Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BW4033

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
359017 \ CV EXPL 11-4420
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pachtzaak: vraag of inbreng van melkquotum in een commanditaire vennootschap met een derde bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Pachtkamer

locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 359017 \ CV EXPL 11-4420

vonnis van de pachtkamer d.d. 9 december 2011

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. ing. E. Oostra,

tegen

[gedaagde],

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.J. Nicolaas.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om een tussen partijen bestaande pachtovereenkomst te ontbinden, [gedaagde] te veroordelen tot oplevering van het gepachte, alsmede tot voldoening van de halve opbrengst van de met het gepachte samenhangende melkquotum met de wettelijke handelsrente, dan wel tot overdracht van het met het gepachte samenhangende melkquotum, en kosten.

[gedaagde] heeft bij antwoord de vordering betwist.

Bij tussenvonnis van 19 augustus 2011 is een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Vervolgens is vonnis bepaald.

Door [eiser] en [gedaagde] zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De vaststaande feiten

2.1. [gedaagde] pacht van [eiser] een aantal percelen grasland, kadastraal bekend gemeente Grouw, sectie G, nummer 511 en 928, samen groot 6.14.90 hectare. De pachtovereenkomst is aangegaan voor zes jaren, ingaande 12 mei 1995. De pachtovereenkomst is op 18 oktober 1996 goedgekeurd door de Grondkamer Friesland. Met het gepachte is een referentiehoeveelheid heffingsvrije melk gaan samenhangen van 9.700 kg per hectare voor het melkprijsjaar 1995/1996, over het melkprijsjaar 2011/2012 neerkomende op 11.100 kg per hectare.

2.2. [gedaagde] heeft een agrarisch bedrijf gevoerd in maatschapsverband met zijn echtgenote [echtgenote]. Op 13 maart 2009 hebben [gedaagde] en zijn echtgenote aan een derde verkocht en op 27 april 2009 geleverd een melkveehouderijbedrijf met bedrijfsgebouwen met toebehoren, erf en weiland, vee, een hoeveelheid melkquotum en diverse roerende zaken. Ingaande 1 april 2009 is de maatschap [gedaagde]-[echtgenote] een commanditaire vennootschap aangegaan met [A], met de maatschap [gedaagde]-[echtgenote] als commanditaire vennoot en [A] als beherend vennoot.

Per 10 juli 2009 is de maatschap [gedaagde]-[echtgenote] omgezet in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [gedaagde] Eastermar B.V., welke de positie van commanditaire vennoot heeft overgenomen. Het gepachte is ingebracht in de besloten vennootschap en de op het gepachte rustende melkquotum is door [gedaagde] Eastermar B.V. ingebracht in de commanditaire vennootschap.

Het standpunt van partijen

[eiser]

3.1. [eiser] stelt dat er aan de zijde van [gedaagde] sprake is van wanprestatie en dat de pachtovereenkomst daarom dient te worden ontbonden. [gedaagde] heeft in 2009 zijn complete melkveehouderijbedrijf verkocht en oefent als persoon niet meer bedrijfsmatig de landbouw uit. Er is geen sprake meer van een agrarische onderneming. Hij heeft geen vee meer en heeft, inclusief het gepachte, momenteel nog ongeveer 12 hectare land in pacht, waarvan aan het eind van dit jaar de helft zal wegvallen. De revenuen die hij ontvangt uit zijn vermogen zijn vele malen groter dan hij met enige agrarische productie zal ontvangen.

[gedaagde] heeft [eiser] niet op de hoogte gesteld van een en ander en desgevraagd daarentegen gemeld dat hij verder zou gaan boeren.

3.2. Verder heeft [gedaagde] het gepachte land en het melkquotum ook niet meer persoonlijk in gebruik, maar hij heeft dit zonder voorafgaande toestemming van [eiser] ondergebracht in de [gedaagde] Eastermar B.V. Het melkquotum is daarna ingebracht in de melkmaatschap met [A]. [gedaagde] heeft hiermee gehandeld in strijd met goed pachterschap. [gedaagde] kan ook geen melkproductie meer starten omdat hij zijn bedrijfsgebouwen heeft verkocht en ook geen persoonlijk leverantienummer bij de melkfabriek meer heeft.

[gedaagde]

4.1. [gedaagde] stelt dat er nog steeds sprake is van een agrarische onderneming. Hij heeft in 2009 een gedeelte van het bedrijf verkocht omdat zich die mogelijkheid voordeed. [gedaagde] beraadt zich over een mogelijke voortzetting van het bedrijf. [gedaagde] en zijn echtgenote zijn nog eigenaar van het woonhuis, een schuur met tanklokaal en twee loodsen en hij beschikt nog over de benodigde machines. Het bedrijf bestaat uit de opbrengst van het melkquotum dat is ingebracht in de commanditaire vennootschap met [A] en bewerking van de 12 hectare land en loonwerk. De vennootschap heeft nog een lidnummer bij Friesland Campina. Het gepachte land wordt gebruikt voor ruwvoerwinning en dat gebruik is ongewijzigd gebleven.

4.2. De pachtpenningen zijn steeds betaald door de maatschap. [gedaagde] en zijn echtgenote hebben om fiscale redenen [gedaagde] Eastermar B.V. opgericht. Door de oprichting van de besloten vennootschap heeft er geen wijziging plaatsgevonden in de zeggenschap. [gedaagde] en zijn echtgenote zijn directeur groot aandeelhouder. De zeggenschap over het gepachte ligt nog volledig bij [gedaagde] en van een tekortschieten in de verplichting tot persoonlijk gebruik is geen sprake. Het onderbrengen van het melkquotum in de besloten vennootschap is niet in strijd met goed pachterschap. [gedaagde] kan de verplichting tot oplevering van het quotum bij het einde van pacht nakomen.

4.3. Het melkquotum is door [gedaagde] als bestuurder van de besloten vennootschap tijdelijk ondergebracht in de melkvennootschap met [A]. Deze vennootschap is aangegaan voor de duur van zes jaren. Het is [A] niet toegestaan om het door [gedaagde] ingebrachte melkquotum te vervreemden, te bezwaren of daarover te beschikken. Zodra de samenwerking eindigt heeft [gedaagde] het melkquotum weer op zijn naam. Indien [gedaagde] en zijn echtgenote de meerderheid van de aandelen verliezen, eindigt de vennootschap met [A] en komt het melkquotum ook weer aan [gedaagde] toe.

De beoordeling van het geschil

5.1. De pachtkamer oordeelt als volgt. De vordering van [eiser] rust in feite op twee pijlers; [gedaagde] oefent niet meer bedrijfsmatig de landbouw uit en hij heeft het gepachte en het daarop rustende melkquotum zonder medeweten en toestemming van [eiser] in gebruik gegeven aan een derde.

5.2. Met ingang van 1 september 2007 is het pachtrecht ondergebracht in Titel 5 van Boek 7 BW. Volgens het bepaalde in artikel 7:376 lid 1, aanhef en onder a, BW wordt de pachter geacht in de nakoming van zijn verplichtingen te zijn tekortgeschoten indien hij het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw gebruikt. Uit het bepaalde in artikel 7:312 BW volgt dat er daarbij sprake dient te zijn van bedrijfsmatige uitoefening van bijvoorbeeld weidebouw of veeteelt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of daarvan bij [gedaagde] nog sprake is.

5.3 Alvorens daarover te oordelen zal de pachtkamer eerst oordelen over de inbreng door [gedaagde] van het met het gepachte samenhangende melkquotum in de commanditaire vennootschap door middel van [gedaagde] Eastermar B.V. [gedaagde] en zijn echtgenote hebben blijkens de oprichtingsakte de volledige zeggenschap over [gedaagde] Eastermar B.V. en uit de oprichtingsakte van de commanditaire vennootschap valt af te leiden dat na beëindiging van de commanditaire vennootschap het melkquotum dat door [gedaagde] Eastermar B.V. is ingebracht weer op haar naam komt. Voorts heeft [A] verklaard dat ingeval van eerdere beëindiging van de pachtovereenkomst [gedaagde] Eastermar B.V. kan beschikken over het met het gepachte samenhangende melkquotum.

5.4. Volgens vaste rechtspraak heeft de verpachter bij beëindiging van een pachtovereenkomst aanspraak op oplevering van het met het gepachte samenhangende melkquotum. Uit onder meer de uitspraken van het pachthof van 9 februari 2009, LJN BL3756, Agrarisch Recht 2010, nr. 5565, 20 april 2010, LJN BM2185, Agrarisch Recht 2010 nr. 55776 en 9 november 2010, LJN BO3607, Agrarisch recht 2011, nr. 5633 valt af te leiden dat de verbintenis tot een zodanige oplevering op het moment van het einde van de pacht opeisbaar is. Een aan het einde van de pachtovereenkomst voorafgaande vordering van de verpachter uit wanprestatie, in verband met tussentijdse vervreemding door de pachter van het melkquotum, kan worden toegewezen indien een van de in artikel 6:80 BW genoemde situaties zich voordoet. Naar het oordeel van de pachtkamer heeft [gedaagde] met hetgeen door hem is aangevoerd en overgelegd voldoende gemotiveerd gesteld dat hij bij het einde van de pachtovereenkomst in staat zal zijn om het met het gepachte samenhangende melkquotum op te leveren en aldus aan zijn verplichtingen dienaangaande te voldoen en [eiser] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Aan het inbrengen van het melkquotum in [gedaagde] Eastermar B.V. respectievelijk de commanditaire vennootschap kan derhalve geen grondslag voor ontbinding van de pachtovereenkomst worden ontleend.

5.5 De term bedrijfsmatig houdt in dat er sprake moet zijn van een agrarische onderneming. Daarvoor is nodig dat er sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Voor de beoordeling of daarvan sprake is heeft pachthof Arnhem in de uitspraak van 12 mei 2009, LJN BI4361, Agrarisch Recht 2009/5535, een viertal zogenoemde gezichtspunten geformuleerd, te weten:

a. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten;

b. de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;

c. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;

d. de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;

een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval.

5.6. De pachtkamer begrijpt dat [gedaagde] na de vrijwel volledige verkoop van zijn melkveebedrijf in 2009 zelf geen vee meer heeft en ook geen of vrijwel geen landerijen meer in eigendom heeft. De nog door [gedaagde] gepachte percelen worden gebruikt voor ruwvoerwinning. Door middel van aanvankelijk de maatschap [gedaagde]-[echtgenote] en vervolgens [gedaagde] Eastermar B.V. bestaat de inbreng in de commanditaire vennootschap met [A] uit ruim 900.000 kilogram melkquotum, waarvan ongeveer 10% samenhangt met het gepachte, en daarnaast nog een geldbedrag van € 1.000,--. [gedaagde] Eastermar B.V. ontvangt blijkens de oprichtingsakte van de commanditaire vennootschap in verband met haar inbreng jaarlijks een vergoeding vanwege de ter beschikking gestelde productierechten, alsmede een percentage van de winst. De verdere agrarische activiteiten van [gedaagde] in met name in vennootschap met [A] zijn de pachtkamer onvoldoende duidelijk geworden.

5.7. De vraag is of de momenteel door [gedaagde], mede via [gedaagde] Eastermar B.V., uitgeoefende activiteiten als bedrijfsmatige landbouwuitoefening moeten worden aangemerkt kan gelet op het ontbreken van voldoende informatie omtrent de activiteiten van [gedaagde] niet worden beantwoord. De pachtkamer doelt daarbij op de door [gedaagde] verrichte agrarische werkzaamheden, de aard omvang en de tijdsbesteding daarvan, en het rendement. Daarover zal door [gedaagde] nadere informatie dienen te worden verstrekt en hij zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

Beslissing

De pachtkamer:

verwijst de zaak naar de rolzitting van vrijdag 20 januari 2012 voor akte uitlating aan de zijde van [gedaagde] inzake hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 5.7; waarna [eiser] nog in de gelegenheid zal worden gesteld om daarop bij akte te reageren.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter-voorzitter en P. Kingma en L. Tamminga, leden-deskundigen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 184.