Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BV5586

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
369881 \ CV EXPL 11-4975
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voeging: de omstandigheid dat eiser in het incident tot voeging zich de belangen van de gedaagde in de hoofdzaak aantrekt levert geen eigen belang van eiser in het incident op bij voeging in de hoofdzaak naast de gedaagde in de hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 369881 \ CV EXPL 11-4975

vonnis van de kantonrechter d.d. 1 februari 2012

inzake

[X],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. J.H. van der Meulen,

tegen

de stichting

STICHTING BEHEER AUTOMOBIELMUSEUM DEVENTER,

gevestigd te Joure,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

gemachtigde: F. Versloot,

en tegen

[Y],

wonende te [woonplaats,

eiser in het incident tot voeging,

gemachtigde: mr. J.F. Bongers,

Partijen zullen hierna [X], de stichting en [Y] worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot voeging van [Y]

- de antwoordconclusie in het incident van [X]

- de rolbeschikking van 4 januari 2012

- de antwoordconclusie in het incident van de stichting.

1.2. Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

Motivering

De vaststaande feiten in het incident

2.1. [X] en [Y] zijn broers. Zij zijn nazaten van [Z].

2.2. [X] en [Y] hebben gemeenschappelijk in eigendom de onroerende zaak (bedrijfsruimte) aan de Slachtedyk 9 te Joure. In deze onroerende zaak was eertijds de eerste fabriek van [Z] gehuisvest.

2.3. [X] en [Y] hebben met ingang van 1 juli 2003 voor de duur van vijf jaar, derhalve tot en met 30 juni 2008, een schriftelijke huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte gesloten met de stichting. In de huurovereenkomst (artikel 3.2.) is bepaald dat de overeenkomst na het verstrijken van de eerste vijf jaar voor een aansluitende periode van vijf jaar wordt voortgezet, tot en met 30 juni 2013. Het gehuurde mag volgens de huurovereenkomst uitsluitend worden gebruikt als expositieruimte voor auto's c.a. en moderne kunst c.a. De stichting exploiteert thans in het gehuurde een automobielmuseum.

2.4. De huurprijs bedroeg vanaf 1 juli 2010 € 2.203,29 exclusief BTW en vanaf 1 juli 2011 € 2.201,00 exclusief BTW per maand. De huurprijs is krachtens de huurovereenkomst (artikel 4.5.) bij vooruitbetaling verschuldigd en dient vóór of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, volledig te zijn voldaan.

2.5. Met ingang van 13 september 2007 heeft de heer mr. ing. E. Oostra (hierna: mr. Oostra) het beheer over de onroerende zaak gevoerd namens [X] en [Y]. Onderdeel van de beheersregeling was het beheren van een bankrekening, waarop de huurbetalingen konden worden gedaan. In verband daarmee is een bankrekening geopend bij de Rabobank, met nummer 13.66.83.282, ten name van De Slachte O.G., [X] e/o [Y]. Zowel [X] als [Y] zijn bevoegd om over deze bankrekening te beschikken. De stichting heeft de huur aanvankelijk op deze bankrekening overgemaakt.

2.6. [Y] heeft bij de sector civiel recht van deze rechtbank een procedure tegen [X] aanhangig gemaakt, strekkende tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap, zijnde de onroerende zaak. Bij (tussen)vonnis van 10 november 2010 heeft de rechtbank overwogen dat de onroerende zaak zal worden toegedeeld aan [Y]. De rechtbank heeft vervolgens taxateurs benoemd om de waarde van de onroerende zaak vast te stellen.

2.7. In of omstreeks april/mei 2010 heeft [X], zonder overleg met [Y], de gezamenlijke bankrekening ten behoeve van het beheer van de onroerende zaak geblokkeerd, ter zake van de bevoegdheden van mr. Oostra. In verband daarmee heeft mr. Oostra bij brief van 28 mei 2010 medegedeeld dat hij zijn beheerswerkzaamheden per 1 juni 2010 stopzet.

2.8. De stichting heeft de gemachtigde van [X], mr. Van der Meulen voornoemd, bij e-mail van 21 juli 2010 medegedeeld dat men de huur voortaan overmaakt op de derdengeldrekening van het kantoor van mr. Oostra. In reactie hierop heeft mr. Van der Meulen de stichting bij brief van 22 juli 2010 medegedeeld dat er alleen bevrijdend kan worden betaald op de sub 2.5. genoemde bankrekening bij de Rabobank. Op haar beurt heeft de stichting bij e-mail aan mr. Van der Meulen van 23 juli 2010 medegedeeld dat men de huur blijft overmaken op de derdengeldrekening van mr. Oostra totdat er een ondertekende verklaring van [Y] met de strekking dat de door mr. Van der Meulen genoemde bankrekening de correcte bankrekening is voor de betaling van de huur.

2.9. De huur over de maanden november 2010 tot en met juli 2011, ten bedrage van in totaal € 19.827,32, is door de stichting niet, zoals door [X] verlangd, op de bankrekening bij de Rabobank voldaan. De betreffende huur is betaald op eerder genoemde derdengeldrekening van het kantoor van mr. Oostra.

2.10. Bij beschikking van 20 juli 2011 heeft de kantonrechter te Heerenveen met betrekking tot de onroerende zaak een beheersregeling vastgesteld, inhoudende dat [Y] met uitsluiting van [X] wordt belast met het beheer. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [X] heeft bij beroepschrift van 15 augustus 2011 bij het gerechtshof Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking. Op dit hoger beroep is nog niet beslist.

De beoordeling in het incident

3.1. [X] vordert in de hoofdzaak betaling van achterstallige huur ad

€ 19.827,32, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3.2. [Y] heeft bij incidentele conclusie gevorderd dat hij wordt toegelaten om zich te voegen aan de zijde van de stichting. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [Y] wil graag de stichting ondersteunen in deze procedure. Het belang van [Y] is dat de vordering van [X] wordt afgewezen, zodat de stichting niet tweemaal de huurpenningen behoeft te voldoen, welke reeds op de derdengeldrekening van het kantoor van mr. Oostra zijn gestort. De onderhavige procedure betreft de tweede procedure waarin de stichting - ten onrechte - door [X] wordt aangesproken tot betaling van huurpenningen. In de eerdere procedure liet [X] zich niets gelegen liggen aan een door [Y] met de stichting getroffen betalingsregeling. [Y] vreest dat de stichting de bedrijfsruimte niet langer wil huren als gevolg van het conflict tussen hem en [X]. De stichting is als huurder de dupe van de diverse procedures tussen de broers X en Y over de onroerende zaak.

3.3. [X] betwist de incidentele vordering. Volgens [X] is - samengevat - niet voldaan aan de vereisten voor voeging. De uitkomst van de onderhavige procedure tegen de stichting kan de rechtspositie van [Y] niet nadelig beïnvloeden. [Y] heeft dan ook geen belang bij voeging, aldus [X]. De stichting heeft op haar beurt geen bezwaar tegen de door [Y] gevorderde voeging.

3.4. De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Voeging is de rechtsfiguur, waarbij een derde zich schaart aan de zijde van één van partijen in de hoofdzaak en daarbij niet méér beoogt dan toewijzing of afwijzing van de vordering in de hoofdzaak. Voor het aannemen van een belang bij voeging is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor degene aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden (zie HR 14 maart 2008, NJ 2008, 168 en de conclusie van de A-G bij HR 9 april 2010, LJN: BK4539).

3.5. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [Y] geen belang bij de gevorderde voeging. Immers, indien de stichting de onderhavige procedure - geheel of ten dele - verliest, dan is zij gehouden tot betaling van huur aan de gemeenschap, ten behoeve waarvan [X] de vordering in de hoofdzaak heeft ingesteld. [Y] wordt zoverre dan ook gebaat in geval betaling van de huur aan de gemeenschap plaatsvindt. [Y] heeft verder niet gemotiveerd gesteld, noch is anderszins gebleken, dat het eventuele verlies van de hoofdzaak door de stichting zijn rechtspositie nadelig zal beïnvloeden. De omstandigheid dat [Y] zich de belangen van de stichting aantrekt - die tussen twee vuren verzeild is geraakt in verband met het conflict tussen de broers X en Y als deelgenoten in de gemeenschap - levert geen eigen belang van [Y] bij voeging in de hoofdzaak naast de stichting.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat de door [Y] gevorderde voeging aan de zijde van de stichting moet worden afgewezen.

3.7. Gelet op de familierechtelijke relatie tussen [X] en [Y], alsmede beider nauwe verbondenheid met de stichting, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen de betrokken partijen op de hierna te melden wijze te compenseren.

De beoordeling in de hoofdzaak

3.8. De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar na te noemen rolzitting voor conclusie van antwoord.

Beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

I. wijst de incidentele vordering af;

II. compenseert de kosten van het incident aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

III. verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 februari 2012 voor conclusie van antwoord aan de zijde van de stichting.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119