Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU5769

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
17/980003-09 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sigarettensmokkel, Salduz.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 97, geldigheid: 2011-11-22
Wet op de accijns 5, geldigheid: 2011-11-22
Wetboek van Strafrecht 337, geldigheid: 2011-11-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 17/980003-09 VON

datum uitspraak: 22 november 2011

op tegenspraak

Raadsman: mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

VONNIS van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te Leeuwarden, in de zaak tegen:

[verdachte 6],

geboren op [datum] 1984 te [plaats],

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 december 2010, 7 maart 2011, 16 mei 2011, 7 november 2011 en 8 november 2011.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 7 november 2011 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk accijnsgoederen, te weten (telkens) 25.242.516, althans

(een) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten, althans rookwaren, voorhanden heeft

gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de

heffing was/waren betrokken.

(artikel 5 van de wet op de Accijns)

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk een of meer (handelshoeveelheden) verpakking(en) met

daarin sigaretten met de merknamen en/of (beeld)merken van MARLBORO en/of

LAMBERT & BUTLER, ieder zijnde een merk waarop (een) ander(en) recht

heeft/hebben, elk zijnde en/of bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk

vervaardigde merken, heeft/hebben ingevoerd en/of doorgevoerd en/of

heeft/hebben afgeleverd en/of in voorraad heeft/hebben gehad.

(artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

Primair

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of één of meer ander(en) op of omstreeks 26

januari 2009 te Frieschepalen, althans in Nederland, valselijk heeft opgemaakt

drie, althans één of meer, geschriften te weten:

1. CMR 0778186 (D-001) en/of;

2. CMR 0778187 (D-006) en/of;

3. CMR;

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk valselijk op

dit/deze document(en) vermeld dat de lading bestond uit 33, althans een

aantal, pallets Sammelgut, althans stukgoed van afzender Campana Handel te

Prisdorf Duitsland aan geadresseerde Schoenenreus te Assen,

met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de

lading bestond uit sigaretten, althans andere goederen dan welke op het CMR

vermeld stonden en wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de lading

niet voor de Schoenenreus te Assen was bestemd

(artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 2]

en/of [verdachte 1] en/of één of meer ander(en) in de periode van

26 januari 2009 tot en met 29 januari 2009 te Frieschepalen, althans in

Nederland en/of Duitsland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse

CMR als ware deze echt en onvervalst terwijl hij wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden, dat dit geschrift voor zodanig gebruik bedoeld was,

bestaande de valsheid hierin dat op de CMR een onjuiste lading en/of een

onjuiste ontvanger vermeld stond, bestaande het gebruikmaken en/of voorhanden

hebben hierin dat verdachte gedurende zijn rit deze CMR onder zich en/of voor

controle beschikbaar heeft gehouden.

(artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en/of Surhuisterveen

en/of Roden, althans in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 5]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 1] en/of (een)

ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te

weten:

- valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr.) en/of

- het gebruik maken van valse geschriften (art. 225 lid 2 Sr.) en/of

- accijnsgoederen voorhanden hebben die niet overeenkomstig de Wet op de

accijns in de heffing waren betrokken (art. 5 Accijnswet) en/of

- merkvervalsing (art. 337 Sr.)

(artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde met betrekking tot de Lambert & Butler sigaretten zal vrijspreken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal de aangevoerde verweren hieronder nader bespreken.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Door de Duitse autoriteiten is een omvangrijk onderzoek verricht naar de smokkel van merkvervalste sigaretten van China naar Duitsland. In het kader van dat onderzoek zijn twee uit China afkomstige zeecontainers na lossing in Hamburg op 25 januari 2009 door de Duitse justitie onderzocht en onder observatie gehouden. Vastgesteld werd dat de inhoud van de containers bestond uit sloffen Marlboro sigaretten met Nederlandse opschriften. In de ochtend van 27 januari 2009 stelde het Duitse observatieteam vast dat de inhoud van de betreffende containers op een bedrijventerrein in Prisdorf werd overgeladen in drie Nederlandse vrachtwagens en dat deze vrachtwagens werden begeleid door een donkerkleurige personenauto van het merk Lancia Delta. Nadat de vrachtwagens in de loop van de middag, vergezeld door de Lancia Delta, richting Groningen waren gaan rijden, is contact gezocht met de Nederlandse justitie en is de observatie vanaf de Nederlandse grens overgedragen aan een observatieteam van de FIOD. De FIOD heeft geconstateerd dat de drie vrachtwagens werden geparkeerd aan respectievelijk de [adres] en de [adres] in Frieschepalen en aan de [adres] te Roden. De drie vrachtwagens zijn vervolgens door de FIOD doorzocht; in alle gevallen bleek de lading te bestaan uit pallets met bruine kartonnen dozen. De inhoud van deze dozen bestond uit sloffen Marlboro sigaretten. Aan de [adres] stond bovendien nog een losse trailer geparkeerd. Ook deze trailer bleek beladen te zijn met sigaretten van de merken Marlboro en Lambert & Butler. In totaal heeft de FIOD 6.749.200 sigaretten in de vier trailers aangetroffen. De sigaretten vertegenwoordigen een fiscaal nadeel (bestaande uit niet-betaalde accijnzen en omzetbelasting) van € 4.404.335,79.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de betreffende vrachtwagens verhuurd waren door de [naam VOF], gevestigd aan het al eerdergenoemde adres aan de [adres] in Frieschepalen, aan de verdachte [verdachte 1]. Als chauffeurs van het transport zijn opgetreden de verdachten [verdachten 5 en 6], die evenals hun vader en medeverdachte [verdachte 4] tevens vennoten zijn van de VOF, en de verdachte [verdachte 2]. Diens zoon [verdachte 3] bestuurde de Lancia Delta.

Bruikbaarheid van de verklaringen afgelegd bij de FIOD

De verdachte heeft in zijn derde verhoor op de vraag van de FIOD of hij wist dat het transport van 27 januari 2009 sigaretten zou betreffen, bevestigend geantwoord. Meer in het bijzonder heeft de verdachte het volgende verklaard:

"Ja, dat wist ik. Daar was op maandag [26 januari 2009, rechtbank] al over gesproken. Volgens mij door [verdachte 1] toen hij bij ons was."

De verdediging heeft betoogd dat deze verklaring niet voor het bewijs gebezigd kan worden. In de eerste plaats heeft de verdediging daarbij gewezen op het feit dat de verdachte deze verklaring heeft afgelegd, zonder dat hij van te voren gewezen was op zijn recht om een advocaat te consulteren, hetgeen overeenkomstig de Salduz-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de daaropvolgende arresten van de Hoge Raad tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Los daarvan heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen in strijd met artikel 29 Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn afgelegd onder zodanige druk van de verhorende ambtenaren, dat niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid zijn afgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar aanleiding van de Salduz-jurisprudentie van het EHRM heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009 (NJ 2009, 349, LJN: BH3079) kort gezegd overwogen dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van diens eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en dat schending van dit uitgangspunt tot uitsluiting moet leiden van de afgelegde verklaringen. Vast staat dat de verdachte door de verhorende ambtenaren niet op zijn consultatierecht is gewezen, terwijl uit het dossier niet blijkt dat hij voor zijn aanhouding reeds op de hoogte was van het bestaan van een verdenking jegens hem en in de gelegenheid is geweest om voorafgaand aan zijn aanhouding een advocaat hierover te raadplegen. Dit betekent dat geen van de verklaringen die de verdachte tegenover de FIOD heeft afgelegd, voor het bewijs gebruikt kan worden. Het verweer van de raadsman dat de bekennende verklaring onder druk van de verhorende ambtenaren tot stand is gekomen kan dan ook verder onbesproken blijven.

Vastgesteld moet worden dat de broer van de verdachte, [verdachte 5], die een medeverdachte is in deze zaak, in zijn derde verhoor tegenover de FIOD eveneens een bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van de vraag of hij voor het transport van 27 januari 2009 wist van de inhoud van de lading. Nadat de verhorende ambtenaren hem hadden geconfronteerd met de verklaring van de verdachte dat reeds op de maandag voor het transport gesproken was over het feit dat er sigaretten vervoerd zouden worden, heeft [verdachte 5] onder meer het volgende verklaard:

"[...] ik heb op maandag wel al gehoord dat we sigaretten zouden gaan halen in de buurt van Hamburg. We waren toen [verdachte 1], [verdachte 2] en ik. [...] Pas 's avonds is duidelijk geworden dat [verdachte 1] zelf niet meeging maar dat [verdachte 6] mee zou gaan. Dat wij die rit zouden doen was bekend bij mijn vader, mijn broer [verdachte 6] en uiteraard bij mij."

De rechtbank leidt uit deze verklaring af dat ook de verdachte voorafgaand aan het transport van 27 januari 2009 wist dat de lading zou bestaan uit sigaretten.

Voor zover de verdediging betoogt dat deze verklaring evenmin voor het bewijs gebruikt kan worden omdat ook [verdachte 5] niet op zijn consultatierecht is gewezen, wijst de rechtbank erop dat dit verzuim volgens vaste jurisprudentie alleen degene ten behoeve van wie het recht geldt kan raken, en geen derdenwerking heeft. Evenmin betekent het feit dat de verklaringen zijn afgelegd zonder dat eerst een advocaat is geraadpleegd nog niet dat ze niet juist of niet betrouwbaar zijn.

Opzet

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ook als zou komen vast te staan dat de verdachte weet had van de aard van zijn lading, niet bewezen kan worden dat hij opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van niet in de heffing betrokken accijnsgoederen of het invoeren van merkvervalste sigaretten.

Dat over de door de FIOD aangetroffen sigaretten geen accijns geheven is en dat deze sigaretten ten onrechte de (beeld)merken van respectievelijk Marlboro en Lambert & Butler voerden staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast. Voor wat betreft de accijns is dat ook niet in geschil; voor wat betreft de merkvervalsing wijst de rechtbank op de aangifte van Philip Morris Products S.A. (pagina 881 en verder) en de bevindingen van de afdeling Falsificaten van de Douane (pagina 407 en 408).

Uit geen van de beschikbare bewijsmiddelen kan expliciet worden afgeleid dat verdachte wist dat de op 27 januari 2009 vervoerde sigaretten niet in de accijnsheffing betrokken waren of dat ze vervalst waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het transport van deze sigaretten echter onder zodanig verdachte omstandigheden plaatsgevonden dat de verdachte daar terdege rekening mee diende te houden en heeft hij derhalve, door toch hieraan mee te werken, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zich schuldig zou maken aan een strafbaar feit. De rechtbank overweegt daarbij in de eerste plaats dat van een chauffeur meer dan gebruikelijk waakzaamheid mag worden verwacht als het gaat om een incidenteel transport, buiten de reguliere distributiekanalen om, van goederen zoals tabakswaren, waarop accijnzen rusten die per land aanzienlijk kunnen verschillen en die daarom traditioneel smokkelobjecten zijn. In het onderhavige geval had het voor de verdachte op zijn minst te denken moeten geven dat de informatie over het transport van 27 januari 2009 die op de vervoersbrieven stond vermeld, namelijk dat de lading zou bestaan uit kinderschoenen en bestemd was voor de Schoenenreus in Assen, evident onjuist was. Ook het feit dat [verdachte 1] extra mobiele telefoons uitdeelde aan de chauffeurs van het transport had vragen moeten oproepen. Niet is gebleken dat verdachte kritische vragen heeft gesteld over het transport. Hij heeft integendeel daaraan zonder meer zijn medewerking verleend.

Overigens hebben zowel medeverdachte [verdachte 4] als medeverdachte [verdachte 3] in hun verklaringen bij de FIOD aangegeven dat zij in dezelfde situatie inderdaad hun twijfels hadden over de rechtmatigheid van het transport. Zo heeft [verdachte 4] in zijn vijfde verhoor verklaard:

"Vervolgens kregen alle jongens een mobiele telefoon. [verdachte 6], [verdachte 5], [verdachte 2] en ook de zoon van [verdachte 2]. Op dat moment viel bij mij het kwartje. Ik dacht: dit zit goed fout, dit zit mis! [...] Toen de mobiele telefoons waren uitgereikt, wist ik dat er dingen gingen gebeuren die niet in de haak waren."

[verdachte 3] heeft in zijn zesde verhoor het volgende verklaard:

"Toen het transport begon had ik een raar gevoel over het transport. Ik dacht nog bij aanvang: 'dit kan nooit goed komen'. [...] Toen ik achter de vrachtwagens aan naar Duitsland reed dacht ik nog wel dat het transport misschien ook nog wel drugs zou kunnen zijn, omdat het hele totaalplaatje een raar verhaal was."

De vraag of deze verklaringen gebruikt kunnen worden voor het bewijs, ondanks het feit dat ook deze beide verdachten niet op hun consultatierecht zijn gewezen, heeft de rechtbank hierboven reeds bevestigend beantwoord.

Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte ten aanzien van het transport op 27 januari 2009 minimaal voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van sigaretten die niet in de accijnsheffing waren betrokken en op het (kort gezegd) invoeren van merkvervalste sigaretten, zoals onder 1. en 2. tenlastegelegd. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, ziet de rechtbank niet in dat de strafbepaling van artikel 337 Wetboek van Strafrecht (Sr) enkel betrekking zou hebben op de opdrachtgever van het transport en niet (ook) op degene die feitelijk de invoer bewerkstelligt.

Valsheid in geschrifte

De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zijn exemplaar van de gebruikte vervoersbrieven heeft vernietigd. Nu dit document zich derhalve niet tussen de stukken bevindt, kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen of hierop dezelfde onjuiste informatie stond vermeld als op de exemplaren van de medeverdachten [verdachte 5] en [verdachte 2], hoe aannemelijk dit overigens in het licht van de verklaringen van [verdachte 5] overigens ook is.

Het dossier bevat verder geen bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de exemplaren van [verdachte 5] en [verdachte 2]. Uit de stukken blijkt dat de onjuiste informatie is geleverd door [verdachte 1], dat [verdachte 5] de vervoersbrieven heeft ingevuld en dat [verdachte 5] en [verdachte 2] hun eigen exemplaren hebben ondertekend.

Het voorgaande betekent dat de verdachte van het onder 3. tenlastegelegde, zowel primair als subsidiair, moet worden vrijgesproken.

Eerder transport

Vast staat dat aan de [adres] te Frieschepalen, een terrein dat toebehoort aan de [naam VOF] een vierde trailer is aangetroffen waarin zich eveneens sigaretten bevonden. Uit informatie van de Duitse autoriteiten die zich tussen de stukken bevindt, blijkt dat deze sigaretten eveneens afkomstig zijn uit Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter onvoldoende bewijs in het dossier om buiten redelijke twijfel aan te kunnen nemen dat de verdachte ook bij de invoer van deze sigaretten betrokken is geweest. Daarnaast ontbreekt het bewijs dat de verdachte, die als vennoot wellicht medeverantwoordelijk gehouden zou kunnen worden voor de aanwezigheid van de sigaretten op het bedrijfsterrein, wist of had moeten vermoeden dat de lading van deze trailer uit illegale sigaretten bestond.

Criminele organisatie

Nu alleen bewezen kan worden dat de verdachte betrokken is geweest bij het transport van 27 januari 2009, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de verdachte deel uit heeft gemaakt van een criminele organisatie. Het is immers vaste jurisprudentie dat van een "organisatie" in de zin van artikel 140 Sr eerst kan worden gesproken als er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat. Dat is hier niet het geval; meer dan een eenmalige, min of meer toevallige, samenwerking tussen de verdachten kan zoals gezegd niet bewezen worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 5] en [verdachte 1] en [verdachte 2] en [verdachte 3] in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en Roden, opzettelijk accijnsgoederen, te weten hoeveelheden sigaretten, voorhanden heeft

gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de

heffing waren betrokken;

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 5] en [verdachte 1] en [verdachte 2] en [verdachte 3] in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 in Nederland,

opzettelijk handelshoeveelheden verpakkingen met daarin sigaretten met de merknamen en beeldmerken van MARLBORO zijnde een merk waarop een ander recht

heeft, zijnde en bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, heeft ingevoerd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Onder 1:

Medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

Onder 2:

Medeplegen van opzettelijk invoeren van valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten alsmede de vordering van de officier van justitie.

De verdachte heeft zich, samen met een aantal anderen, schuldig gemaakt aan de smokkel van een grote hoeveelheid vervalste sigaretten van Duitsland naar Nederland. Daarmee is hij medeverantwoordelijk voor het feit dat de Nederlandse fiscus een aanzienlijk bedrag aan accijns en omzetbelasting is misgelopen. Daarnaast worden zowel de consument als de merkenhouder, in dit geval Philip Morris, benadeeld als er vervalste sigaretten op de markt worden gebracht.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Ook de reclassering heeft aangegeven dat de verdachte zijn leven voor het overige goed op orde heeft en dat niet valt te verwachten dat hij zich in de toekomst opnieuw zal schuldig maken aan (vergelijkbare) strafbare feiten. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat de rol van de verdachte, als chauffeur van één van de drie bij de smokkel betrokken vrachtwagens, relatief beperkt is geweest.

Al met al acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf passend en geboden. De rechtbank zal voor wat betreft de hoogte daarvan ten gunste van de verdachte afwijken van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank een kleiner aantal feiten bewezen acht dan waarvan de officier van justitie is uitgegaan. Nu reëel gevaar voor herhaling ontbreekt, ziet de rechtbank bovendien geen grond voor het daarnaast nog opleggen van een voorwaardelijke straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

47 lid 1 aanhef en onder 1, 57 en 337 lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht en

5 lid 1 onder b en 97 van de Wet op de accijns

BESLISING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 3 primair en subsidiair, 4 en meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 200 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag die de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J. van Bruggen, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2011.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.