Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BY1312

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
87719 / HA ZA 08-155 (eindvonnis)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis over schade. Eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis is te vinden onder LJN: BY1308.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 87719 / HA ZA 08-155

Vonnis van 26 januari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[EISERES] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. Ynzonides, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEREN VASTGOED B.V.,

gevestigd te Emmeloord,

gedaagde sub 1,

advocaat mr. R.J.L. Gustenhoven, kantoorhoudende te Leeuwarden,

2. [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

advocaat mr. R.J.L. Gustenhoven, kantoorhoudende te Leeuwarden,

3. [C],

wonende te [woonplaats]

gedaagde sub 3,

advocaat mr. R.J.L. Gustenhoven, kantoorhoudende te Leeuwarden,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DM ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Staphorst en kantoorhoudende te Wons,

gedaagde sub 4,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [Eiseres] enerzijds en Meren Vastgoed, [A] en [B] (tezamen te noemen: de verschenen gedaagden) en DMO anderzijds genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 juni 2010

- de akte uitlating deskundigenbericht van [Eiseres] van 24 november 2010

- de akte na tussenvonnis van de verschenen gedaagden van 24 november 2010.

1.2. Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Zoals in het tussenvonnis van 16 juni 2010 op de daar vermelde gronden is overwogen, acht de rechtbank een deskundigenonderzoek geïndiceerd naar de hoogte van de door [Eiseres] gestelde schade. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om zich bij akte uit te laten omtrent – kort samengevat – de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen.

2.2. Bij akte van 24 november 2010 heeft [Eiseres] de rechtbank verzocht om af te zien van het gelasten van een deskundigenbericht. Na verhaalsonderzoek is het [Eiseres] gebleken dat de verschenen gedaagden naar alle waarschijnlijkheid onvoldoende verhaal zullen bieden voor de vordering van [Eiseres] ter zake van de fiscale schade. Alleen al de kosten van een uit te brengen deskundigenbericht zal [Eiseres] niet kunnen verhalen op de verschenen gedaagden, aldus [Eiseres].

2.3. Gelet op de omstandigheid dat [Eiseres] afziet van het leveren van bewijs van haar stelling dat zij een bedrag van EUR 444.072,00 schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van de verschenen gedaagden door middel van een deskundigenonderzoek, welk onderzoek de rechtbank, zoals in het tussenvonnis van 16 juni 2010 is overwogen, geïndiceerd acht gelet op de gemotiveerde betwisting van die stelling door de verschenen gedaagden, zal de vordering van [Eiseres] jegens de verschenen gedaagden in zoverre worden afgewezen.

2.4. [Eiseres] heeft bij akte van 24 november 2010 – onder verwijzing naar overweging 4.7.4. van het tussenvonnis van 16 juni 2010 – betoogd dat wanneer de rechtbank met haar aanneemt dat de stelling van de verschenen gedaagden dat de “overige bedrijfskosten” ad EUR 1.125.827,60 exclusief BTW betrekking heeft op het onderhavige project, onjuist is, “de uitkomst van de schadediscussie tussen partijen is gegeven” zonder een deskundigenonderzoek. Dit betoog kan aan voornoemd oordeel van de rechtbank niet afdoen. Ook in dat geval staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat [Eiseres] enige schade heeft geleden. In rechtsoverweging 4.7.4. van het tussenvonnis van 16 juni 2010 heeft de rechtbank overwogen dat indien [Eiseres] erkent dat de stelling van de verschenen gedaagden – op welke stelling [Eiseres] toen nog niet had kunnen reageren – juist is, dat de “overige bedrijfskosten” ad EUR 1.125.827,60 exclusief BTW betrekking hebben op het onderhavige project, een deskundigenonderzoek achterwege kan blijven omdat in dat geval uit de berekening van [Eiseres] zelf volgt dat van enige schade aan haar zijde geen sprake is. De enkele omstandigheid dat [Eiseres] thans betwist dat de “overige bedrijfskosten” ad EUR 1.125.827,60 exclusief BTW betrekking hebben op het onderhavige project brengt echter naar het oordeel van de rechtbank - omgekeerd - nog niet met zich (ook niet indien uitgegaan wordt van de juistheid van die betwisting) dat daarmee vaststaat dat [Eiseres] schade heeft geleden. De stellingen van [Eiseres] zijn op dit punt in het kader van de gemotiveerde betwisting door de verschenen gedaagden en het ontbreken van een deskundingenrapport, onvoldoende onderbouwd, zodat de schade niet is komen vast te staan.

2.5. De vordering van [Eiseres] jegens DMO strekkende tot betaling van een schadevergoeding van EUR 444.072,00 (vermeerderd met rente) op grond van onrechtmatig handelen door DMO komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze vordering zal worden toegewezen. Opgemerkt wordt dat door de verschenen gedaagden gevoerde verweren niet in het voordeel werken van DMO – die niet is verschenen – tenzij sprake zou zijn van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing (HR 28 mei 1999, NJ 2000, 290). In het onderhavige geval is van een dergelijke rechtsbetrekking niet gebleken, zodat de beslissing ten aanzien van DMO niet gelijk dient te zijn aan de beslissing ten aanzien van de verschenen gedaagden.

2.6. Zoals in het tussenvonnis van 16 juni 2010 in rechtsoverweging 4.6.2 is overwogen, acht de rechtbank de door [Eiseres] gevorderde fiscale schade toewijsbaar jegens alle gedaagden, waarbij sprake is van hoofdelijke verbondenheid van gedaagden.

2.7. DMO zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [Eiseres] worden – voor zover het DMO (die verstek heeft laten gaan) aangaat – vastgesteld op:

- dagvaardingskosten EUR 70,85

- griffierecht (inclusief beslag) EUR 4.784,00

- exploitkosten ter zake van ten

laste van DMO gelegd beslag

(EUR 217,13 + 176,73 + 71,39 +

71,38 + 71,38 + 71,38 + 197,60

+ 71,39) EUR 948,38

- salaris voor de advocaat EUR 2.580,00 (1 punt x tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 8.383,23

2.8. In de omstandigheid dat ten aanzien van de verschenen gedaagden is geoordeeld dat zij onrechtmatig jegens [Eiseres] hebben gehandeld, waarbij de (geld)vorderingen van [Eiseres] deels zullen worden toegewezen en de verschenen gedaagden kennelijk ten aanzien daarvan niet bereid waren om hieraan in der minne te voldoen, ziet de rechtbank aanleiding om de verschenen gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [Eiseres] worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten EUR 70,85

- griffierecht (inclusief beslag) EUR 4.784,00

- exploitkosten ter zake van ten laste

van de verschenen gedaagden

gelegd beslag (EUR 217,13, +

176,73 + 71,39 + 217,13 + 176,73

71,39 + 217,13 + 71,39 + 197,60

+ 71,39 + 197,60 + 71,39) EUR 1.757,00

- salaris voor de advocaat EUR 7.740,00 (3 punten x tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 14.351,85

2.9. Voor zover de proceskosten betrekking hebben op de dagvaardingskosten ad EUR 70,85, het griffierecht (inclusief beslag) ad EUR 4.784,00 en het salaris voor de advocaat tot een bedrag van EUR 2.580,00 – te weten in totaal een bedrag van EUR 7.434,85 - zal daarbij sprake zijn van een hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden. Het betreft hier immers dezelfde schade, waarvoor zij allen hoofdelijk aansprakelijk zijn.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt DMO om aan [Eiseres] te betalen een bedrag van EUR 444.072,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 september 2006 tot de dag der algehele voldoening,

3.2. veroordeelt Meren Vastgoed, [A], [B] en DMO hoofdelijk om aan [Eiseres] te betalen al hetgeen [Eiseres] aan de belastingdienst verschuldigd is, dan wel zal worden als gevolg van het litigieuze samenstel van transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling door [Eiseres] aan de belastingdienst, tot het moment van algehele voldoening,

3.3. veroordeelt DMO in de kosten van het geding, aan de zijde van [Eiseres] tot op heden vastgesteld op EUR 8.383,23,

3.4. veroordeelt Meren Vastgoed, [A], [B] in de kosten van het geding, aan de zijde van [Eiseres] vastgesteld op EUR 14.351,85

3.5. bepaalt dat ter zake van de onder 3.3 en 3.4 bedoelde proceskostenveroordeling tot een bedrag van EUR 7.434,85 sprake is van een hoofdelijke veroordeling van DMO, Meren Vastgoed, [A] en [B],

3.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg, mr. M. Jansen en mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.?