Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU7737

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
17/753126-11 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de auto van verdachte is een hoeveelheid valse merk schoenen aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat de politie niet bevoegd was om tot doorzoeking van de auto van verdachte over te gaan, derhalve heeft de doorzoeking onbevoegd plaatsgevonden. Dat verdachte toestemming voor de doorzoeking heeft gegeven doet daar niet aan af. De rechtbank heeft de resultaten van dit onherstelbare verzuim uitgesloten van het bewijs en verdachte wordt van het feit vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is. Voorts is in de woning van verdachte een hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten strijkers, een mortierbom en een hoeveelheid siervuurwerk, aangetroffen. Deze doorzoeking heeft rechtmatig plaatsgevonden. In het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde ontbreekt het element professioneel, waardoor het feit niet kwalificeerbaar is als een strafbaar feit en verdachte ontslagen is van alle rechtsvervolging voor dit feit. Verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van de voorschriften van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer tot een werkstraf van 40 uren.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 9.2
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/753126-11

ter berechting gevoegd parketnummer 17/753127-11

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 december 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 29 november 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 november 2010 te Dokkum, in de gemeente Dongeradeel, opzettelijk waren, te weten (in totaal) 32 paar schoenen, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, te weten het merk Nike Airmax, heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd, heeft uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad;

2.

(parketnummer 753127/11)

hij op of omstreeks 16 november 2010, te Kootstertille, in de gemeente Achtkarspelen, al dan niet opzettelijk, vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, welk vuurwerk was bestemd voor particulier gebruik, te weten een hoeveelheid knalvuurwerk (ongeveer 3350 strijkers en/of een mortierbom) en/of een hoeveelheid siervuurwerk (ongeveer 4 stuks

flowerbeds/cakeboxen of grondbloemen en/of 1 fontein en/of 1 zonnewiel), voorhanden heeft gehad en/of heeft opgeslagen;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 16 november 2010 te Kootstertille, in de gemeente Achtkarspelen, al dan niet opzettelijk, vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten een hoeveelheid knalvuurwerk (ongeveer 3350 strijkers en/of een mortierbom) en/of een hoeveelheid siervuurwerk (ongeveer 4 stuks flowerbeds/cakeboxen of grondbloemen en/of 1 fontein en/of een zonnewiel) voorhanden heeft gehad of heeft opgeslagen, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter

uitwerking van genoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer gestelde regels, immers waren die strijkers en/of die mortierbom, althans dat knalvuurwerk en/of

die flowerbeds/cakeboxen en/of die fontein, althans dat siervuurwerk, niet voorzien van een lading, welke uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste

2,5 gram.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

De raadsman heeft betoogd dat er onrechtmatige opsporingshandelingen zijn verricht, waaronder het doorzoeken van de auto van verdachte. Volgens hem blijkt uit de stukken niet waarop de verdenking van steunfraude is gebaseerd. Bovendien vormt een dergelijke verdenking geen aanleiding om onderzoek aan de auto van verdachte te doen. Het feit dat verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven, doet daar niet aan af. Nu dit vormverzuim niet meer hersteld kan worden dienen de resultaten van de onrechtmatige opsporingshandelingen volgens de raadsman te worden uitgesloten van het bewijs, gelet op artikel 359a lid 1 sub b van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit de stukken blijkt dat verdachte buiten heterdaad is aangehouden in opdracht van de officier van justitie. De rechtbank concludeert hieruit dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, er wel voldoende verdenking van overtreding van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht bestond. In zoverre slaagt het verweer van de raadsman niet.

Uit de stukken blijkt eveneens dat verdachte, na zijn aanhouding, desgevraagd toestemming aan de politie heeft gegeven voor het verrichten van onderzoek in zijn auto. Bij die doorzoeking zijn de in de kofferbak aangetroffen dozen met schoenen in beslag genomen. Nader onderzoek naar de echtheid van die schoenen heeft uitgewezen dat er sprake is van vervalsingen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, Trb. 1951, 154, is in beginsel geen inmenging van het openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van het recht op respect voor iemands privéleven. Deze inmenging is evenwel geoorloofd voor zover zij bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is onder meer voor het voorkomen van strafbare feiten en voor de bescherming van de rechten van anderen. Onder respect voor iemands privéleven is begrepen dat de overheid zich onthoudt van het doorzoeken van auto's en het in beslag nemen van zich daarin bevindende voorwerpen, tenzij onder de voorwaarden zoals hierboven vermeld.

Uit artikel 2 van de Politiewet blijkt dat de politie belast is met de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Onder de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde is begrepen de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde zoals die onder meer nader is uitgewerkt in het Wetboek van Strafvordering. Gelet op het vorenstaande dient de rechtbank te onderzoeken of de politie bevoegd was zich te mengen in verdachtes privéleven door zijn auto te doorzoeken en zich daarin bevindende voorwerpen in beslag te nemen.

Artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering geeft in de daar genoemde gevallen aan de politie de bevoegdheid om tot doorzoeking van een vervoermiddel over te gaan ter inbeslagneming van de zich daarin bevindende voorwerpen. In deze zaak geeft het dossier geen blijk van wat de legitimering voor de politie was om te veronderstellen dat er zich in de auto van verdachte voor inbeslagneming vatbare voorwerpen bevonden en op grond daarvan een dwangmiddel toe te passen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat met de enkele verdenking van steunfraude niet de hiervoor bedoelde legitimering gegeven is. Nu niet gebleken is van een bevoegdheid om tot doorzoeking van de auto van verdachte over te gaan, is de rechtbank van oordeel dat deze doorzoeking onbevoegd heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft de politie een inbreuk gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van verdachte. Immers, deze inmenging heeft niet overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering plaatsgevonden en evenmin is gebleken dat deze inmenging noodzakelijk was ter voorkoming van strafbare feiten of voor de bescherming van rechten van anderen. Het stond de politie naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden ook niet vrij om verdachte om toestemming voor onderzoek naar zijn auto te vragen. Het verzoek om toestemming berustte niet op de wet en is derhalve onbevoegd gedaan. De door verdachte gegeven toestemming heft daarom het onrechtmatige karakter van de doorzoeking van de auto van verdachte niet op.

Hiermee is een belangrijk beginsel van behoorlijke procesorde in aanzienlijke mate geschonden, te weten het rechtstatelijk beginsel dat willekeurig politieoptreden moet voorkomen. Nu dit verzuim niet kan worden hersteld, komt de rechtbank tot het oordeel dat de resultaten die door dit onherstelbare verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs. Met uitsluitend de eigen verklaring van verdachte kan niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van hetgeen hem onder 1. ten laste is gelegd.

Feit 2

De raadsman heeft ook betoogd dat het doorzoeken van de woning van verdachte onrechtmatig was. Volgens hem blijkt uit de stukken niet, althans onvoldoende, waarop de verdenking van overtreding van de Opiumwet berust.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld ter zake van overtreding van de Opiumwet aanwezig. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2010 wordt immers gerelateerd dat verdachte indertijd in de woning van zijn ouders verbleef en dat daar enkele dagen tevoren bij een doorzoeking een in aanbouw zijnde wietkwekerij was aangetroffen, alsmede dat uit metingen is gebleken dat de woning van verdachte veel warmte uitstraalde. De rechtbank acht de doorzoeking van de woning derhalve rechtmatig. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2. (parketnummer 753127/11)

hij op 16 november 2010 te Kootstertille in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk vuurwerk, welk vuurwerk was bestemd voor particulier gebruik, te weten een hoeveelheid knalvuurwerk (ongeveer 3350 strijkers en een mortierbom) en een hoeveelheid siervuurwerk (ongeveer 4 stuks flowerbeds/cakeboxen of grondbloemen en 1 fontein en 1 zonnewiel), voorhanden heeft gehad.

Strafbaarheid van het onder 2. primair bewezenverklaarde

Het onder 2. primair tenlastegelegde feit is blijkens de omschrijving van de verbodsbepaling in artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, alleen strafbaar als het gaat om professioneel vuurwerk. Door het ontbreken van het wettelijk element professioneel, is het feit niet kwalificeerbaar. Het bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op, zodat verdachte ter zake van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2. (parketnummer 753127/11)

hij op 16 november 2010 te Kootstertille in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk vuurwerk, te weten een hoeveelheid knalvuurwerk (ongeveer 3350 strijkers en een mortierbom) en een hoeveelheid siervuurwerk (1 fontein) voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van genoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer gestelde regels, immers waren die strijkers en die mortierbom en die fontein niet voorzien van een lading, welke uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Het bewezenverklaarde onder 2. subsidiair levert op het misdrijf:

2. subsidiair overtreding van voorschriften krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een partij illegaal vuurwerk. Uit de stukken blijkt dat deze partij deel uitmaakte van een (handels)voorraad van de vader van verdachte. Als de partij vuurwerk niet was onderschept, dan zou via verdachte een hoeveelheid vuurwerk bij eindgebruikers terecht zijn gekomen, met alle gevaar en overlast van dien. Daarbij komt nog het gevaar voor omwonenden van de woning van verdachte.

Verdachte is nooit eerder veroordeeld in verband met illegaal vuurwerk. Gelet op de hoeveelheid illegaal vuurwerk die verdachte voorhanden heeft gehad en de overige omstandigheden van deze zaak, acht rechtbank de hierna te noemen werkstraf passend en oplegging daarvan noodzakelijk. De rechtbank acht de hierna te noemen werkstraf passend en oplegging daarvan noodzakelijk.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, en artikel 2 lid 1 van de Regeling tot aanwijzing van consumenten- en theatervuurwerk, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2. primair ten laste gelegde bewezen, doch niet te kwalificeren als een strafbaar feit en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 40 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. M. Sanna, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 december 2011.