Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BV1158

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
AWB 10/2628
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9388, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

prive-gebruik auto; verhuur aan fiscale partner

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1009 met annotatie van Elbert
FutD 2012-0260
V-N Vandaag 2012/251
V-N 2012/13.3.1
Belastingadvies 2012/6.2

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 10/2628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde [gemachtigde eiser],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer].H.77) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.541 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.034. Verweerder heeft tevens bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 313 alsmede bij beschikking een boete van € 664.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 november 2010 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij faxbericht van 21 december 2010, ontvangen bij de rechtbank op 20 december 2010, beroepen ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011 te Leeuwarden.

Eisers gemachtigde is (aangetekend) schriftelijk uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn, maar is niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst waarna de griffier telefonisch contact heeft gezocht met de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft telefonisch toestemming gegeven de zitting zonder zijn aanwezigheid voort te zetten. Het onderzoek is vervolgens hervat.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

1.1 Eiser woont ongehuwd samen met mevrouw [mevrouw]. Zij hebben gekozen voor fiscaal partnerschap in het onderhavige belastingjaar. Tot het gezin behoren twee kinderen.

1.2 Eiser drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak genaamd [eenmanszaak]. Daarnaast is eiser aangesloten bij de in Duitsland gevestigde [groep], eiser is daar werkzaam onder de naam [naam].

1.3 Tot het ondernemingsvermogen van eiser behoort een personenauto van het merk [merk] ([auto]), met een cataloguswaarde van € 51.000. Tot eisers privévermogen behoort een [terreinvoertuig] (terreinvoertuig). De fiscale partner van eiser (zie 1.1) staat eveneens een privéauto ter beschikking.

1.4 Voor de [auto] wordt een kilometeradministratie bijgehouden in de vorm van een overzicht in Excel. De verreden kilometers zijn in dit overzicht onderverdeeld in zakelijke kilometers, verhuurkilometers en privékilometers.

1.5 Eiser stelt de [auto] aan zijn fiscale partner te verhuren. De [auto] is in 2007 38 keer door de fiscale partner gebruikt. Er bestaat geen schriftelijke overeenkomst betreffende deze verhuur, de afspraken zijn mondeling gemaakt. De fiscale partner van eiser maakt gebruik van de [auto] als eiser thuis is.

1.6 Met dagtekening 31 december 2007 zijn door eiser de volgende twee facturen aan de fiscale partner opgemaakt:

Factuurnr. : [nummer 1]

Factuur [nummer 1]

Factuurnr. : [nummer 2]

Factuur [nummer 2]

De factuur met nummer [nummer 2] betreffen 3.910 kilometers ten behoeve van een vakantie met het hele gezin naar Frankrijk.

1.7 De [auto] is niet door andere personen dan eiser en zijn fiscale partner gebruikt.

1.8 Eisers aanslag IB/PVV 2007 is met dagtekening 3 juli 2009 opgelegd conform de ingediende aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.044 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.034.

1.9 Op 4 november 2009 heeft bij eiser een boekenonderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn eiser in het rapport met datum 30 november 2009 medegedeeld. Ten aanzien van het privégebruik van de [auto] vermeldt verweerder in zijn rapport:

"De auto van de onderneming wordt ook voor privé-doeleinden gebruikt. Het betreft de in eind december 2006 aangeschafte [auto] met kenteken [kenteken]. Deze auto werd op de balans opgenomen. Belastingplichtige heeft in 2007 een kilometeradministratie bijgehouden. De verreden kilometers worden in een Excel overzicht bijgehouden en onderverdeeld in zakelijk, verhuur en privé. De onder verhuur genoteerde kilometers (9.046) betreffen de verreden kilometers door de (fiscale) partner/echtgenote, mevrouw [mevrouw]. Gedurende het jaar zijn er een tweetal nota's voor dit gebruik uitgeschreven en voor het restant aan verreden kilometers werd per 31-12-2007 een verzamelnota uitgeschreven. In 2007 werd er 9.046 kilometer mee gereden door mevrouw [mevrouw], en nog eens 3.910 kilometer door het hele gezin tijdens de zomervakantie. Conclusie: De auto stond niet geheel ter beschikking van de onderneming. De niet voor de onderneming verreden kilometers worden gezien als overige niet zakelijk verreden kilometers. Daarom dient de bijtelling voor privé gebruik auto plaats te vinden." Verweerder corrigeert voor privégebruik auto een bedrag van € 8.329. Als gevolg hiervan wijzigt de MKB-vrijstelling van € 1.228 naar € 2.060. Het gecorrigeerde verzamelinkomen 2007 is dan als volgt:

Aangifte inkomstenbelasting 2007

Aangifte inkomstenbelasting 2007

1.10 In het controlerapport (onder 1.9) deelt verweerder mede voornemens te zijn een vergrijpboete op te leggen in gevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB). Verweerder motiveert het opleggen van de boete als volgt in zijn rapport: "De correcties betreffen het niet volledig aangeven van het privé gebruik auto. Er werd door belastingplichtige verondersteld dat de auto aan de fiscale partner kon worden verhuurd op kilometerbasis. De auto stond daarom niet uitsluitend ter beschikking van de onderneming. Van de belastingplichtige mocht worden verwacht dat hij zich zou overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de bovenbedoelde feiten en handelswijze. Hij heeft dit kennelijk nagelaten. Er is sprake van een ernstige verwijtbaarheid, gelijk te stellen met (een geval van) grove schuld. ".

1.11 Verweerder heeft de onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV 2007 opgelegd overeenkomstig de onder 1.9 vermelde berekening.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en meer specifiek of verweerder terecht een bijtelling vanwege privégebruik van de [auto] in aanmerking heeft genomen. Tevens is in geschil of de boete terecht is opgelegd.

2.2 Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend. Eiser voert daartoe - kort gezegd - aan dat geen navordering rechtvaardigend nieuw feit aanwezig is. Eiser is voorts van mening dat de bijtelling vanwege privégebruik niet terecht is gezien de kilometeradministratie. Eiser acht de boete onterecht. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag en de boetebeschikking tot nihil.

2.3 Verweerder beantwoordt de vragen onder 2.1 bevestigend. Verweerder is van mening dat een navorderingsaanslag rechtvaardigend nieuw feit aanwezig is. Verweerder stelt dat eiser niet voldaan heeft aan zijn bewijslast dat er minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gereden. Verweerder handhaaft zijn standpunt betreffende de boete. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

3.2 Naar de rechtbank begrijpt stelt eiser zich - samengevat - op het standpunt dat verweerder ten tijde van het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 van eiser beschikte over de aangifte waaruit te destilleren is dat tot het bedrijfsvermogen een personenauto behoorde. Nu eiser onder privégebruik auto geen bedrag heeft aangegeven, lag het op de weg van de verweerder hierover vragen te stellen. Nu dat niet is gebeurd, is er naar mening van eiser geen nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

3.3 Verweerder betoogt daarentegen dat de primitieve aanslagregeling zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de ingediende aangifte IB/PVV 2007 geen aanleiding gaf voor het instellen van een nader onderzoek.

3.4 Met betrekking tot de onderzoeksplicht van verweerder overweegt de rechtbank dat bij het vaststellen van de primitieve aanslag als uitgangspunt heeft te gelden dat de inspecteur in beginsel mag afgaan op de aangifte van een belastingplichtige en mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. De inspecteur is slechts gehouden een nader onderzoek in te stellen indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen dan wel indien er bijzondere omstandigheden zijn die hem reden geven aan de juistheid van de ingediende aangifte te twijfelen (vergelijk onder andere Hoge Raad 7 december 2007, nr. 43 489, V-N 2007/58.14).

3.5 De rechtbank is van oordeel dat de aangifte IB/PVV 2007 van eiser verweerder geen aanleiding hoefde te geven om een nader onderzoek in te stellen. Hierbij speelt mede een rol dat de aangifte een verzorgde indruk maakte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het regelen van de aanslag, zonder vragen te stellen over een eventueel privégebruik van de [auto], geen ambtelijk verzuim heeft begaan dat aan navordering in de weg staat. Eisers grief faalt.

3.6 Uit artikel 3.20, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2007) volgt dat geen bijtelling wegens privé-gebruik van de auto plaatsvindt indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat met de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. Uit het woord "blijkt" volgt dat eiser overtuigend dient aan te tonen dat hij in het onderhavige jaar de hem ter beschikking gestelde auto in totaal niet meer dan 500 kilometers voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel kunnen bij ministeriele regeling regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen of regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

3.7 Bij de stukken bevindt zich een rittenregistratie met betrekking tot de [auto] die eiser in 2007 tot zijn beschikking heeft gehad. In de periode 24 juli tot en met 21 augustus 2007 is de [auto] blijkens de rittenregistratie verhuurd. Vaststaat dat de [auto] tijdens deze periode door het gezin van eiser is gebruikt voor een vakantie in Frankrijk en dat tijdens deze periode 3910 kilometer is gereden (zie 1.6). Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze vakantiekilometers met het gezin aan te merken als privékilometers zodat meer dan 500 kilometer privégebruik met de aan eiser ter beschikking gestelde auto heeft plaatsgevonden. Dat de auto tijdens de vakantie aan zijn partner zou zijn verhuurd - wat daar overigens ook van zij - maakt dit oordeel niet anders, nu eiser als lid van het gezin in die periode feitelijk (mede) van de auto gebruik maakte. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser reeds hierom faalt. De rechtbank wijst eiser er bovendien op dat de rittenregistratie eventuele andere door eiser privé gereden kilometers niet uitsluit nu deze verhuld kunnen worden doordat van de in die rittenstaten vermelde verhuurkilometers slechts totalen zijn vermeld en geen afzonderlijke ritten zijn genoteerd. Eiser heeft ook geen ander bewijs bijgebracht om zijn stelling te onderbouwen dat in de kilometrages die zijn vermeld bij de verhuurritten geen kilometers zijn begrepen die voor privé-doeleinden zijn gereden. Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser niet heeft doen blijken dat hij de ter beschikking gestelde [auto] op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Aan de beoordeling van de vermeende onzakelijkheid van de gestelde verhuur komt de rechtbank dan niet toe.

3.8 Indien met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit ingevolge artikel 67e van de AWR een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.

3.9 Verweerder heeft onder toepassing van de paragrafen 25, tweede lid en 27 van het BBBB aan eiser een vergrijpboete opgelegd van 25% wegens aan hem toegedichte grove schuld.

3.10 Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting wordt geheven in de zin van artikel 67e van de AWR. Grove schuld dient te worden opgevat als een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid dat mede grove onachtzaamheid omvat. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken van het geding dat eiser op de hoogte is van de regeling omtrent het privégebruik auto. Hij houdt immers van zijn tot het ondernemingsvermogen behorende [auto] kilometers bij in een overzicht en vermeldt of er zijns inziens sprake is van zakelijke kilometers, privékilometers of verhuurkilometers. Hij geeft daarbij naar oordeel van de rechtbank, echter een verkeerde voorstelling van zaken door de kilometers met een privékarakter, te weten de vakantiekilometers, niet aan te merken als privékilometers. Eiser moet zich ervan bewust zijn geweest dat deze kilometers, waarbij hij (mede) gebruiker van de auto was, als privékilometers waren aan te merken. Eiser heeft door deze handelswijze naar oordeel van de rechtbank dermate lichtvaardig gehandeld, dat gesproken kan worden van grove onachtzaamheid. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, in zoverre dan ook terecht een boete van 25% bepleit (zie onder 1.10), welke de rechtbank onder de gegeven omstandigheden passend en geboden acht.

3.11 Nu verweerder op het bezwaar tegen de beschikking inzake heffingsrente niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat in de onderhavige uitspraak op bezwaar ook de beslissing ligt besloten om de beschikking inzake heffingsrente te handhaven. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van verweerders beslissing om de beschikking heffingsrente te handhaven. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de navorderingsaanslag volgt.

3.12 Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011.

w.g. M.J. Tijnagel

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.