Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BX7920

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
349294 \ CV EXPL 11-1373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgverzekering: Tijdstip ontstaan vordering tot incasso van het verplicht eigen risico. Schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 349294 \ CV EXPL 11-1373

vonnis van de kantonrechter d.d. 20 juli 2011

inzake

De naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V.,

hierna te noemen: Menzis,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde],

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Talens,

Procesverloop

1.1 Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft Menzis gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van EUR 158,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2011 over een bedrag van EUR 111,60 en vermeerderd met kosten.

1.2 [gedaagde] heeft bij antwoord de vordering betwist.

1.3 Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

1.4 Door Menzis en [gedaagde] zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De vaststaande feiten

2.1 [gedaagde] heeft bij Menzis een basis zorgverzekering afgesloten. Het verplicht eigen risico voor het jaar 2010 bedroeg EUR 165,00. Menzis heeft [gedaagde] op 13 juni en 11 september 2010 uitkeringsspecificaties - en kort daarna acceptgiro's - gezonden voor respectievelijk EUR 111,60 en EUR 53,40 in verband met het verplicht eigen risico over het jaar 2010 dat [gedaagde] aan Menzis verschuldigd is. [gedaagde] heeft op 7 december 2010 de nota ad EUR 53,40 voldaan. De nota ad EUR 111,60 is niet voldaan.

2.2 Op 30 maart 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden de toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP) uitgesproken ten aanzien van [gedaagde].

Het standpunt van partijen

3.1 Menzis voert - samengevat - het volgende aan. De vordering van Menzis op [gedaagde] tot incassering van het verplicht eigen risico ontstaat nadat Menzis de kosten van de verzekerde prestatie aan de zorgaanbieder heeft voldaan. Een zorgaanbieder heeft wettelijk de gelegenheid tot 31 december van het jaar volgend op het jaar van de behandeling om de kosten aan Menzis in rekening te brengen. Pas daarna kan het eigen risico worden berekend en doorbelast aan de verzekerde. Op dat moment ontstaat pas de vordering van Menzis op de verzekerde. Menzis verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar haar algemene voorwaarden, artikel B8, die (ondermeer) bepalen: "Als Menzis rechtstreeks betaalt aan een zorgaanbieder, betaalt u het eigen risico aan Menzis. U ontvangt dan een nota van Menzis." Daarnaast verwijst Menzis naar artikel 19 van de Zorgverzekeringswet, dat in lid 4 bepaalt: "Rekeningen voor kosten van zorg of overige diensten worden slechts op het verplicht eigen risico in mindering gebracht indien deze door de zorgverzekeraar zijn ontvangen voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dag van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verplicht eigen risico betrekking heeft" alsmede naar artikel 2.17 e.v. Besluit Zorgverzekering, waarin de dag bedoeld in artikel 19 lid 4 van de Zorgverzekeringswet is bepaald op 31 december.

3.2 Menzis heeft op 6 april en 3 mei 2010 nota's voldaan aan de zorgaanbieder van [gedaagde]. Enige tijd nadien heeft Menzis de kosten voor het verplicht eigen risico aan [gedaagde] in rekening gebracht. Nu dit in rekening brengen dateert van na 30 maart 2010 (de ingangsdatum van de werking WSNP voor [gedaagde]) valt de vordering van Menzis volgens haar niet onder de schuldsaneringsregeling en hoeft deze door Menzis niet ter verificatie te worden aangeboden.

3.3. Menzis stelt verder dat zij [gedaagde] herhaalde malen heeft aangemaand en ook een minnelijke betalingsregeling heeft voorgesteld, zonder succes. Menzis was dan ook genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. De buitengerechtelijke incassokosten die zij daardoor heeft moeten maken, dienen vergoed te worden.

3.4 [gedaagde] voert - samengevat - het volgende verweer. Ingevolge artikel 299 lid 1

sub a Faillissementswet (hierna: Fw) is het tijdstip van de uitspraak van de schuldsanering (30 maart 2010) het fixatiemoment. De schuldsaneringsregeling werkt ten aanzien van vorderingen op de schuldenaar die op dat moment "bestaan". Schulden die ten tijde van de uitspraak van de schuldsaneringsregeling nog niet bekend waren, zijn hiervan niet uitgezonderd. De vraag wanneer de vordering van Menzis geacht kon worden te "bestaan" hangt niet of van de datum van verzending van de acceptgiro's door Menzis, maar wordt bepaald door de vraag op welk moment [gedaagde] de medische behandeling heeft ondergaan. Dat is het moment dat de materiële vordering ontstaat. Nu de medische behandeling waarvoor Menzis op 13 juni 210 een uitkeringsspecificatie heeft gezonden, dateert van vóór 30 maart 2011, valt de vordering van Menzis onder de schuldsaneringsregeling. Een andere interpretatie zou in strijd zijn met het fixatiebeginsel van de WNSP. Immers, als [gedaagde] geen zorgverzekeraar zou hebben, zou de zorgaanbieder de kosten rechtstreeks aan [gedaagde] in rekening hebben gebracht. Alsdan zou de vordering van de zorgaanbieder wèl onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen. Andere zorgverzekeraars volgen het standpunt van [gedaagde], Menzis is een uitzondering, aldus [gedaagde].

3.5 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten dient te worden afgewezen nu [gedaagde] haar standpunt van meet af aan gemotiveerd kenbaar heeft gemaakt, zowel telefonisch als schriftelijk. De kostenverhogende incassomaatregelen zijn ten onrechte genomen door Menzis.

De beoordeling van het geschil

4.1 De kantonrechter oordeelt als volgt. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag wanneer de vordering van Menzis tot incasso van het verplicht eigen risico geacht kan worden te zijn ontstaan. Artikel 299 lid 1a. Fw bepaalt dat de schuldsaneringsregeling werkt ten aanzien van vorderingen op de schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan. De vordering van Menzis is weliswaar gebaseerd op de door Menzis met [gedaagde] gesloten verzekeringsovereenkomst, maar voor wat betreft de verschuldigdheid van het verplicht eigen risico vindt de vordering haar grondslag in artikel 19 lid 1 Zorgverzekeringswet. Dat artikellid bepaalt dat iedere verzekerde van 18 jaar of ouder een verplicht eigen risico heeft van (in 2010) EUR 165,00 per kalenderjaar. De vordering van Menzis tot incasso van het verplicht eigen risico vloeit daarmee niet voort uit overeenkomst, maar vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Naar analogie van vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 oktober 1985, NJ 1986, 68 en HR 4 juni 2004, NJ 2004, 412) betekent dit dat de vordering tot incasso van het verplicht eigen risico over enig jaar ontstaat op het moment dat het betreffende kalenderjaar aanvangt.

4.2 Voor het opeisbaar worden van een zodanige vordering is weliswaar nog noodzakelijk dat een verzekerde in een bepaald kalenderjaar een behandeling ondergaat bij een zorgaanbieder (waarna de zorgaanbieder de kosten daarvan aan de verzekeraar declareert en de zorgverzekeraar het eigen risico, op basis van artikel 19 lid 4 Zorgverzekeringswet, aan de verzekerde in rekening brengt), maar dit doet niets af aan het feit dat de vordering (uit de wet) al eerder is ontstaan.

4.3 Vast staat dat [gedaagde] in het kalenderjaar 2010 geneeskundige behandelingen heeft ondergaan (zowel voor als na het moment van de uitspraak van de schuldsanering), zodat [gedaagde] over het kalenderjaar 2010 het volledige verplicht eigen risico over 2010 verschuldigd is. Ingevolge artikel 22 Zorgverzekeringswet is het verplicht eigen risico pro rata gerelateerd aan het verstrijken van de tijd. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [gedaagde] per 30 maart 2010 is uitgesproken, betekent dit dat het verplicht eigen risico voor 89/365 deel onder de schuldsaneringsregeling valt en voor 276/365 deel niet. Menzis dient haar vordering op [gedaagde] dus voor 89/365 deel van EUR 165,00, oftewel voor EUR 40,23, ter verificatie aan te melden conform artikel 299 lid 2 Fw. Het resterende deel (276/365 deel van EUR 165,00) ad EUR 124,77 kan in de tijd worden toegerekend aan de periode gelegen na het fixatiemoment van 30 maart 2010 en valt daarmee niet onder de schuldsaneringsregeling. Nu vast staat dat [gedaagde] een bedrag van EUR 53,40 aan Menzis heeft voldaan, resteert nog te voldoen een bedrag van EUR 71,37. Dit gedeelte van de vordering van Menzis zal worden toegewezen.

4.4 De door Menzis gevorderde wettelijke rente over het toegekende bedrag zal, nu deze vordering door [gedaagde] niet zelfstandig wordt betwist, worden toegekend vanaf de gevorderde datum.

4.5 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. Uit de door Menzis gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen anders dan strekkende ter voorbereiding en instructie van de zaak.

4.6 Nu beide partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, acht de kantonrechter termen aanwezig om de proceskosten te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

5.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Menzis van een bedrag groot EUR 71,37 (zegge: eenenzeventig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.4 wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 244