Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BV0281

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
116051 - KG ZA 11-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Vaststelling inhoud van erfdienstbaarheid van pad en wijze van uitoefening. Vraag of geplaatste schutting inbreuk maakt op erfdienstbaarheid. Beroep op rechtsverwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 116051 / KG ZA 11-339

Vonnis in kort geding van 21 december 2011

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. B. Korvemaker te Leeuwarden,

tegen

[C]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederende met toevoeging,

advocaat: mr. P.R. van den Elst te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en [C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. [A] c.s. hebben [C] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 6 december 2011.

1.2. [A] c.s. hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [C] veroordeelt om de recentelijk door hem geplaatste schutting, voor zover die zich bevindt op de grondstrook, die in productie 7 van de dagvaarding gearceerd is weergegeven, althans een in goede justitie te bepalen grondstrook, binnen één week na het in dezen te wijzen vonnis te verwijderen en verwijderd te houden;

II. [C] verbiedt op de grondstrook, die in productie 7 van de dagvaarding gearceerd is weergegeven, althans een in goede justitie te bepalen grondstrook, voorwerpen (in het bijzonder, doch niet uitsluitend: schuttingen en andere (bouw)werken) te plaatsen en te houden;

III. [C] veroordeelt tot betaling, aan [A] c.s., van een dwangsom van € 250,--, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, met een maximum van

€ 25.000,--, voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [C] de onder I. en II. gevorderde veroordelingen niet nakomt;

IV. [C] veroordeelt in de proceskosten.

1.3. Ter zitting hebben partijen hun standpunten (nader) toegelicht, waarbij de

advocaat van [C] gebruik heeft gemaakt van pleitnotities. [C] heeft geconcludeerd tot

afwijzing van de vorderingen van [A] c.s.

1.4. Partijen hebben producties overgelegd.

1.5. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [A] c.s. zijn de eigenaren van de woning staande en gelegen op het adres [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend onder nummer [nummer]. Zij hebben dit perceel in juli 2000 als bouwkavel gekocht en geleverd gekregen. [A] c.s. zijn in december 2001 in de woning getrokken.

2.2. [C] is de eigenaar van de woning staande en gelegen op het adres [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend onder perceelnummer [nummer]. Deze woning bevindt zich ter linkerzijde van de woning van [A] c.s. [C] heeft zijn perceel in november 2000 als bouwkavel gekocht en geleverd gekregen. [C] is in of omstreeks januari/februari 2002 in de woning getrokken.

2.3. Tussen de woningen van [A] c.s. en [C] bevindt zich een pad, gelegen naast de (verlengde) garages die op beide percelen staan. Dit pad is ongeveer 1,20 meter breed en behoort voor de helft in eigendom toe aan [A] c.s. en voor de andere helft aan [C]. Het pad leidt naar de achtererven van beide percelen. Ter linkerzijde van het pad bevinden zich de garage/berging van [C] en -in het verlengde daarvan - een fietsenhok. Ter rechterzijde van het pad bevinden zich de garage/berging van [A] c.s. en - in het verlengde daarvan - een kantoorruimte. Ten behoeve van de bouw van deze kantoorruimte hebben [A] c.s. in juni 2001 een bouwvergunning gekregen. De kantoorruimte was al gerealiseerd toen [A] c.s. in december 2001 hun woning betrokken.

2.4. Kort nadat zij in hun woning waren getrokken, hebben [A] c.s. op de grens tussen hun erf en het erf van [C] een schutting geplaatst, op een afstand van ongeveer 53 cm van de zijmuur van hun pand. Deze schutting is korte tijd later naar achteren verplaatst. Vanaf dat moment was het pad ter hoogte van het punt waar de kantoorruimte van [A] c.s. begint - over de volle breedte - afgesloten met een schuttingdeur, waarvan alleen [A] c.s. een sleutel in hun bezit hadden.

2.5. In de aktes van levering van de percelen van [A] c.s. en [C] zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd, waaronder die met betrekking tot het pad tussen beide woningen. Ten aanzien daarvan is in genoemde aktes onder meer bepaald:

(…) is gevestigd de erfdienstbaarheid van pad, zulks om vanaf het achtererf van het betreffende perceel te komen van en te gaan naar de openbare weg en wel te voet, met aan de hand gevoerde rijwielen, motorrijwielen met uitgeschakelde motor, kinderwagens en andere dergelijke kleine vervoermiddelen. Dit pad zal door de eigenaren van de desbetreffende percelen in onderling overleg moeten worden aangelegd en zal moeten worden gesitueerd tussen de op de percelen met de hiervoor aangeduide bouwnummers aan te brengen/reeds aangebrachte (eventueel verlengde) bergingen/garages en zal strekken vanaf de voorzijde van de (eventueel verlengde) berging welke het dichtst bij de openbare weg is gelegen tot aan de achterzijde van de meest diepgelegen (eventueel verlengde) berging/garage van de betreffende beide bouwnummers, danwel zoveel verder als noodzakelijk is om op de eerstmogelijke plaats op de hiervoor aangegeven wijze het achtererf te bereiken. Op gemeld pad zullen nimmer, zelfs niet tijdelijk, voorwerpen mogen worden geplaatst of gehouden, die de doorgang onmogelijk of minder gemakkelijk maken. (…) Voormeld pad mag niet in een andere toestand worden gebracht dan waarin zij bij de bouw is of zal worden aangelegd. (…).

2.6. In de zomer van 2011 heeft [C] de zich op zijn perceel bevindende schutting, die aanvankelijk in het verlengde van zijn garage/berging stond, verplaatst naar de erfgrens, tot aan het midden van de steeg. Voorts heeft hij in het verlengde van de garage/berging een fietsenhok gerealiseerd. Als gevolg van de plaatsing van voornoemde schutting is de breedte van het pad tussen deze schutting en de zijgevel van de kantoorruimte van [A] c.s. versmald tot ongeveer 63 cm.

2.7. De advocaat van [A] c.s. heeft [C] bij brief van 30 augustus 2011 gesommeerd om de door hem verplaatste schutting te verwijderen. Aan die sommatie heeft [C] niet voldaan.

3. De standpunten van partijen

3.1. [A] c.s. leggen aan hun vorderingen primair ten grondslag dat [C] door de plaatsing van de schutting op de erfgrens in strijd handelt met de erfdienstbaarheid die ten laste van zijn perceel, en ten gunste van het perceel van [A] c.s., is gevestigd. Door de huidige plaats van de schutting worden [A] c.s. namelijk in ernstige mate gehinderd om hun achtererf te bereiken. Het is na de plaatsing van de schutting niet meer mogelijk om met de fiets aan de hand het achtererf van het perceel van [A] c.s. te bereiken, terwijl het evenmin nog mogelijk is om de papiercontainer vanaf het achtererf via het pad naar de openbare weg te rijden. Subsidiair baseren [A] c.s. hun vorderingen op de stelling dat [C] misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot uitoefening van zijn eigendomsrecht. De uitoefening van dit recht mag geen onrechtmatige hinder toebrengen aan derden, zoals in dit geval [A] c.s. [C] heeft volgens [A] c.s. de schutting verplaatst met geen ander doel dan het frustreren van de toegang van [A] c.s. tot hun achtererf. De houding van [C] is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [A] c.s. Gelet op het vorenstaande dient volgens [A] c.s. de schutting te worden verwijderd, voor zover deze zich bevindt op de grondstrook, die in productie 7 van de dagvaarding gearceerd is weergegeven

3.2. [C] voert verweer. Hij stelt daartoe allereerst dat de erfdienstbaarheid van pad in de leveringsaktes uitsluitend in verband wordt gebracht met de ligging van de (eventueel verlengde) garage/berging. Een kantoorruimte wordt in de aktes niet genoemd terwijl de oorspronkelijke bouwtekeningen niet voorzagen in de bouw van een kantoorruimte. De erfdienstbaarheid dient volgens [C] tegen de achtergrond van deze veranderde omstandigheden te worden uitgelegd. In februari 2002 hebben partijen overleg gevoerd, dat ertoe heeft geleid dat [A] c.s. op een afstand van 53 cm van hun kantoorruimte een schutting hebben geplaatst, ongeveer op de plek waar de huidige (door [C] geplaatste) schutting staat. Destijds leverde een schutting op die plek kennelijk geen problemen op voor [A] c.s. Deze schutting is in de zomer van 2002 naar achteren verplaatst. Met het plaatsen van de huidige schutting op ongeveer de plek waar deze eerder heeft gestaan, handelt [C] niet in strijd met de in de leveringsaktes genoemde erfdienstbaarheid van pad. Deze erfdienstbaarheid is komen te rusten op het pad zoals dat in februari 2002 is aangelegd. Daarnaast hebben [A] c.s. hun recht verwerkt om bezwaar te maken tegen de naderhand door [C] geplaatste schutting, nu partijen in februari 2002 afspraken hebben gemaakt, waarbij zij ermee akkoord gingen dat een schutting werd geplaatst op een afstand van 53 cm van de kantoorruimte. Voorts betwist [C] dat het na de plaatsing van de huidige schutting onmogelijk is geworden om het achtererf van het perceel van [A] c.s. te bereiken. De grijze en groene container kunnen thans nog steeds via het pad vanaf het achtererf naar de openbare weg worden gebracht. Alleen een extra brede papiercontainer en een fiets met een exceptioneel stuur kunnen er niet (meer) langs. Ten slotte voert [C] aan dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen ontbreekt, aangezien de groene en grijze container alsmede een normale fiets door de steeg van en naar het achtererf van het perceel van [A] c.s. kunnen komen en [A] c.s. de situatie na de plaatsing van de schutting lange tijd hebben getolereerd. [C] wordt bovendien geschaad door verwijdering van de schutting, aangezien hij recent zijn tuin opnieuw heeft betegeld.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds voort uit de aard van de vorderingen, die ertoe strekken dat een inbreuk op de (mede) ten gunste van het erf van [A] c.s. gevestigde erfdienstbaarheid van pad wordt beëindigd. [A] c.s. hebben, anders dan [C] meent, de plaatsing van de schutting niet geruime tijd getolereerd. Immers, de schutting is afgelopen zomer geplaatst, terwijl de raadsman van [A] c.s. vervolgens (reeds) bij brief van 30 augustus 2011 [C] heeft gesommeerd om de schutting te verwijderen.

4.2. Tussen partijen is in geschil de vraag of [C] door de plaatsing van de (huidige) schutting inbreuk maakt op het (mede) ten gunste van het erf van [A] c.s. gevestigde recht van erfdienstbaarheid van pad. Allereerst dienen daartoe de inhoud en de wijze van uitoefening van deze erfdienstbaarheid te worden vastgesteld. Op grond van artikel 5:73 lid 1 BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening in eerste instantie bepaald door de akte van vestiging. Het komt tegen deze achtergrond aan op de uitleg van de notariële akte waarbij deze erfdienstbaarheid is gevestigd. Bij de uitleg van een dergelijke akte is bepalend de in die akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid door de in de akte gebruikte bewoordingen uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de (inhoud van de) gehele akte. De beginselen van redelijkheid en billijkheid zullen bij de uitleg van de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend een rol spelen (zie HR 2 december 2005, NJ 2007, 5).

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige erfdienstbaarheid van pad aldus moet worden uitgelegd, dat deze ertoe strekt dat [A] c.s. vanaf het achtererf van hun perceel over het pad moeten kunnen komen van en gaan naar de openbare weg, en dat een ander moet kunnen worden uitgeoefend te voet, met aan de hand gevoerde rijwielen, motorrijwielen met uitgeschakelde motor, kinderwagens en andere dergelijke kleine vervoermiddelen. Daarnaast moet de erfdienstbaarheid aldus worden begrepen, dat op het pad nimmer, zelfs niet tijdelijk, voorwerpen mogen worden geplaatst of gehouden, die de hiervoor genoemde doorgang onmogelijk of minder makkelijk maken. Voorts dient de akte zo te worden uitgelegd, dat de erfdienstbaarheid loopt vanaf de voorzijde van de (eventueel verlengde) berging/garage welke het dichtst bij de openbare weg is gelegen tot aan de achterzijde van de meest diepgelegen (eventueel verlengde) berging/garage. Gelet op het voorgaande is in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid van pad uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat de berging/garage wordt verlengd en geldt de erfdienstbaarheid van pad dus óók indien en voor zover de berging/garage wordt verlengd. De (aan)bouw van een kantoorruimte aan de berging/garage kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook worden begrepen onder de in de akte genoemde verlenging van de garage/berging. Er is in het geval van de kantoorruimte op het perceel van [A] c.s. ook geen sprake van een omstandigheid die partijen bij het vestigen van de erfdienstbaarheid niet konden kennen. De kantoorruimte, waarmee de garage/berging is verlengd, was er bovendien al toen beide partijen in hun woning trokken, [A] c.s. omstreeks december 2001 en [C] omstreeks januari/februari 2002.

4.4. Voldoende aannemelijk is geworden dat de plaatsing van de schutting door [C] de uitoefening van de erfdienstbaarheid van pad voor [A] c.s. in ernstige mate hindert. Immers, gelet op de huidige breedte van het pad, na plaatsing van deze schutting, is het voor [A] c.s. niet of nauwelijks meer mogelijk om met een aan de hand gevoerd rijwiel, laat staan met een motorvoertuig met uitgeschakelde motor vanaf hun achtererf te komen van en gaan naar de openbare weg. Anders dan [C] meent, dienen naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook fietsen met een breed stuur vanaf het achtererf van [A] c.s. via het pad te kunnen komen van en gaan naar de openbare weg. Met de plaatsing van de schutting heeft [C] - in strijd met de akte van vestiging - de doorgang via het pad minder makkelijk en in bepaalde gevallen (vrijwel) onmogelijk, gemaakt. In beginsel dient [C] dan ook de door hem geplaatste schutting te verwijderen, zodat de erfdienstbaarheid door [A] c.s. weer kan worden uitgeoefend, zoals hiervoor onder r.o. 4.3. is aangegeven. Hieraan kan niet afdoen dat [C] schade lijdt bij verwijdering van de schutting, omdat hij dan een deel van de recent aangelegde betegeling van zijn tuin dient te verwijderen. Het is zijn eigen keuze geweest om deze betegeling aan te leggen tot aan de huidige schutting. De gevolgen van die keuze komen voor zijn eigen rekening en risico.

4.5. Ten aanzien van het door [C] gedane beroep op rechtsverwerking overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Van rechtsverwerking is alleen sprake is wanneer de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht onverenigbaar is (vgl. Hoge Raad 7 juni 1991, LJN: ZC0271, NJ 1991, 708). Dat is het geval wanneer zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij van de gerechtigde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (vgl. Hoge Raad 29 september 1995, NJ 1996, 89). Enkel tijdsverloop is voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking onvoldoende. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [C] zich niet met succes beroepen op rechtsverwerking aan de zijde van [A] c.s. Het enkele feit dat er vanaf omstreeks eind 2001 gedurende enige tijd een door [A] c.s. geplaatste schutting heeft gestaan op ongeveer dezelfde plek als de huidige schutting, brengt niet met zich dat [A] c.s. thans laatstgenoemde - in strijd met de geldende erfdienstbaarheid geplaatste - schutting hebben te dulden. Daarbij dient ook te worden bedacht dat de door [A] c.s. geplaatste schutting er hoogstens een paar maanden heeft gestaan, terwijl er vervolgens tot de zomer van 2011 géén schutting op die plek meer heeft gestaan. In dit kort geding is verder - mede gelet op de betwisting daarvan door [A] c.s. - onvoldoende aannemelijk geworden dat tussen partijen in 2002 een afspraak zou zijn gemaakt, op grond waarvan beide partijen gerechtigd zijn om een schutting te plaatsen op de plek waar destijds - tijdelijk - een schutting door [A] c.s. was geplaatst.

4.6. [A] c.s. hebben bij dagvaarding als productie 7 een kaartje van de plaatselijke situatie overgelegd, waarop een gearceerde strook grond is aangegeven waarbinnen de geplaatste schutting in hun visie niet mag staan. Met [A] c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor zover de schutting in deze gearceerde strook grond staat, de uitoefening van de erfdienstbaarheid door [A] c.s. op onaanvaardbare wijze wordt gehinderd. Derhalve zal [C] worden veroordeeld om de door hem geplaatste schutting, voor zover die zich op deze grondstrook bevindt, binnen een hierna te melden termijn te verwijderen en verwijderd te houden. Van dit vonnis maakt deel uit het door [A] c.s. opgestelde kaartje, waarop genoemde strook grond gearceerd is weergegeven. Het kaartje zal aan dit vonnis worden gehecht.

4.7. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden voor het geval [C] in gebreke blijft om daaraan te voldoen. De voorzieningenrechter zal tevens een maximum aan de te verbeuren dwangsommen verbinden.

4.8. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat [A] c.s. geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd, waaruit kan worden afgeleid dat [C] voornemens is om - na verwijdering van de door hem geplaatste schutting - in de hiervoor genoemde strook grond wederom voorwerpen (zoals schuttingen en andere (bouw)werken) te plaatsen en te houden. De vordering die ertoe strekt dat het [C] zal worden verboden om wederom zodanige voorwerpen te plaatsen zal daarom worden afgewezen.

4.9. [C] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [A] c.s. vastgesteld op:

- dagvaardingskosten € 90,81

- vast recht € 260,00

- salaris advocaat € 816,00

-------------

€ 1.166,81

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. veroordeelt [C] om de door hem geplaatste schutting, voor zover deze zich bevindt op de grondstrook die gearceerd is weergegeven op het aan dit vonnis gehechte kaartje, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden;

5.2. bepaalt dat [C] een dwangsom zal verbeuren van € 250,00 per dag dat hij in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

5.3. verbindt aan het totaal van de te verbeuren dwangsommen een maximum van

€ 10.000,00;

5.4. veroordeelt [C] in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] c.s. vastgesteld op € 1.166,81;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

fn 343?