10. Uit al het vorenstaande volgt dat de door Leerfashion c.s. naar aanleiding van het het deskundigenbericht gemaakte opmerkingen geen hout snijden. De conclusie is dan ook dat de rechtbank de bevindingen uit het deskundigenbericht zal overnemen. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de brand zijn oorzaak heeft gehad in brandstichting.

2.11. Voor zover Leerfashion c.s. hebben aangevoerd dat zij - al dan niet in het kader van tegenbewijs - (alsnog) in staat moeten worden gesteld nader bewijs te leveren ter zake van de oorzaak van de brand (vide paragraaf 5.1. e.v. van de conclusie na deskundigenbericht), waartoe zij (tegen)bewijs heeft aangeboden, miskent zij dat de bewijsfase met het uitbrengen van het deskundigenbericht - waarop partijen tot twee maal toe hebben kunnen reageren - is afgerond.

2.12. Nu op basis van het deskundigenrapport wordt geoordeeld dat de onderhavige brand brandstichting als oorzaak heeft gehad, dient te worden geoordeeld over de door Zevenwouden gestelde opzet tot brandstichting, althans merkelijke schuld, bij Leerfashion c.s. Naar het oordeel van de rechtbank staat thans vast dat de brandstichting - opzettelijk - heeft plaatsgevonden door (één der vennoten van) Leerfashion c.s., gelet op de volgende, mede in onderling verband en samenhang, te beschouwen omstandigheden:

a) [C] is de laatste persoon geweest die, na het personeel, de winkel heeft verlaten;

b) [C] heeft de voordeur van de winkel bij zijn vertrek afgesloten, waarna alleen iemand die in het bezit was van een sleutel zich nog toegang tot de winkel kon verschaffen, omdat er geen braaksporen zijn aangetroffen en ook overigens op geen enkele manier gemotiveerd is gesteld dat zich na het vertrek van [C] nog een (onbekende) derde in het pand heeft bevonden;

c) het inbraakalarm was niet ingeschakeld;

d) het korte tijdsbestek tussen het verlaten van het pand door [C] (op enig moment na 18.00 uur) en het ontdekken van de brand (de brandmelding om 18.23.50 uur);

e) de vaststelling door de deskundige dat de brand ontdekt had moeten worden in verband met de sterke lucht, en deze dus niet vóór 18.00 uur kan zijn ontstaan omdat het personeel er toen nog langs moest lopen.

2.13. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van de onderhavige brand sprake is geweest van opzet tot brandstichting aan de zijde van Leerfashion c.s. Zevenwouden is dan ook geslaagd in het te dezer zake op haar rustende bewijs.

2.14. Dit betekent dat Zevenwouden niet gehouden is om voor de door de onderhavige brand ontstane schade dekking te verlenen aan Leerfashion c.s. en aldus de door Leerfashion c.s. gevorderde schade onder de polis te vergoeden. De daartoe strekkende vorderingen zullen worden afgewezen. Voorts volgt uit het vonnis van 30 juni 2010 dat ook de door Leerfashion c.s. gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot het inschakelen van Biesboer niet toewijsbaar is.

2.15. Leerfashion c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld, waaronder de kosten van het deskundigenbericht, die door Zevenwouden bij wege van voorschot zijn betaald. Aldus worden de proceskosten aan de zijde van Zevenwouden vastgesteld op:

- verschotten € 4.938,00

- salaris van de advocaat € 12.844,00 (4 x € 3.211,00, tarief VIII)

- kosten van de deskundige € 14.280,00 (cf. pagina 35 van het deskundigenbericht)

---------------

Totaal € 32.062,00

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijst de vorderingen van Leerfashion c.s. af;

3.2. veroordeelt Leerfashion c.s. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Zevenwouden vastgesteld op € 32.062,00;

3.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg, mr. M. Jansen en mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.?

fn 343