Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU5767

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
17/980005-09 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sigarettensmokkel, Salduz.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 337, geldigheid: 2011-11-22
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2011-11-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 17/980005-09

datum uitspraak: 22 november 2011

op tegenspraak

Raadsman: mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

VONNIS van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te Leeuwarden, in de zaak tegen:

[verdachte 5],

geboren op [datum] 1988 te [plaats],

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 december 2010, 7 maart 2011, 16 mei 2011, 7 november 2011 en 8 november 2011.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 7 november 2011 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk accijnsgoederen, te weten (telkens) 25.242.516, althans

(een) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten, althans rookwaren, voorhanden heeft

gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de

heffing was/waren betrokken.

(artikel 5 van de wet op de Accijns)

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk een of meer (handelshoeveelheden) verpakking(en) met

daarin sigaretten met de merknamen en/of (beeld)merken van MARLBORO en/of

LAMBERT & BUTLER, ieder zijnde een merk waarop (een) ander(en) recht

heeft/hebben, elk zijnde en/of bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk

vervaardigde merken, heeft/hebben ingevoerd en/of doorgevoerd en/of

heeft/hebben afgeleverd en/of in voorraad heeft/hebben gehad.

(artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

Primair

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of één of meer ander(en) op of omstreeks 26

januari 2009 te Frieschepalen, althans in Nederland, valselijk heeft opgemaakt

drie, althans één of meer, geschriften te weten:

1. CMR 0778186 (D-001) en/of;

2. CMR 0778187 (D-006) en/of;

3. CMR;

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk valselijk op

dit/deze document(en) vermeld dat de lading bestond uit 33, althans een

aantal, pallets Sammelgut, althans stukgoed van afzender Campana Handel te

Prisdorf Duitsland aan geadresseerde Schoenenreus te Assen,

met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de

lading bestond uit sigaretten, althans andere goederen dan welke op het CMR

vermeld stonden en wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de lading

niet voor de Schoenenreus te Assen was bestemd

(artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 2]

en/of [verdachte 1] en/of één of meer ander(en) in de periode van

26 januari 2009 tot en met 29 januari 2009 te Frieschepalen, althans in

Nederland en/of Duitsland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse

CMR als ware deze echt en onvervalst terwijl hij wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden, dat dit geschrift voor zodanig gebruik bedoeld was,

bestaande de valsheid hierin dat op de CMR een onjuiste lading en/of een

onjuiste ontvanger vermeld stond, bestaande het gebruikmaken en/of voorhanden

hebben hierin dat verdachte gedurende zijn rit deze CMR onder zich en/of voor

controle beschikbaar heeft gehouden.

(artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en/of Surhuisterveen

en/of Roden, althans in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 5]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 1] en/of (een)

ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te

weten:

- valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr.) en/of

- het gebruik maken van valse geschriften (art. 225 lid 2 Sr.) en/of

- accijnsgoederen voorhanden hebben die niet overeenkomstig de Wet op de

accijns in de heffing waren betrokken (art. 5 Accijnswet) en/of

- merkvervalsing (art. 337 Sr.)

(artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde met betrekking tot de Lambert & Butler sigaretten zal vrijspreken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal de aangevoerde verweren hieronder nader bespreken.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Door de Duitse autoriteiten is een omvangrijk onderzoek verricht naar de smokkel van merkvervalste sigaretten van China naar Duitsland. In het kader van dat onderzoek zijn twee uit China afkomstige zeecontainers na lossing in Hamburg op 25 januari 2009 door de Duitse justitie onderzocht en onder observatie gehouden. Vastgesteld werd dat de inhoud van de containers bestond uit sloffen Marlboro sigaretten met Nederlandse opschriften. In de ochtend van 27 januari 2009 stelde het Duitse observatieteam vast dat de inhoud van de betreffende containers op een bedrijventerrein in Prisdorf werd overgeladen in drie Nederlandse vrachtwagens en dat deze vrachtwagens werden begeleid door een donkerkleurige personenauto van het merk Lancia Delta. Nadat de vrachtwagens in de loop van de middag, vergezeld door de Lancia Delta, richting Groningen waren gaan rijden, is contact gezocht met de Nederlandse justitie en is de observatie vanaf de Nederlandse grens overgedragen aan een observatieteam van de FIOD. De FIOD heeft geconstateerd dat de drie vrachtwagens werden geparkeerd aan respectievelijk de [adres] en de [adres] in Frieschepalen en aan de [adres] te Roden. De drie vrachtwagens zijn vervolgens door de FIOD doorzocht; in alle gevallen bleek de lading te bestaan uit pallets met bruine kartonnen dozen. De inhoud van deze dozen bestond uit sloffen Marlboro sigaretten. Aan de [adres] stond bovendien nog een losse trailer geparkeerd. Ook deze trailer bleek beladen te zijn met sigaretten van de merken Marlboro en Lambert & Butler. In totaal heeft de FIOD 6.749.200 sigaretten in de vier trailers aangetroffen. De sigaretten vertegenwoordigen een fiscaal nadeel (bestaande uit niet-betaalde accijnzen en omzetbelasting) van € 4.404.335,79.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de betreffende vrachtwagens verhuurd waren door de [naam VOF], gevestigd aan het al eerdergenoemde adres aan de [adres] in Frieschepalen, aan de verdachte [verdachte 1]. Als chauffeurs van het transport zijn opgetreden de verdachten [verdachten 5 en 6], die evenals hun vader en medeverdachte [verdachte 4] tevens vennoten zijn van de VOF, en de verdachte [verdachte 2]. Diens zoon [verdachte 3] bestuurde de Lancia Delta.

Bruikbaarheid van de verklaringen afgelegd bij de FIOD

De verdachte heeft tegenover de FIOD ten aanzien van de vraag of hij op de hoogte was van de aard van de lading bekennende verklaringen afgelegd. In zijn derde verhoor heeft de verdachte onder meer verklaard:

“…ik wist op het moment dat ik het [vervoersdocument CMR, rechtbank] invulde wel al dat we sigaretten zouden gaan vervoeren.”

en

“…ik heb op maandag [26 januari 2009, rechtbank] wel al gehoord dat we sigaretten zouden gaan halen in de buurt van Hamburg […] Van wie ik het toen heb gehoord weet ik niet meer, het zal wel van mijn vader zijn geweest.”

De verdediging heeft betoogd dat deze verklaringen niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. In de eerste plaats heeft de verdediging daarbij gewezen op het feit dat de verdachte deze verklaringen heeft afgelegd, zonder dat hij van te voren gewezen was op zijn recht om een advocaat te consulteren, hetgeen overeenkomstig de Salduz-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de daaropvolgende arresten van de Hoge Raad tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Los daarvan heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen in strijd met artikel 29 Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn afgelegd onder zodanige druk van de verhorende ambtenaren, dat niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid zijn afgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar aanleiding van de Salduz-jurisprudentie van het EHRM heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009 (NJ 2009, 349, LJN: BH3079) kort gezegd overwogen dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van diens eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en dat schending van dit uitgangspunt tot uitsluiting moet leiden van de afgelegde verklaringen. Noch uit de jurisprudentie van het EHRM, noch uit die van de Hoge Raad kan evenwel worden afgeleid dat de verplichting om op het consultatierecht gewezen te worden ook geldt in een situatie zoals hier aan de orde, waarbij de FIOD contact heeft gezocht met de verdachte, hem heeft medegedeeld dat er een strafrechtelijk onderzoek naar hem liep en dat hij daarvoor zal worden aangehouden en waarbij de verdachte zich vervolgens vrijwillig op het politiebureau heeft gemeld. Hier had de verdachte immers –anders dan wanneer hij zou zijn aangehouden zonder vooraf te weten dat er een verdenking tegen hem bestond- zelf de mogelijkheid om desgewenst een advocaat te raadplegen alvorens zich aan het verhoor te onderwerpen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het Gerechtshof Leeuwarden zich recentelijk nog in dezelfde zin heeft uitgesproken (arrest van 23 september 2011, LJN: BT2764).

Daarmee is vervolgens de vraag aan de orde of de verdachte zijn verklaringen in voldoende vrijheid heeft kunnen afleggen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat een verhoor in een strafzaak als indringend en onplezierig kan worden ervaren, zeker door een verdachte die daarmee geen ervaring heeft. Dat leidt op zichzelf echter nog niet tot de conclusie dat door de verhorende ambtenaren een ongeoorloofde mate van druk is uitgeoefend. Dat dit in/bij de verhoren van de verdachte wel zo zou zijn, blijkt niet uit de opgemaakte processen-verbaal, noch heeft de rechtbank daarvoor andere aanwijzingen gevonden. Evenmin blijkt uit de processen-verbaal van verhoor dat de bekennende verklaringen de verdachte “in de mond” zouden zijn gelegd, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de vraag van de FIOD of hij wist van de sigaretten niet slechts met “ja” heeft beantwoord, maar dat hij bijvoorbeeld ook heeft aangegeven wanneer en van wie hij dat te weten is gekomen. Het proces-verbaal biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor de stelling dat de verdachte alleen heeft willen of kunnen antwoorden in de lijn van suggesties van de verhorende ambtenaren; zo heeft hij meermalen en bij verschillende vragen ontkennend geantwoord of zich op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank wijst er verder op dat de verdachte in zijn vierde verhoor, een dag later, niet op zijn verklaringen is teruggekomen. Pas op de zitting heeft de verdachte aangegeven dat zijn destijds afgelegde verklaringen niet juist zijn.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verklaringen die de verdachte tegenover de FIOD heeft afgelegd kan en zal bezigen tot het bewijs. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte voorafgaand aan het transport wist dat hij sigaretten van Duitsland naar Nederland zou vervoeren.

Opzet

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ook als zou komen vast te staan dat de verdachte weet had van de aard van zijn lading, niet bewezen kan worden dat hij opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van niet in de heffing betrokken accijnsgoederen of het invoeren van merkvervalste sigaretten.

Dat over de door de FIOD aangetroffen sigaretten geen accijns geheven is en dat deze sigaretten ten onrechte de (beeld)merken van respectievelijk Marlboro en Lambert & Butler voerden staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast. Voor wat betreft de accijns is dat ook niet in geschil; voor wat betreft de merkvervalsing wijst de rechtbank op de aangifte van Philip Morris Products S.A. (pagina 881 en verder) en de bevindingen van de afdeling Falsificaten van de Douane (pagina 407 en 408).

Noch uit de verklaringen van verdachte, noch uit enig ander bewijsmiddel kan expliciet worden afgeleid dat verdachte wist dat de op 27 januari 2009 vervoerde sigaretten niet in de accijnsheffing betrokken waren of dat ze vervalst waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het transport van deze sigaretten echter onder zodanig verdachte omstandigheden plaatsgevonden dat de verdachte daar terdege rekening mee diende te houden en heeft hij derhalve, door toch hieraan mee te werken, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zich schuldig zou maken aan een strafbaar feit. De rechtbank overweegt daarbij in de eerste plaats dat van een chauffeur meer dan gebruikelijk waakzaamheid mag worden verwacht als het gaat om een incidenteel transport, buiten de reguliere distributiekanalen om, van goederen zoals tabakswaren, waarop accijnzen rusten die per land aanzienlijk kunnen verschillen en die daarom traditioneel smokkelobjecten zijn. In zo’n geval had het voor de verdachte op zijn minst te denken moeten geven dat de informatie over het transport van 27 januari 2009 die hij kreeg van [verdachte 1], namelijk dat de lading zou bestaan uit kinderschoenen en bestemd was voor de Schoenenreus in Assen, evident onjuist was. Toch heeft de verdachte deze gegevens overgenomen op de door hem ingevulde vervoersbrieven. Ook het feit dat [verdachte 1] extra mobiele telefoons uitdeelde aan de chauffeurs van het transport had vragen moeten oproepen. Weliswaar heeft de verdachte ter zitting betoogd dat dit niet ongebruikelijk is, maar hij doelt daarmee klaarblijkelijk op de situatie van regulier beroepsgoederenvervoer. Naar het oordeel van de rechtbank had het eenmalige transport van sigaretten in het onderhavige geval bij verdachte zodanige vragen moeten oproepen, dat hij niet zonder meer zijn medewerking daaraan zou verlenen.

Overigens hebben zowel [verdachte 4] als [verdachte 3] in hun verklaringen bij de FIOD aangegeven dat zij in dezelfde situatie inderdaad hun twijfels hadden over de rechtmatigheid van het transport. Zo heeft [verdachte 4] in zijn vijfde verhoor verklaard:

“Vervolgens kregen alle jongens een mobiele telefoon. [verdachte 6], [verdachte 5], [verdachte 2] en ook de zoon van [verdachte 2]. Op dat moment viel bij mij het kwartje. Ik dacht: dit zit goed fout, dit zit mis! […] Toen de mobiele telefoons waren uitgereikt, wist ik dat er dingen gingen gebeuren die niet in de haak waren.”

[verdachte 3] heeft in zijn zesde verhoor het volgende verklaard:

“Toen het transport begon had ik een raar gevoel over het transport. Ik dacht nog bij aanvang: ‘dit kan nooit goed komen’. […] Toen ik achter de vrachtwagens aan naar Duitsland reed dacht ik nog wel dat het transport misschien ook nog wel drugs zou kunnen zijn, omdat het hele totaalplaatje een raar verhaal was.”

Voor zover de verdediging betoogt dat deze verklaringen wegens schending van het consultatierecht niet voor het bewijs gebruikt zouden kunnen worden, wijst de rechtbank erop dat dit verzuim volgens vaste jurisprudentie alleen degene ten behoeve van wie het recht geldt kan raken, en geen derdenwerking heeft. Evenmin betekent het feit dat de verklaringen zijn afgelegd zonder dat eerst een advocaat is geraadpleegd nog niet dat ze niet juist of niet betrouwbaar zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte ten aanzien van het transport op 27 januari 2009 minimaal voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van sigaretten die niet in de accijnsheffing waren betrokken en op het (kort gezegd) invoeren van merkvervalste sigaretten, zoals onder 1. en 2. tenlastegelegd. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, ziet de rechtbank niet in dat de strafbepaling van artikel 337 Wetboek van Strafrecht (Sr) enkel betrekking zou hebben op de opdrachtgever van het transport en niet (ook) op degene die feitelijk de invoer bewerkstelligt.

Valsheid in geschrifte

Zoals hierboven reeds overwogen, heeft de verdachte willens en wetens onjuiste informatie ingevuld op de vervoersbrieven. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van deze documenten, zoals onder 3. primair is tenlastegelegd. Deze bewezenverklaring geldt overigens alleen de twee vervoersbrieven die door de FIOD zijn aangetroffen en die zich tussen de stukken bevinden; hoewel aannemelijk is dat de verdachte ook een derde exemplaar, dat voor zijn broer [verdachte 6] bestemd was en door deze is vernietigd, bewust onjuist heeft ingevuld, kan dit bij gebreke aan het document zelf niet geverifieerd worden.

Eerder transport

Vast staat dat aan de [adres] te Frieschepalen, een terrein dat toebehoort aan de [naam VOF], een vierde trailer is aangetroffen waarin zich eveneens sigaretten bevonden. Uit informatie van de Duitse autoriteiten die zich tussen de stukken bevindt, blijkt dat deze sigaretten eveneens afkomstig zijn uit Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter onvoldoende bewijs in het dossier om buiten redelijke twijfel aan te kunnen nemen dat de verdachte ook bij de invoer van deze sigaretten betrokken is geweest. Daarnaast ontbreekt het bewijs dat de verdachte, die als vennoot wellicht medeverantwoordelijk gehouden zou kunnen worden voor de aanwezigheid van de sigaretten op het bedrijfsterrein, wist of had moeten vermoeden dat de lading van deze trailer uit illegale sigaretten bestond.

Criminele organisatie

Nu alleen bewezen kan worden dat de verdachte betrokken is geweest bij het transport van 27 januari 2009, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de verdachte deel uit heeft gemaakt van een criminele organisatie. Het is immers vaste jurisprudentie dat van een “organisatie” in de zin van artikel 140 Sr eerst kan worden gesproken als er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat. Dat is hier niet het geval; meer dan een eenmalige, min of meer toevallige, samenwerking tussen de verdachten kan zoals gezegd niet bewezen worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 6] en [verdachte 1] en [verdachte 2] en [verdachte 3], in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en Roden, opzettelijk accijnsgoederen, te weten hoeveelheden sigaretten, voorhanden heeft

gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de

heffing waren betrokken;

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 6] en [verdachte 1] en [verdachte 2] en [verdachte 3] in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 in Nederland, opzettelijk handelshoeveelheden verpakkingen met daarin sigaretten met de merknamen en beeldmerken van MARLBORO zijnde een merk waarop een ander recht

heeft, zijnde en bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, heeft ingevoerd.

3. primair.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 1] en [verdachte 2] op 26 januari 2009 te Frieschepalen, valselijk heeft opgemaakt geschriften te weten:

1. CMR 0778186 (D-001) en

2. CMR 0778187 (D-006)

immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk valselijk op deze documenten vermeld dat de lading bestond uit 33 pallets Sammelgut, van afzender Campana Handel te

Prisdorf Duitsland aan geadresseerde Schoenenreus te Assen,

met het oogmerk om voornoemde geschriften als echt en onvervalst te gebruiken terwijl hij wist, dat de lading bestond uit sigaretten, en wist, dat de lading niet voor de Schoenenreus te Assen was bestemd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Onder 1:

Medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

Onder 2:

Medeplegen van opzettelijk invoeren van valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken.

Onder 3 primair:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten alsmede de vordering van de officier van justitie.

De verdachte heeft zich, samen met een aantal anderen, schuldig gemaakt aan de smokkel van een grote hoeveelheid vervalste sigaretten van Duitsland naar Nederland, in welk verband hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van vervoersdocumenten. Daarmee is hij medeverantwoordelijk voor het feit dat de Nederlandse fiscus een aanzienlijk bedrag aan accijns en omzetbelasting is misgelopen. Daarnaast worden zowel de consument als de merkenhouder, in dit geval Philip Morris, benadeeld als er vervalste sigaretten op de markt worden gebracht.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij, een enkel geval in het verdere verleden daargelaten, niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, zeker niet voor feiten zoals deze. Ook de reclassering heeft aangegeven dat de verdachte zijn leven voor het overige goed op orde heeft en dat niet valt te verwachten dat hij zich in de toekomst opnieuw zal schuldig maken aan (vergelijkbare) strafbare feiten. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat de rol van de verdachte, als chauffeur van één van de drie bij de smokkel betrokken vrachtwagens, relatief beperkt is geweest.

Al met al acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf passend en geboden, waarbij voor wat betreft de hoogte aangesloten zal worden bij de eis van de officier van justitie. Nu reëel gevaar voor herhaling ontbreekt, ziet de rechtbank geen grond voor het daarnaast nog opleggen van een voorwaardelijke straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

47 lid 1 aanhef en onder 1, 57, 225 lid 1 en 337 lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht en

5 lid 1 onder b en 97 van de Wet op de accijns

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 4 en meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag die de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J. van Bruggen, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2011.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.