Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BV0793

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
12-01-2012
Zaaknummer
115345 - KG ZA 11-299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot nakoming van koopovereenkomst met betrekking tot paard. Onmogelijkheid tot afgifte paard doordat paard is verkocht en overgedragen aan een derde leidt tot wanprestatie en lost zich noodgedwongen op in schadevergoeding.

Reconventionele vordering tot staking lasterpraktijken. Artikel 6:171 BW niet van toepassing op een in privé gegeven opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 115345 / KG ZA 11-299

Vonnis in kort geding van 14 december 2011

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats] ([land]),

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.J.M. Vannisselroy, kantoorhoudende te Veldhoven,

tegen

[B] h.o.d.n. [C],

gevestigd te [plaatsnaam],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.J.A. Weda, kantoorhoudende te Kamerik.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief met de akte houdende eis in reconventie alsmede de producties 1 tot en met 15 van mr. Weda van 16 november 2011

- de fax met de aanvullende producties 19 tot en met 21 van mr. Vannisselroy van 18 november 2011

- de fax met de aanvullende productie van mr. Weda van 18 november 2011

- de mondelinge behandeling van 22 november 2011

- de pleitnota, tevens houdende aanvulling van eis in conventie van [A]

- de pleitnota van [B]

- de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een minnelijke regeling

- het verzoek van beide partijen om vonnis te wijzen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [B] was eigenaresse van een vierjarige zwarte Friese hengst genaamd [het paard], 1,66 meter groot, vader [paard A], moeder [paard B]. [het paard] is geboren met de naam “[paard C]” op [geboortedatum], met chipnummer [nummer].

2.2. [B] doet aan paardensport en handelt ook in paarden. Zij heeft een bedrijf onder de naam “[C]”.

2.3. Mevrouw [D], handelend onder de naam “[E]” (hierna: [D]), heeft op haar website [het paard] te koop aangeboden. [A], met de Nederlandse nationaliteit maar wonende in [land], heeft op de advertentie van [D] gereageerd.

2.4. [D] heeft een afspraak gearrangeerd tussen [A] en [B], om [het paard] te kunnen zien en berijden. Op dinsdagochtend 30 augustus 2011 zijn [A] en zijn vriendin, mevrouw [F] (hierna: [F]), naar [B] gegaan. [A] en [F] hebben [het paard] gezien en bereden. [A] en [F] hebben [B] laten weten interesse te hebben in de koop van [het paard]. [B] noemde de vraagprijs van EUR 15.000,00. [A] heeft later op die dag telefonisch aan [B] doorgegeven [het paard] te willen kopen. [B] liet weten nog te willen overleggen met haar echtgenoot. 's Middags was [A], samen met [F] en [D], bij de familie [G] in [plaatsnaam] toen [B] naar [D] belde en haar mededeelde dat zij akkoord ging met de verkoop van [het paard] aan [A] voor EUR 15.000,00. Op dinsdagavond heeft [B] twee sms'jes naar [A] gestuurd met het verzoek om contact met haar op te nemen. [A] heeft daar niet op gereageerd.

2.5. Op woensdagochtend 31 augustus 2011 deelde [D] aan [A] mee dat de afspraak die die ochtend met [B] zou plaatsvinden, niet door zou gaan omdat [B] zich ziek had gemeld.

2.6. Op donderdag 1 september 2011 zijn [A] en [F] vertrokken naar [land].

2.7. Op vrijdag 2 september 2011 heeft [B] in [plaatsnaam] een wedstrijd met [het paard] gereden. Daar heeft [het paard] de eerste en tweede prijs gewonnen, waardoor [B] met [het paard] werd uitgenodigd voor de finale die op [datum] in [plaatsnaam] zou plaatsvinden.

2.8. Op zondag 4 september 2011 heeft [B] per e-mail aan [D] - voor zover hier van belang - het volgende bericht:

'Het blijft bij mij spelen dat [het paard] wel een paard is voor in de sport,je zal me wel voor gek verklaren dat ik die 15.000 euro niet met beide handen aangrijp,maar ik denk dat ik hem daarvoor wel kwijtraak en dan verkoop ik hem toch liever aan iemand die ook dressuur met hem wil gaan rijden.

Anders is het eeuwig zonde.

(…)

Nu zou het betekenen dat hij alleen voor wat buitenritten en een beetje hobbelrijden zou worden gebruikt en daar vind ik het paard te goed voor.

Komt bij dat [A] mij niet meer heeft gebeld nadat ik dat 2 maal heb verzocht per sms,hier houd ik een vreemd gevoel aan over,mede hoe het natuurlijk is gegaan en daar ben ik natuurlijk zelf ook debet aan. Toch willen ze dat paard en spelen het dan nu maar via jou,zonder nog contact op te nemen. (…)

Mocht je er problemen mee krijgen,dan speel je ze maar door aan mij,geef ik tekst en uitleg.Jij hebt alles netjes gedaan en besproken.

Maar [het paard] moet voor mijn gevoel toch naar een ander baasje.

Ik hoop op je begrip voor mijn heen en weer beslissingen,dat is mijn fout.Maar het moet bij mij altijd wel goed voelen en dat doet het niet en dan krijg ik geheid wroeging en spijt en dat kunnen 15.000 euro niet goed maken.'

2.9. [B] heeft met de heer [H] (hierna: [H]) - voor zover hier van belang - de volgende koopovereenkomst gesloten waarbij als datum van ondertekening 4 september 2011 wordt vermeld:

'1. Verkoper verklaart te hebben verkocht gelijk koper verklaart te hebben gekocht op 4 september 2011 het paard [paard C]. (sportnaam [het paard]) (…) zulks tegen een koopsom ad 15.000 euro (…)

2. Het is koper bekend dat het paard in 2010 klinisch en röntgenologisch is gekeurd geweest,het paard bleek een OCD in de kogel te hebben en is hieraan in 2010 geopereerd met daarna een herstelperiode van 3 maanden.

3. Koper heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- Paspport,klinisch en röntgenologisch rapport,cd met rontgenfoto's,stamboekpapier

4. De bescheiden zoals opgesomd in punt 3 zullen door de verkoper bij de levering (4 september 2011) van het paard aan koper worden overhandigd.

5. Koper ziet af van een klinische en rontgenologische keuring,koper gaat accoord met de klinische en rontgenologische keuring d.d. 16 juni 2010.

6. Koper heeft de koopsom á 15.000 euro voldaan door verkoper haar deel van de in hun gezamenlijk eigendom zijnde merrie ([paard D]) te verhogen van 20% naar 50% eigendom. (…)

7. Koper verklaart het paard te hebben aanvaard in de conditie waarin het paard zich ten tijde van de levering bevindt. Verkoper biedt geen enkele garantie omtrent de ontwikkeling van het paard als sportpaard. Het risico hiervan komt geheel voor rekening van koper. Verkoper verklaart dat het paard niet lijdt aan een stalgebrek - waaronder begrepen waven, luchtzuigen en kribbebijten-en wel voor een periode van drie maal 24 uur na levering. In geval koper constateert dat het paard aan een van genoemde stalgebreken lijdt dient koper dit ommegaand en wel binnen een week aan verkoper mede te delen en wel aangetekende post vergezeld met een verklaring van een dierenarts. Indien koper niet binnen gestelde termijn klaagt, verliest hij het recht dit later alsnog te doen.

8. Koper verklaart het paard te verzorgen en te onderhouden ,zoals een goed huisvader betaamt.

9. Verkoper heeft het recht tot eerste koop.

10. Koper gaat accoord met het feit dat het paard nog deel zal nemen onder [B] aan de finale van het [I] dressuurkampioenschap Fries Ras te [plaatsnaam] op [datum]. De combinatie heeft zich hiervoor geplaatst. Koper stalt het paard hiervoor 2 weken van tevoren op het bedrijf "[C]" om door [B] getraind te kunnen worden als voorbereiding.

11. Vanaf het moment van levering d.d. 4 september 2011 (het moment dat verkoper het paard fysiek overdraagt aan koper op het terrein van verkoper, te weten aan [adres]) komt het paard geheel voor rekening en risico van koper.

12. Alle eventuele uit deze koopovereenkomst voortvloeiende geschillen zullen met uitsluiting van iedere andere rechter in eerste instantie worden berecht door de rechtbank te Leeuwarden.

Aldus in tweevoud opgemaakt te [plaatsnaam] d.d. 4 september 2011 en ondertekend (…)'

2.10. Op 6 september 2011 heeft [D] - voor zover hier van belang - schriftelijk het volgende verklaard:

'[B] (…) heeft mij gevraagd om haar te helpen bij het verkopen van een paard van haar. Het gaat om [het paard] (…).

Ik heb ervoor gezorgd dat [A] naar [B] is gegaan om [het paard] te zien. [A] is op Dinsdagmorgen 30 augustus 2011, met vriendin [F], bij [B] geweest om [het paard] te zien en te berijden, dit was rond 10 uur.

Daarna heeft [A], [B] en mij gebeld en ons laten weten dat hij besloten heeft om [het paard] te kopen. De vraagprijs bedroeg € 15.000,-, daarmee ging hij akkoord.

[B] liet [A] telefonisch weten dat ze nog even wilde nadenken en overleggen met haar man.

Op dinsdagmiddag 30 augustus 2011, rond half vier, wij waren bij de Fam [G] in [plaatsnaam] op dat moment een Friese merrie aan het bekijken.

[B] nam contact met mij op rond half 4 en vertelde mij dat ze akkoord ging met de verkoop van [het paard] aan [A].

[F] en [A] waren ontzetten blij (…).

Wel is er een voorwaarde afgesproken, die overigens gebruikelijk is bij de verkoop van paarden. [het paard] zou nog klinisch gekeurd moeten worden door een dierenarts. Als zo'n keuring niet goed gaat, er komen bijvoorbeeld gezondheidsproblemen aan het licht, dan kan de koper alsnog van de koop afzien.

Ik heb diezelfde avond [B] nog eens aan de telefoon gehad. We hebben het toen over de koop van [het paard] gehad en over de keuring. [B] vertelde dat zij [het paard] donderdag, dus twee dagen later, klinisch zal laten keuren door een dierenarts uit [plaatsnaam]. (…) Als de keuring geregeld is, zou [A] € 15.000,- overmaken op mijn rekening. Ik heb met [B] afgesproken dat ik [het paard] dan de komende zaterdag bij haar zou ophalen en naar een andere stal zal brengen, bij [G] in [plaatsnaam]. Daar zou [A] het paard nog een aantal weken laten staan en zou daar gecastreerd worden. Na een maand zou [het paard] dan vervoerd worden naar [land] (…).

[B] heeft goed met mij en [A] meegedacht. Ze heeft geadviseerd om [het paard] door [J] te laten vervoeren. Ook heeft ze voorgesteld om [het paard] niet bij [G] in de stal te laten castreren, maar op de kliniek in [plaatsnaam]. Ook dit voorstel heb ik met [A] besproken en we hebben afgesproken dat [het paard] idd naar de kliniek zou gaan voor de castratie.

[A] heeft dit ook doorgegeven aan Dhr [G] in [plaatsnaam], dat [het paard] dus later naar zijn stal zou komen.

Omdat vanwege de verzekering, [A] mij opdracht gegeven had [het paard] zowel Klinisch en Rontg te laten keuren, is de klinische keuring van donderdag niet doorgegaan.

Dit alles zou op kosten van [A] gebeuren.

[B] moest een nieuwe afspraak maken bij een andere kliniek, maar omdat de afspraak niet meer voor het weekend kon plaats vinden, werd mij door [B] verteld dat ze vrijdag terug gebeld zou worden door de desbetreffende dierenarts voor het maken van een afspraak.

Dit alles heb ik doorgegeven aan [A].

Tot mijn grote verbazing heeft [B] mij op zondagavond 4 september 2011 een mailtje gestuurd. Ze vertelde me daarin dat ze [het paard] toch liever aan iemand verkoopt die ook dressuur met hem wil gaan rijden. Volgens [B] moet [het paard] voor haar gevoel toch naar een ander baasje.

Ik heb maandagmorgen meteen met [A] gebeld en hem dit verteld. Hij was erg verbaasd, net als ik. [B] heeft [het paard] voor € 15.000,- verkocht aan [A], ze heeft dat duidelijk aan de telefoon tegen mij gezegd en in latere gesprekken in die week heeft ze dat nog een paar keer aan mij bevestigd. Dit omdat er nog veel geregeld moest worden, zoals keuring datum ed..

De enige voorwaarde die is afgesproken, is dat [het paard] nog gekeurd zou worden, alleen als er gekke dingen uit die keuring naar voren zouden komen, zou [A] nog van de koop af kunnen zien, maar anders niet.

Zo is het gegaan, daarom wil ik dit op papier verklaren en als het nodig is, steek ik daar mijn vingers voor in de lucht.'

2.11. Ter verzekering van het recht op afgifte en/of levering van [het paard] door [B] heeft [A] aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank, bij verzoekschrift van 8 september 2011 verzocht om toestemming te geven voor het doen leggen van conservatoir beslag ten laste van [B] op [het paard]. Deze toestemming is diezelfde dag nog verleend.

2.12. [A] heeft het beslagrekest in handen gegeven van gerechtsdeurwaarder M.T. van den Borg van Flanderijn en Van den Borg (hierna: de deurwaarder), teneinde het verleende verlof te effectueren. De deurwaarder is tweemaal, te weten op 8 en 9 september 2011, op het adres [adres] te [plaatsnaam] geweest in een poging het conservatoir beslag te effectueren. In het proces-verbaal van constatering van 8 september 2011 wordt - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

'In de stallen alsmede in het omringende weiland was niet een paard aanwezig, genaamd [het paard]. Tevens was in de stallen niet een paardenbox aanwezig waar de naam "[het paard]" op stond vermeldt.

[B] deelde mij mede dat het paard verkocht en geleverd was aan een zekere [H], wonende te [woonplaats]. Onderliggende stukken kon ze mij niet tonen.'

2.13. [A] heeft het onderzoeksbureau [K] B.V. (hierna: [K]) ingeschakeld om de verblijfplaats van [het paard] te traceren.

2.14. Op 15 september 2011 heeft [A] de voorzieningenrechter van deze rechtbank opnieuw verzocht om toestemming te geven voor het doen leggen van conservatoir beslag ten laste van [B] op [het paard]. Dit keer heeft [A] tevens toestemming gevraagd om [het paard] in bewaring te nemen. Dit verlof is op 16 september 2011 verleend.

2.15. De deurwaarder is op 16 september 2011 bij het perceel van de familie [L] aan de [adres] te [plaatsnaam] geweest om conservatoir beslag te leggen op [het paard]. Hij heeft daarvan een proces-verbaal van constatering opgemaakt, waarin - voor zover hier van belang - het volgende wordt vermeld:

'Na mij bekend hebbend gemaakt alsmede uitleg hebbend gegeven van het doel (…) van mijn bezoek, heeft mevrouw [L] telefonisch contact gezocht met haar man. Naar aanleiding van dat telefoongesprek is mij de toegang geweigerd het perceel te betreden. Mevrouw [L] deelde mij mede dat het paard "[het paard]"voornoemd niet aanwezig was. Zij deelde mij mede dat er op dit moment 1 fries paard aanwezig was, genaamd "[paard D]" en dat deze niet eigendom was van mevrouw [B].'

2.16. Op dezelfde dag heeft de deurwaarder nog een proces-verbaal van constatering opgemaakt, waarin - voor zover hier van belang - het volgende wordt vermeld:

'Mij begeven naar en bevonden te [plaatsnaam] aan [adres] ten woonhuize van de familie [M] in aanwezigheid van de heer [N] (…) alwaar ik gesproken met 2 dames, welke mij hunner namen niet kenbaar wilden maken en mij verzochten te legitimeren. Op hun verzoek heb ik mij gelegitimeerd en mijn doel (…) kenbaar gemaakt, waarna zij mij meedeelden dat zij inderdaad bij de stal van mevrouw [B] vandaan kwamen. Zij hebben verklaard een paard(aan hun in eigendom behorend) te hebben opgehaald bij de stal van mevrouw [B]. Zij deelden mij mede dat het friese paard, genaamd "[het paard]" niet in hun stal aanwezig was en verzochten mij het terrein te verlaten.

De paarden, waar voornoemde dames op reden, leken niet op de foto's van [het paard], welke aangehecht waren aan het verlof.'

2.17. In het observatierapport van [K] wordt - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

'Op 14 en 16 september 2011 is de observatie uitgevoerd.

Hierbij zijn vanaf de openbare weg of voor publiek toegankelijk plaats waarnemingen gedaan (…). Tijdens de observatie is, daar waar mogelijk en toegestaan, gebruik gemaakt van fotocamera's en handmatig te bedienen videocamera's. Alle originele opnames zullen na afloop van het onderzoek aan de opdrachtgever ter beschikking worden gesteld. (…)

14 september 2011

Tijd Observant Waarnemingen

(…)

16.27 R01/R03 De [auto] stopt voor perceel [adres] te [plaatsnaam]. Hier is woonachtig /

gevestigd Dierenfysiotherapeut [O]. [B] stapt uit de auto en opent de kofferbak. Daar neemt zij onder een zadel en een wit zadeldek uit en sluit het kofferbakdeksel. Hierna loopt zij naar de achterzijde van het genoemde perceel.

(…)

16.37 R01 [B] loopt vanuit een achter perceel 11 geplaatste schuur met een zwart

Video paard (Fries) dat zij aan het halster begeleid. Na enige minuten stapt zij als amazone op het paard. Het paard is opgezadeld met onder anderen een wit zadeldek.

16.54

[B] rijdt met het paard een naastgelegen wei in. Hier rijdt zij rondes in stap en lichte draf en galop.

Het paard, een Fries, is helemaal zwart, heeft een lange staart tot nagenoeg op de grond. De manen lijken heel kort maar zijn mogelijk ingevlochten. Door de plaatselijke situatie is het niet mogelijk erg dicht bij het paard te komen en worden de beelden op afstand gemaakt (ongeveer 200 meter).

17.01 R01 [B] loopt met het paard richting de stal. Daar stapt zij af en het paard

wordt naar binnen begeleid.

17.11 R01 [B] loopt met een zadel en wit zadeldek over de arm, richting de [auto]. Hier

aangekomen legt zij het zadel in de kofferbak van de auto en loopt weer terug naar perceel [adres] te [plaatsnaam].

(…)

16 september 2011

Tijd Observant Waarnemingen

(…)

13.12 R01 Er worden 2 Friese paarden aangetroffen in de wei achter de woning aan de

[adres] te [plaatsnaam]. 1 van beide dieren vertoont gelijkenis met het bedoelde

paard [het paard].'

2.18. Op 16 september 2011heeft [K] - voor zover hier van belang - de volgende advertentie, voorzien van een foto, geplaatst in de [krant 1]:

'Wie weet waar [het paard] is?

[het paard] is een 4-jarige zwarte Friese hengst, 1.66 m groot, veel behang, vader [paard A], moeder [paard B]. [het paard] is geboren met de naam [paard C] op [datum], chipnummer [nummer].

Mijn opdrachtgever geeft aan [het paard] op dinsdag 30 augustus 2011 te hebben gekocht, doch [het paard] is momenteel spoorloos.

[het paard] geniet bekendheid in de L dressuur en is getraind bij [C] te [plaatsnaam].

Mijn opdrachtgever looft een BELONING VAN € 1000,- uit aan degene die de tip geeft die leidt tot het vinden van [het paard].

Daartoe kan contact worden opgenomen met telefoonnummer (…) of via [e-mailadres]. Uiteraard zal alle informatie vertrouwelijk behandeld worden.'

2.19. Op 24 september 2011 heeft - voor zover hier van belang - het volgende, door een journalist geschreven, artikel in de [krant 2] gestaan:

'Getouwtrek om Friese hengst [het paard]

(…) Deurwaarders, een onderzoeksbureau en een advocaat. [A] uit [land] zet alles op alles om een Friese hengst in bezit te krijgen.

[A] wilde de vierjarige hengst van [B] uit [woonplaats] kopen. Zij bedacht zich echter en verkocht het paard aan een ander. Sindsdien doet [A] verwoede pogingen [het paard] te vinden.

(…)

[A] wil tot het uiterste gaan.'

2.20. Begin oktober 2011 heeft [A] met betrekking tot de beslaglegging telefonisch contact gezocht met [H].

2.21. Op 22 oktober 2011 hebben [P] en [Q] - voor zover hier van belang - schriftelijk het volgende verklaard:

'Tijdens de training kwam er een auto het erf oprijden, deze werd geparkeerd langs de trainingsbaan waarin wij aan het rijden waren. De bestuurder bleef in de auto zitten en observeerde ons tijdens de training (…). Wij zijn naar hem toe gereden terwijl hij ons fotografeerde. Bij hem aangekomen vroeg deze man ons of wij wisten waar het paard [het paard] was. (…) Deze metgezel leek erg boos te zijn en was er van overtuigd dat [het paard] zich op het erf bevond. (…) Er bleek dat de een van de mannen ons had achtervolgd vanuit [plaatsnaam] (…).

Het voorval (…) hebben wij als uiterst vervelend ervaren. Dat wij achtervolgd zijn en de manier van vraagstellen van beide mannen hebben wij als zeer intimiderend ervaren. Verder heeft het ons nerveus gemaakt dat deze mannen zich bij ons op privéterrein bevonden zonder zich aan iemand te hebben voorgesteld. Wij voelen ons nog altijd minder veilig en uiterst onprettig op het terrein wat wij jaren lang als veilige thuisbasis hebben ervaren. (…)'

2.22. Mevrouw [L] heeft - voor zover hier van belang - schriftelijk het volgende verklaard:

'Op 16 september jl (…) toen er iemand bij ons hek stond . (…) Hij vroeg mij of ik mevr. [B] kende (…). Hij vroeg mij toen ,zonder zich rechtstreeks te hebben gelegitimeerd te hebben, of ik een paard van mevr. [B] op stal had. (…) Ondertussen kwam er een witte bus met trailer aanrijden. (…) Hij gaf mij een onbehagelijk gevoel. (…)

(…) Zaterdag nacht is er iemand op mijn erf geweest en heeft een haan en een kip van ons in een ton gestopt. (…) Het hele gebeuren geeft mij een onrustig en onbehagelijk gevoel. (…)

Ik voel mij zeer geïntimideerd door het hele voorval. Ik vindt het een vervelende gedacht dat iemand ons of onze paarden bespioneerd.'

2.23. [H] heeft [het paard] verkocht. In deze (geanonimiseerde) koopovereenkomst wordt - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

'3. De overdracht/levering van het paard vindt plaats op 29 oktober 2011 tegen directe contante betaling van de verkoopprijs ,zoals genoemd onder 2.

(…)

5. Koper verklaart het paard te kopen met het volgende doeleind: recreatie

Verkoper verklaart dat het paard hiervoor geschikt is.

(…)

7. Koper verklaart op de hoogte te zijn van de volgende feiten en hiermee accoord te gaan:

-de klinische en rontgenologische keuring van het paard daterend van 16 juni 2010.

- de verwijderde OCD in de kogel van het paard middels een operatie in 2010.

-De koliekgevoeligheid van het paard,koper zal hier zijn maatregelen voor treffen.

8. Verkoper staat ervoor in dat het paard niet lijdt aan stalgebreken. Indien binnen een periode van 2 weken na levering door een dierenarts een stalgebrek wordt geconstateerd en hij/zij hierover een schriftelijke verklaring aflegt,waaruit blijkt dat het stalgebrek naar zijn/haar deskundig oordeel al bestond vóór de datum van de koopovereenkomst,heeft koper het recht deze koopovereenkomst te ontbinden. Hiertoe is slechts een aan verkoper gerichte aangetekende brief van koper nodig.

(…)

Naam: [H] (geanonimiseerd, voorzieningenrechter)

Datum: 29 oktober 2011-11-10 29 oktober 2011

Handtekening: Handtekening:

Bij afwezigheid

p/o'

2.24. Op 15 november 2011 heeft mevrouw [R] per e-mail aan [B] - voor zover hier van belang - het volgende bericht:

'Unfortunately, I am writing to tell you that I am no longer interested in pursuing a purchase of this horse. I have made this decision based on recent rumored information that has come to me through members of the Friesian community. It has come to my attention that you are involved in a situation in Holland that puts in question your business reputation both in Europe and in the US.'

3. De vordering in conventie

3.1. [A] vordert - samengevat -, na aanvulling van eis dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

[B] veroordeelt tot nakoming van de koopovereenkomst, doordat [A] in staat wordt gesteld [het paard] door een door hem aan te wijzen dierenarts of andere deskundige klinisch en röntgenologisch te laten keuren en, onder de voorwaarde dat [het paard] wordt goedgekeurd, zulks ter beoordeling van [A], [het paard] in eigendom over te dragen en af te leveren aan [A], op een door [A] nader (in Nederland) aan te wijzen plaats, dit laatste onder gelijktijdige betaling door [A] aan [B] van de overeengekomen koopprijs van EUR 15.000,00, dit een en ander binnen twee werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 15.000,00 indien [B] met (enig onderdeel van) het ten deze te wijzen vonnis in gebreke komt, te vermeerderen met een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat [B] daarmee in gebreke blijft;

subsidiair:

[B] veroordeelt om de onderhandelingen met [A], omtrent de verkoop aan hem van [het paard] tegen een koopprijs van EUR 15.000,00 en onder de reeds afgesproken en/of gebruikelijke (overige) voorwaarden, voort te zetten en te bekrachtigen in een schriftelijk contract, dit een en ander binnen twee werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 15.000,00 indien [B] met (enig onderdeel van) het ten deze te wijzen vonnis in gebreke komt, te vermeerderen met een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat [B] daarmee in gebreke blijft;

zowel primair als subsidiair:

I [B] veroordeelt tot het aan [A] betalen van een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van EUR 7.500,00, althans ten bedrage van een door de voorzieningenrechter in goede jusitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening, voorts met bepaling dat [A] bevoegd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem, in geval van levering van [het paard], te betalen koopprijs van EUR 15.000,00;

II [B] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2. [B] voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. [B] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I [A] veroordeelt de lasterpraktijken, waaronder verstaan het plaatsen van advertenties/het plaatsen van artikelen en publicaties in digitale vorm of in drukwerk inhoudende een opsporingsbericht naar het paard [het paard] dan wel een bericht met gelijke strekking, het benaderen van relaties van [B] met het doel informatie over het onderhavige geschil te verkrijgen dan wel relaties van [B] daarover te informeren te staken en gestaakt te houden alsmede [A] verbiedt om met onmiddellijke ingang zich op te houden c.q. te bevinden in de bebouwde kom van de gemeente [gemeente] en hem tevens verbiedt voor het vorenstaande hulppersonen in te huren en wel ommegaand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige andere termijn als bij dit vonnis in goede justitie te bepalen en bepaalt dat [A] verschuldigd is een dwangsom van EUR 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke mocht blijven aan deze vordering te voldoen, zulks met een maximum van EUR 50.000,00, althans een bedrag zoals door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

II [A] veroordeelt in de kosten van dit geding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum betekening tot aan de dag van algehele voldoening alsmede de te maken nakosten, deurwaarderskosten daaronder begrepen.

4.2. [A] voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie

5.1. [A] heeft tijdens de procedure zijn eis aangevuld. Nu [B] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en er ook geen aanleiding is om ambtshalve te oordelen dat de aanvulling van eis in strijd is met de regels van een goede procesorde, zal de voorzieningenrechter recht doen op de aangevulde (gewijzigde) eis.

5.2. [A] stelt zich op het standpunt dat tussen [A] en [B] een mondelinge maar definitieve koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hij voert daartoe aan dat het verkopen van een paard vormvrij is en dat overeenstemming is bereikt over de essentialia: verkoop van [het paard] aan [A], tegen een koopprijs van EUR 15.000,00, klinische en röntgenologische keuring als enige (opschortende dan wel ontbindende) voorwaarde, betaling van de koopprijs aan [D] en aflevering direct na de (goed)keuring door [het paard] naar Stal [G] te brengen. Volgens [A] volgt uit de e-mail van 4 september 2011, geciteerd onder 2.8., dat [B] spijtoptant is en terugkomt op een “done deal”. Hij stelt dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [B] jegens hem door [het paard] niet aan hem te leveren terwijl zij daartoe op grond van de overeenkomst wel toe verplicht was. Voorts stelt [A] dat [B] zelf ook heeft bevestigd dat er een overeenkomst was, door in de dagen na 30 augustus 2011 herhaaldelijk met [D] te praten en te mailen over de uitvoering van de koopovereenkomst. [A] betwist dat [B] het tekenen van een contract als voorwaarde heeft gesteld. Hij erkent dat er is gesproken over het vastleggen van de afspraken in een koopcontract, maar [B] heeft - hoewel dat wel op haar weg lag - niets gedaan om te komen tot een getekende overeenkomst, aldus [A]. Ten slotte betwist [A] de authenticiteit van het contract tussen [B] en [H].

5.3. [B] voert tot haar verweer aan dat zij zowel [A] als [D] heeft laten weten dat zij alleen wilde verkopen nadat alle (nadere) essentialia van de overeenkomst waren besproken en wanneer er sprake was van een gedegen schriftelijke en ondertekende overeenkomst. Als nadere essentialia noemt [B] onder meer de castratie en het wijzen op de risico's die hieraan verbonden zijn, voorwaarden ten aanzien van het houden van het paard bij [A], de operatie aan OCD, de datum van levering, de datum van keuring en de verdeling van de aansprakelijkheden bij stalgebreken en verborgen gebreken. Volgens [B] voldeed [A] niet aan de gestelde voorwaarden nu hij niet heeft gereageerd op de twee sms'jes die [B] op 30 augustus 2011 naar hem had gestuurd met het verzoek contact met haar op te nemen. Voorts voert [B] aan dat zij in het eerste gesprek met [A] uitdrukkelijk heeft laten weten dat, bij gebleken interesse van [A], zij na wilde denken of zij het paard wel aan deze koper zou willen verkopen, een zogenaamd voorbehoud van gunning. Nu partijen geen overeenstemming hadden bereikt over alle essentialia uit de overeenkomst was volgens [B] geen sprake van een definitieve overeenkomst.

vordering tot nakoming

5.4. Het spoedeisend belang van [A] bij de gevraagde voorzieningen wordt voldoende aanwezig geacht.

5.5. Kern van het geschil is de vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen betreffende het paard [het paard]. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst eerst dan als een aanbod in de zin van artikel 6:217 lid 1 BW kan worden beschouwd indien dit voorstel alle essentialia van de te sluiten overeenkomst bevat - dat wil zeggen die bedingen van de te sluiten overeenkomst zonder welke geen sprake is van wilsovereenstemming wegens onvoldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen - en uit het aanbod de wil blijkt van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn. Om van een overeenkomst te kunnen spreken dient de aanvaarding inhoudelijk met het aanbod overeen te stemmen. Of hier sprake van is, hangt af van hetgeen partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Stemt de aanvaarding niet overeen met het aanbod, dan geldt ingevolge artikel 6:225 BW dat geen overeenkomst tot stand komt, tenzij de afwijking slechts ondergeschikte punten betreft. Alsdan komt een overeenkomst conform de aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen. De enkele omstandigheid dat partijen over een of meer “opengebleven punten” nog onderhandelen, staat er niet aan in de weg dat een overeenkomst op hoofdlijnen tot stand is gekomen.

5.6. De voorzieningenrechter overweegt dat door plaatsing van de advertentie waarbij het paard [het paard] te koop werd aangeboden, de afspraak op 30 augustus 2011 die daarna tot stand is gekomen voor het bezichtigen en berijden van [het paard], de op dat moment genoemde vraagprijs van EUR 15.000,00 en de telefonische mededeling op diezelfde dag - nadat [B] met haar echtgenoot had overlegd - dat zij [het paard] aan [A] wilde “gunnen”, er sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:217 BW en dat [A] dat zo heeft mogen opvatten. [A] heeft vervolgens het aanbod van [B] aanvaard door de telefonische mededeling aan [D] dat hij [het paard] wil kopen en dat hij akkoord gaat met de vraagprijs van EUR 15.000,00, een en ander onder de voorwaarde van een klinische en röntgenologische keuring. [B] heeft niet betwist dat deze mededeling van aanvaarding haar heeft bereikt. Daarmee is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van wilsovereenstemming over de essentialia van de overeenkomst. Zoals [A] terecht heeft aangevoerd, is voor een rechtsgeldige totstandkoming van een dergelijke koopovereenkomst immers niet vereist dat deze op schrift wordt gesteld. Indien [B] hiervan had willen afwijken (in die zin dat het vastleggen van de gemaakte afspraken in een schriftelijk contract een vereiste was voor het sluiten van de koopovereenkomst), dan had het op haar weg gelegen zulks aan [A] kenbaar te maken. [B] heeft niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij dat heeft gedaan. Ook de (ontbindende) voorwaarde dat [het paard] klinisch en röntgenologisch (goed)gekeurd diende te worden verzet zich niet tegen de conclusie dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen want een dergelijke voorwaardelijke verbintenis in de zin van artikel 6:21 BW doet aan de geldigheid en het definitieve karakter van de overeenkomst niet af, temeer nu vast staat dat partijen over de inhoud van deze voorwaarde (eveneens) overeenstemming hadden bereikt. [B] heeft voorts niet aan [A] kenbaar gemaakt dat een bepaald punt voor [B] van essentieel belang was en dat daaromtrent nog geen overeenstemming was bereikt. Ook zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden dat [A] dit had behoren te begrijpen. Voorzover [B] zulks betoogt met een beroep op de twee sms'jes die zij dinsdagavond, nadat wilsovereenstemming was bereikt, heeft verstuurd kan dit [B] niet baten nu vast staat dat deze enkel inhielden de vraag aan [A] om contact op te nemen. Voorts stond er die dag daarna een afspraak gepland die door [B] wegens ziekte is afgezegd maar ook toen heeft zij niet aangegeven dat er wat haar betreft een (nadere) gunning moest plaatsvinden of dat er nog punten waren waarover onderhandeld moest worden en waar de uiteindelijke koopovereenkomst wel op zou kunnen afstuiten. Daar komt nog bij dat uit de (onbetwiste) verklaring van [D] en de onderbouwde stellingen van [A] blijkt dat partijen allerlei afspraken hadden gemaakt die duiden op het uitvoering geven aan de overeenkomst: de keuze van de keurende dierenarts, de plaats en datum van de keuring, het besluit (op advies van [B]) [het paard] niet in de stal van [G] maar in de kliniek in [plaatsnaam] te laten castreren, het transport (na advies van [B] over de persoon van de vervoerder) en de verzekering van [het paard]. Voorzover [B] stelt dat [D] niet bevoegd was de overeenkomst namens haar te sluiten verwerpt de voorzieningenrechter dit standpunt omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de verklaringen en gedragingen van partijen - de advertentie op de website van [D] waarbij [het paard] te koop wordt aangeboden, het feit dat [D] de afspraak voor bezichtiging en het berijden van [het paard] heeft gearrangeerd, de telefonische contacten die via [D] verliepen en de e-mail van [B] aan [D] van 4 september 2011 - kan worden afgeleid dat zij beiden [D] beschouwden als tussenpersoon. [A] mocht er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat met het telefoontje van [B] aan [D], waarin zij aangeeft dat zij akkoord gaat met de verkoop, er wilsovereenstemming was bereikt tussen partijen en daarmee de koopovereenkomst tot stand was gekomen.

5.7. Wat betreft de vordering tot nakoming overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vast staat dat [B] haar obligatoire verplichting tot het overdragen van de eigendom van [het paard] en daartoe had zij moeten leveren, derhalve het bezit verschaffen (artikel 3:90 BW), niet is nagekomen. Daarmee is sprake van een toerekenbare tekortkoming. De vordering tot nakoming zoals door [A] gevorderd is evenwel niet toewijsbaar. Uit artikel 3:296 BW volgt dat de omstandigheid dat [B] (obligatoir) verplicht is de eigendom van het paard over te dragen aan [A] er niet aan in de weg staat dat [B] - zolang zij dat niet gedaan heeft - goederenrechtelijk in beginsel beschikkingsbevoegd is om het paard aan een derde, in dit geval aan [H], over te dragen. Weliswaar pleegt [B] dan jegens [A] wanprestatie - en maakt [H] zich wellicht/mogelijk schuldig aan een onrechtmatige daad indien hij wist dat [het paard] reeds aan [A] was verkocht -, maar dat doet er niet aan af dat [B] de eigendom kon overdragen aan [H]. In dit geval gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat [B], behoudens bijzondere, maar in casu niet gebleken of vastgestelde omstandigheden, in de onmogelijkheid verkeert aan een veroordeling tot afgifte van het paard te voldoen en kan zij daartoe ook niet worden veroordeeld, onverminderd overigens het recht op schadevergoeding dat wegens de niet-nakoming aan [A] kan toekomen. Er is immers onvoldoende aannemelijk dat [B] nog de beschikkingsmacht over [het paard] heeft, althans dat zij zich die beschikkingsmacht alsnog, met voldoende zekerheid en redelijkheid, op korte termijn kan verwerven, mede gelet op de omstandigheid dat [H] [het paard] (weer) heeft doorverkocht. Daarmee moet gelijk worden gesteld het geval dat [B] deze macht wel zou kunnen herwinnen maar slechts door het brengen van offers die - alle omstandigheden in aanmerking genomen - in redelijkheid niet van haar gevergd kunnen worden. Nu geheel onzeker is of de nieuwe eigenaar bereid is [het paard] te verkopen, tegen welke prijs en op welke termijn en gelet op de omstandigheid dat terughoudendheid in deze gevallen gepast is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van [B] dit niet kan worden gevergd. Dat [B] zichzelf in de toestand heeft gebracht dat nakoming voor haar onmogelijk is geworden nu zij door eigen toedoen niet meer de beschikkingsmacht heeft over [het paard], maakt dit niet anders (vgl. HR 21 mei 1976, NJ 1977,73). Analoge toepassing van artikel 3:298 BW - in die zin dat deze voorrangsregel uitgebreid wordt naar situaties waarin reeds geleverd is - of een vordering tot afgifte op grond van onrechtmatige daad om aldus te trachten de eigendom van [het paard] te verkrijgen, zou in casu evenmin uitkomst bieden, nu in dat geval [H] of diens rechtsopvolger in de procedure had moeten worden betrokken. De voorzieningenrechter concludeert dat de wanprestatie zich noodgedwongen oplost in schadevergoeding.

5.8. De subsidiaire vordering strekkende tot voortzetting van de onderhandelingen stuit reeds af op het feit dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen.

voorschot op schadevergoeding

5.9. De voorzieningenrechter overweegt dat terughoudendheid op zijn plaats is met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit de toewijzing van een geldsom (zie onder meer HR 15 juni 2007, NJ 2008, 153). Voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat (zie onder meer HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602).

5.10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [A] niet dan wel onvoldoende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld dat hij in een slechte financiële positie verkeert, heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. De vordering dient reeds hierop af te stuiten nu de vraag of sprake is van voldoende spoedeisend belang een zelfstandig vereiste is, dat los van het al dan niet aannemelijk zijn van de vordering behoort te worden onderzocht (vgl. hof Leeuwarden 23 september 2008, LJN: BF3562).

5.11. [B] zal - ondanks dat de vordering in kort geding niet toewijsbaar is -, nu voldoende is komen vast te staan dat zij wanprestatie heeft gepleegd, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- dagvaarding EUR 76,31

- griffierecht EUR 260,00

- salaris advocaat EUR 816,00

Totaal EUR 1.152,31

in reconventie

5.12. [B] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Allereerst stelt zij dat veel relaties haar hebben aangesproken op de advertentie alsmede het artikel in de [krant 2]. Inmiddels zijn een aantal potentiële kopers afgehaakt om een paard van haar te kopen vanwege de negatieve publiciteit. [B] verwijst hiertoe naar de e-mail van [R], hiervoor geciteerd onder 2.24.

Daarnaast is [B], alsmede een aantal van haar relaties - waaronder mevrouw [L] en haar klanten [P] en [Q] - geconfronteerd met [K] en/of de deurwaarder. Tevens is [H] diverse malen benaderd door [A] en op 7 november 2011 door mr. Vannisselroy. De relaties geven aan dat uitdrukkelijk gepoogd werd de eer en goede naam van [B] aan te tasten. Alle relaties hebben zich zeer geïntimideerd en overvallen gevoeld door de mededelingen en onaangekondigde aanwezigheid van [K] en de deurwaarder. [P] en [Q] zijn sinds dit voorval niet meer bij [B] geweest en zodoende moet [B] het nu zonder deze inkomsten stellen. Tot slot stelt [B] dat zij zich niet veilig voelt doordat [K] haar heeft bespioneerd en door het optreden van de deurwaarder.

5.13. [A] betwist dat hij [B] heeft bedreigd, dan wel heeft laten bedreigen. Evenmin heeft hij zich schuldig gemaakt aan lasterpraktijken. [A] stelt gerechtigd te zijn gebruik te maken van de middelen die de wet hem geven, zoals het leggen van beslag en het voeren van een procedure. [A] heeft geen invloed op het feit dat de [krant 2] naar aanleiding van de oproep in de [krant 1] heeft besloten om een artikel te publiceren omtrent deze kwestie. [A] heeft daar niet om gevraagd. Daarnaast wil [A] graag [het paard] geleverd krijgen en is hij niet geïnteresseerd in klanten of zakelijke relaties van [B], tenzij deze personen mogelijk een getuige zijn, zoals [H], die [A] inderdaad heeft benaderd. [A] erkent dat hij in september 2011 driemaal de deurwaarder heeft ingeschakeld om beslag op [het paard] te doen leggen maar daartoe had hij verlof gekregen van de rechtbank. [A] betwist met klem dat de deurwaarder daarbij “zijn boekje te buiten” is gegaan. Voorts heeft [A] het onderzoeksbureau [K] ingeschakeld om [het paard] op te sporen, omdat [B] de verblijfplaats niet bekend wilde maken. Daarnaast beschikt [K] over de vergunningen en heeft hij enkel vanaf openbare plaatsen geobserveerd.

5.14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het opleggen van (een van de) gevorderde verboden een inbreuk vormt op het recht van [A] op onder andere vrijheid van meningsuiting en bewegingsvrijheid. Dit recht vindt zijn grenzen in de bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Zo’n beperking kan worden gegrond op artikel 6:162 BW. Wanneer iemand onrechtmatig handelt jegens die ander, kan een verbod, na afweging van de wederzijdse belangen, gerechtvaardigd zijn. Vereist is dan wel dat degene tegen wie een verbod wordt toegewezen daadwerkelijk onrechtmatig gehandeld heeft of, naar reële verwachtingen, dreigt te handelen.

publicatieverbod

5.15. Het gevorderde verbod op het plaatsen van advertenties/het plaatsen van artikelen en publicaties in digitale vorm of in drukwerk inhoudende een opsporingsbericht naar het paard [het paard] dan wel een bericht met gelijke strekking, is ten eerste gebaseerd op de advertentie in de [krant 1]. De voorzieningenrechter constateert dat deze advertentie slechts is geplaatst om beslag op [het paard] te kunnen leggen en dat hierin alleen wordt genoemd dat [het paard] “is getraind bij [C]”. Met betrekking tot het geplaatste artikel in de [krant 2] overweegt de voorzieningenrechter dat dit artikel door een journalist op eigen initiatief is geschreven en [A] derhalve niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van dit artikel. Overigens is het [B] zelf geweest die zich in deze positie heeft gemanoeuvreerd door [het paard] zo spoedig na de verkoop aan [A] te verkopen aan een derde. De voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze artikelen jegens [B] smaad en/of laster opleveren. Dat [B] een bekende naam is in de (Friese) paardenwereld, doet daar niet aan af. De voorzieningenrechter zal deze vordering dan ook afwijzen.

het benaderen van relaties van [B]

5.16. De voorzieningenrechter overweegt dat niet in geschil is dat de enige relatie van [B] die [A] zelf heeft benaderd [H] betreft. Dat [A] aan [H] zou hebben gevraagd waar het paard staat zodat hij daar beslag op kan laten leggen is, gelet op het verkregen verlof tot het leggen van dit beslag, niet onrechtmatig jegens [B]. Bovendien is niet gebleken dat [A] hiermee de eer en goede naam van [B] zou hebben aangetast. Nu geenszins aannemelijk is dat [A] zelf op onrechtmatige wijze relaties van [B] heeft benaderd, zal de voorzieningenrechter het gevorderde verbod hiertoe afwijzen.

omgevingsverbod

5.17. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat [A] in [land] woont en alleen op 30 augustus 2011 op het adres van [B] is geweest in verband met het bezichtigen en berijden van [het paard]. Gesteld noch gebleken is dat [A] op die datum onrechtmatig jegens [B] zou hebben gehandeld. De voorzieningenrechter zal het gevorderde verbod dan ook afwijzen.

hulppersonen

5.15. [B] vordert verder nog dat het [A] verboden wordt om voor de bovengenoemde gedragingen hulppersonen in te huren. De voorzieningenrechter stelt voorop - voor zover [B] al voldoende zou hebben aangetoond dat de deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld, hetgeen in het midden kan blijven - dat uit de Gerechtsdeurwaarderswet blijkt dat de deurwaarder als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris is met een onafhankelijke positie. Op hem is toezicht en tuchtrecht van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de deurwaarder als onafhankelijk functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen en ook de enige is die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat het gevorderde verbod op grond van de gestelde gedragingen van de deurwaarder niet toewijsbaar is.

5.18. Voorts overweegt de voorzieningenrechter - voor zover [B] al voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat [K] (dan wel een andere hulppersoon) op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld - dat [A] niet op grond van artikel 6:171 BW verantwoordelijk kan worden gehouden voor de beweerde onrechtmatige handelingen van Goorts (dan wel van een andere hulppersoon). [A] heeft [K] immers geen opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van zijn bedrijf, maar heeft deze opdracht in privé gegeven. Reeds op deze grond is de vordering niet toewijsbaar.

5.19. [B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- salaris advocaat EUR 816,00

Totaal EUR 816,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. wijst de vorderingen af;

6.2. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op EUR 1.152,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

6.4. wijst de vorderingen af;

6.5. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op EUR 816,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.?