Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2012:BV2577

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
AWB 11/2978
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toekenning voorschot ondanks restitutierisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/2978

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 februari 2012 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoekster (hierna: [X]),

gemachtigde: mr. K.A. Faber, advocaat te Tynaarlo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigden: mr. J. Vonk en G. Woudstra, beiden werkzaam bij de gemeente Opsterland.

Procesverloop

Op 15 april 2011 heeft [X] de gemeente Opsterland aansprakelijk gesteld voor door haar geleden schade en een schadevergoeding van € 65.000 gevorderd. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college deze schadeclaim afgewezen. Tegen dit besluit heeft [X] bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij op 2 december 2011 de voorzieningenrechter verzocht het college te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 10.000 op de schadevergoeding. Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2011 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd, overeenkomstig het advies van 12 december 2011 van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Opsterland. Op 4 januari 2012 heeft [X] beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 december 2011. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 12/48. Het verzoek is ter zitting behandeld op 20 januari 2012, waarbij [X] in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Motivering

Inleidende overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb -voor zover thans van belang- wordt, indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de rechtbank in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

1.3 Op grond van artikel 8:86; eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter in een situatie als de onderhavige onmiddellijk uitspraak doen in de beroepsprocedure indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige verzoekschriftprocedure zich niet leent voor de beoordeling of en zo ja, tot welk bedrag, [X] recht heeft op een schadevergoeding. Hiervoor is, gelet op het grote aantal door [X] opgevoerde schadeposten en het feit dat [X] verschillende bedragen heeft genoemd die volgens haar vergoed moeten worden, meer onderzoek nodig. De voorzieningenrechter zal daarom geen gebruik maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, maar zich beperken tot een oordeel over het verzoek tot toekenning van een voorschot van € 10.000.

1.4 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [X] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de beroepsprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. De bodemrechter is hieraan niet gebonden.

Beoordeling van het verzoek

2.1 Aan de aansprakelijkheidsstelling en het verzoek om een schadevergoeding toe te kennen, heeft [X] ten grondslag gelegd dat zij schade heeft geleden als gevolg van -zakelijk en samengevat weergegeven- de niet tijdige afdoening van bijstandsaanvragen en verschillende verzoeken om voorschotten op een bijstandsuitkering gedurende de periode 2009-2011 en het gedurende lange tijd niet uitbetalen van de bijstandsuitkering die het college aan haar bij besluit van 21 maart 2011 heeft toegekend.

2.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het toekennen van een voorschot op een schadevergoeding een restitutierisico verbonden is, namelijk het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, toegespitst op de situatie van [X]: het risico dat haar schulden alleen maar toenemen. [X] heeft dit ter zitting ook erkend. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel alleen dan plaats voor het toekennen van een voorschot indien met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een schadevergoeding moet worden toegekend.

2.3 Vast staat dat het college gedurende de periode 2009-2011 in een aantal gevallen niet tijdig heeft beslist op bijstandsaanvragen en verzoeken om voorschotten. De voorzieningenrechter laat daarbij in het midden dat de termijn waarbinnen beslist moet worden op bijstandsaanvragen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) langer is dan de termijn waarbinnen besloten moet worden op bijstandsaanvragen op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). De voorzieningenrechter wil dus niet uitsluiten dat in een aantal gevallen, waar het ging om verzoeken om bijstand op grond van het Bbz, niet gezegd kan worden dat het college hierop te laat heeft beslist. De gedingstukken waarover de voorzieningenrechter beschikt, geven hier echter geen, althans onvoldoende, duidelijkheid over. Tussen partijen is met name in geschil aan wie de vertraagde afdoening en toekenning van bijstand (inclusief voorschotten) verweten moeten worden. [X] is van mening dat dit het college verweten moet worden. Illustratief in dit verband is hetgeen [X] aan de hand van een pleitnota naar voren heeft gebracht tegenover de bezwaarschriftencommissie. Deze uiteenzetting maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter nog niet dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een schadevergoeding moet worden toegekend, althans in die hoogte waarom [X] heeft verzocht. Dat [X] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoeken om bijstand brengt niet mee dat zij het college niet aansprakelijk kan stellen voor schade die volgens haar voortvloeit uit het niet tijdig beslissen op haar verzoeken om bijstand (vgl. AB 2003, 421). Het al dan niet aanwenden van rechtsmiddelen is wel van betekenis voor de beantwoording van de vraag of [X] de hoogte en omvang van haar gestelde schade voldoende heeft beperkt. Het college is van mening dat juist [X] een verwijt moet worden gemaakt ten aanzien van de vertraagde afdoening van verzoeken om bijstand, omdat [X] vaak niet, althans niet tijdig, gegevens, benodigd voor de beoordeling van verzoeken om bijstand, heeft overgelegd. Het college heeft dit standpunt echter tot op heden, ook niet ter zitting, niet onderbouwd met stukken die betrekking hebben op de procedures ten aanzien van de verschillende verzoeken om bijstand gedurende de periode 2009-2011. De voorzieningenrechter kan dus niet beoordelen of in alle gevallen de vertraagde afdoening te wijten is aan de handelwijze van [X].

2.4 Zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen kleeft aan het toekennen van een voorschot een restitutierisico. Dit betekent echter niet dat moet worden afgezien van het toekennen van een voorschot wanneer zich dit risico voordoet, in een geval waarin in beginsel niet gezegd kan worden dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een schadevergoeding op zijn plaats is. Het restitutierisico is wel altijd een omstandigheid die meeweegt bij de beoordeling of een voorschot aangewezen is. Nu [X] vooralsnog gemotiveerd heeft uiteengezet dat niet haar, maar het college blaam treft voor de vertraagde afdoening van verzoeken om bijstand en het college het tegenovergestelde standpunt in deze procedure niet met stukken heeft onderbouwd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorschot toe te kennen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [X] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij binnenkort niet langer haar woonlasten (inclusief gas, water en electra) kan voldoen, indien haar financieel penibele situatie niet zeer spoedig verandert. De voorzieningenrechter bepaalt het voorschot op € 5.000.

2.5 Zoals hiervoor onder 1.4 is overwogen bevat deze uitspraak een voorlopig oordeel waaraan de bodemrechter niet is gebonden. Dit betekent dat de kans bestaat dat [X] het voorschot alsnog moet terugbetalen indien de bodemrechter de afwijzing van de schadeclaim accordeert en het beroep ongegrond verklaart. Gelet op het restitutierisico gaat de voorzieningenrechter er van uit dat [X] het toegekende voorschot in ieder geval aanwendt voor haar woonlasten. De voorzieningenrechter zal zich er voor inspannen dat de beroepszaak zo spoedig mogelijk behandeld wordt, zodat, indien het beroep ongegrond wordt verklaard, [X] wellicht niet het gehele voorschot hoeft aan te wenden en zich zo niet verder in de schulden steekt.

Proceskosten

3.1 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van [X] vergoed tot een bedrag van € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- draagt het college op aan [X] een voorschot van € 5.000 te betalen, binnen één week na deze uitspraak;

- wijst het meerdere of anders verzochte af;

- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 41 aan [X] vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [X] tot een bedrag van € 874.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.