Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU5661

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
17/980006-09 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak sigarettensmokkel

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36b, geldigheid: 2011-11-22
Wetboek van Strafrecht 36c, geldigheid: 2011-11-22
Wetboek van Strafrecht 36d, geldigheid: 2011-11-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 17/980006-09 VON

datum uitspraak: 22 november 2011

op tegenspraak

Raadsman: mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

VONNIS van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te Leeuwarden, in de zaak tegen:

[verdachte 4],

geboren op [datum] 1952 te [plaats],

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 december 2010, 7 maart 2011, 16 mei 2011, 7 november 2011 en 8 november 2011.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 7 november 2011 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 6] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk accijnsgoederen, te weten (telkens) 25.242.516, althans

(een) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten, althans rookwaren, voorhanden heeft

gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de

heffing was/waren betrokken.

(artikel 5 van de wet op de Accijns)

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 6] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk een of meer (handelshoeveelheden) verpakking(en) met

daarin sigaretten met de merknamen en/of (beeld)merken van MARLBORO en/of

LAMBERT & BUTLER, ieder zijnde een merk waarop (een) ander(en) recht

heeft/hebben, elk zijnde en/of bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk

vervaardigde merken, heeft/hebben ingevoerd en/of doorgevoerd en/of

heeft/hebben afgeleverd en/of in voorraad heeft/hebben gehad.

(artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

Primair

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 1]

en/of [verdachte 2] en/of één of meer ander(en) op of omstreeks 26

januari 2009 te Frieschepalen, althans in Nederland, valselijk heeft opgemaakt

drie, althans één of meer, geschriften te weten:

1. CMR 0778186 (D-001) en/of;

2. CMR 0778187 (D-006) en/of;

3. CMR;

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk valselijk op

dit/deze document(en) vermeld dat de lading bestond uit 33, althans een

aantal, pallets Sammelgut, althans stukgoed van afzender Campana Handel te

Prisdorf Duitsland aan geadresseerde Schoenenreus te Assen,

met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de

lading bestond uit sigaretten, althans andere goederen dan welke op het CMR

vermeld stonden en wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de lading

niet voor de Schoenenreus te Assen was bestemd

(artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 5] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 2]

en/of [verdachte 1] en/of één of meer ander(en) in de periode van

26 januari 2009 tot en met 29 januari 2009 te Frieschepalen, althans in

Nederland en/of Duitsland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse

CMR als ware deze echt en onvervalst terwijl hij wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden, dat dit geschrift voor zodanig gebruik bedoeld was,

bestaande de valsheid hierin dat op de CMR een onjuiste lading en/of een

onjuiste ontvanger vermeld stond, bestaande het gebruikmaken en/of voorhanden

hebben hierin dat verdachte gedurende zijn rit deze CMR onder zich en/of voor

controle beschikbaar heeft gehouden.

(artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en/of Surhuisterveen

en/of Roden, althans in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 5]

en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 1] en/of (een)

ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te

weten:

- valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr.) en/of

- het gebruik maken van valse geschriften (art. 225 lid 2 Sr.) en/of

- accijnsgoederen voorhanden hebben die niet overeenkomstig de Wet op de

accijns in de heffing waren betrokken (art. 5 Accijnswet) en/of

- merkvervalsing (art. 337 Sr.)

(artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde met betrekking tot de Lambert & Butler sigaretten zal vrijspreken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal de aangevoerde verweren hieronder nader bespreken.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Door de Duitse autoriteiten is een omvangrijk onderzoek verricht naar de smokkel van merkvervalste sigaretten van China naar Duitsland. In het kader van dat onderzoek zijn twee uit China afkomstige zeecontainers na lossing in Hamburg op 25 januari 2009 door de Duitse justitie onderzocht en onder observatie gehouden. Vastgesteld werd dat de inhoud van de containers bestond uit sloffen Marlboro sigaretten met Nederlandse opschriften. In de ochtend van 27 januari 2009 stelde het Duitse observatieteam vast dat de inhoud van de betreffende containers op een bedrijventerrein in Prisdorf werd overgeladen in drie Nederlandse vrachtwagens en dat deze vrachtwagens werden begeleid door een donkerkleurige personenauto van het merk Lancia Delta. Nadat de vrachtwagens in de loop van de middag, vergezeld door de Lancia Delta, richting Groningen waren gaan rijden, is contact gezocht met de Nederlandse justitie en is de observatie vanaf de Nederlandse grens overgedragen aan een observatieteam van de FIOD. De FIOD heeft geconstateerd dat de drie vrachtwagens werden geparkeerd aan respectievelijk de [adres] en de [adres] in Frieschepalen en aan de [adres] te Roden. De drie vrachtwagens zijn vervolgens door de FIOD doorzocht; in alle gevallen bleek de lading te bestaan uit pallets met bruine kartonnen dozen. De inhoud van deze dozen bestond uit sloffen Marlboro sigaretten. Aan de [adres] stond bovendien nog een losse trailer geparkeerd. Ook deze trailer bleek beladen te zijn met sigaretten van de merken Marlboro en Lambert & Butler. In totaal heeft de FIOD 6.749.200 sigaretten in de vier trailers aangetroffen. De sigaretten vertegenwoordigen een fiscaal nadeel (bestaande uit niet-betaalde accijnzen en omzetbelasting) van € 4.404.335,79.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de betreffende vrachtwagens verhuurd waren door de [naam VOF], gevestigd aan het al eerdergenoemde adres [adres] in Frieschepalen, aan de verdachte [verdachte 1]. Als chauffeurs van het transport zijn opgetreden de verdachten [verdachten 5 en 6], die evenals hun vader en medeverdachte [verdachte 4] tevens vennoten zijn van de VOF, en de verdachte [verdachte 2]. Diens zoon [verdachte 3] bestuurde de Lancia Delta.

Bruikbaarheid van de verklaringen afgelegd bij de FIOD

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zowel tegenover de FIOD als ter terechtzitting heeft ontkend dat hij wist dat het transport van 27 januari 2009 sigaretten zou betreffen, laat staan dat het zou gaan om merkvervalste en niet in de accijnsheffing betrokken sigaretten. Wel heeft de verdachte in zijn vijfde verhoor bij de FIOD kenbaar gemaakt dat hij zijn ernstige twijfels had bij de rechtmatigheid van het transport. Zo heeft hij onder meer verklaard:

"Toen [verdachte 1] maandagavond [26 januari 2009, rechtbank] bij ons was, had hij ook een aantal mobiele telefoons bij zich. [...] Vervolgens kregen alle jongens een mobiele telefoon. [verdachte 6], [verdachte 5], [verdachte 2] en ook de zoon van [verdachte 2]. Op dat moment viel bij mij het kwartje. Ik dacht: dit zit goed fout, dit zit mis! [...] Ik had moeten ingrijpen. Ik heb dit niet gedaan. [...] Toen de mobiele telefoons waren uitgereikt, wist ik dat er dingen gingen gebeuren die niet in de haak waren. Ik vermoedde wel dat het om sigaretten ging."

De verdediging heeft betoogd dat deze verklaring niet voor het bewijs gebezigd kan worden. In de eerste plaats heeft de verdediging daarbij gewezen op het feit dat de verdachte deze verklaring heeft afgelegd, zonder dat hij van te voren gewezen was op zijn recht om een advocaat te consulteren, hetgeen overeenkomstig de Salduz-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de daaropvolgende arresten van de Hoge Raad tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Los daarvan heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen in strijd met artikel 29 Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn afgelegd onder zodanige druk van de verhorende ambtenaren, dat niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid zijn afgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar aanleiding van de Salduz-jurisprudentie van het EHRM heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009 (NJ 2009, 349, LJN: BH3079) kort gezegd overwogen dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van diens eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en dat schending van dit uitgangspunt tot uitsluiting moet leiden van de afgelegde verklaringen. Vast staat dat de verdachte door de verhorende ambtenaren niet op zijn consultatierecht is gewezen, terwijl uit het dossier niet blijkt dat hij voor zijn aanhouding reeds op de hoogte was van het bestaan van een verdenking jegens hem en in de gelegenheid is geweest om voorafgaand aan zijn aanhouding een advocaat hierover te raadplegen. Dit betekent dat geen van de verklaringen die de verdachte tegenover de FIOD heeft afgelegd, voor het bewijs gebruikt kan worden. Het verweer van de raadsman dat de bekennende verklaring onder druk van de verhorende ambtenaren tot stand is gekomen kan dan ook verder onbesproken blijven.

Vastgesteld moet worden dat zoons van de verdachte, [verdachten 5 en 6], tegenover de FIOD wel bekennende verklaringen hebben afgelegd ten aanzien van de vraag of zij voorafgaand aan het transport van 27 januari 2009 wisten dat het zou gaan om sigaretten. Zo heeft [verdachte 5] in zijn derde verhoor bij de FIOD onder meer het volgende verklaard:

"[...] ik heb op maandag [26 januari 2009, rechtbank] wel al gehoord dat we sigaretten zouden gaan halen in de buurt van Hamburg. [...] Van wie ik het toen heb gehoord weet ik niet meer, het zal wel van mijn vader geweest zijn. [...] Dat wij die rit zouden doen was bekend bij mijn vader, mijn broer [verdachte 6] en uiteraard bij mij."

[verdachte 6] heeft, eveneens in zijn derde verhoor, op de vraag van de FIOD of hij wist dat er sigaretten opgehaald zouden worden het volgende geantwoord:

"Ja, dat wist ik. Daar was op maandag [26 januari 2009, rechtbank] al over gesproken. Volgens mij door [verdachte 1] toen hij bij ons was. Volgens mij was mijn vader daar ook bij [...]"

Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat ook de verdachte voorafgaand aan het transport van 27 januari 2009 wist dat de lading zou bestaan uit sigaretten.

Voor zover de verdediging betoogt dat deze verklaringen evenmin voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat ook [verdachten 5 en 6] niet op hun consultatierecht zijn gewezen, wijst de rechtbank erop dat dit verzuim volgens vaste jurisprudentie alleen degene ten behoeve van wie het recht geldt kan raken, en geen derdenwerking heeft. Evenmin betekent het feit, dat de verklaringen zijn afgelegd zonder dat eerst een advocaat is geraadpleegd, nog niet dat ze niet juist of niet betrouwbaar zijn.

Medeplegen

De vraag rijst of de rol van de verdachte bij het transport van 27 januari 2009 wel zodanig is geweest dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking met de andere betrokkenen als het gaat om het in voorraad hebben van niet in de heffing betrokken accijnsgoederen dan wel het (kort gezegd) invoeren van merkvervalste sigaretten, zoals onder 1. en 2. aan hem is tenlastegelegd. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vraag ontkennend beantwoord worden. Uit de stukken kan immers niet worden afgeleid dat de verdachte meer heeft gedaan dan de vrachtwagens ter beschikking te stellen waarmee de bewuste sigaretten van Duitsland naar Nederland zijn vervoerd en de gelegenheid te bieden om twee van de vrachtwagens op bedrijfsterreinen van de [naam VOF] te stallen. Daarmee heeft de verdachte het transport wel gefaciliteerd, maar deze handelingen zijn onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken.

Eerder transport

Vast staat dat aan de [adres] te Frieschepalen, een terrein dat toebehoort aan de [naam VOF], een vierde trailer is aangetroffen waarin zich eveneens sigaretten bevonden. Uit informatie van de Duitse autoriteiten die zich tussen de stukken bevindt, blijkt dat deze sigaretten eveneens afkomstig zijn uit Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter onvoldoende bewijs in het dossier om buiten redelijke twijfel aan te kunnen nemen dat de verdachte ook bij de invoer van deze sigaretten betrokken is geweest. Daarnaast ontbreekt het bewijs dat de verdachte, die als vennoot wellicht medeverantwoordelijk gehouden zou kunnen worden voor de aanwezigheid van de sigaretten op het bedrijfsterrein, wist of had moeten vermoeden dat de lading van deze trailer uit illegale sigaretten bestond.

Het voorgaande betekent dat de verdachte van het onder 1. en 2. tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Valsheid in geschrifte

Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de vervoersbrieven of het gebruiken daarvan. Ook van het onder 3. tenlastegelegde zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Criminele organisatie

Nu niet meer bewezen kan worden dan dat de verdachte in enige mate behulpzaam is geweest bij het transport van 27 januari 2009, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat hij deel uit heeft gemaakt van een criminele organisatie. Het is immers vaste jurisprudentie dat van een "organisatie" in de zin van artikel 140 Sr eerst kan worden gesproken als er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat. Dat is hier niet het geval; meer dan een eenmalige, min of meer toevallige, samenwerking tussen de verdachten kan zoals gezegd niet bewezen worden. Ten aanzien van het onder 4. tenlastegelegde dient derhalve eveneens vrijspraak te volgen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen goederen, te weten in totaal 25.235.526 stuks sigaretten van de merken Marlboro en Lambert & Butler, moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken, dat door anderen dan verdachte met betrekking tot voornoemde sigaretten misdrijven, te weten overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns en artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht zijn begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair en 4 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart ontrokken aan het verkeer:

25.235.526 stuks sigaretten ven de merken Marlboro en Lambert & Butler.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J. van Bruggen, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2011.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.