Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU5655

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
17/980004-09 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sigarettensmokkel.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 97, geldigheid: 2011-11-22
Wet op de accijns 5, geldigheid: 2011-11-22
Wetboek van Strafrecht 337, geldigheid: 2011-11-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 17/980004-09 VON

datum uitspraak: 22 november 2011

op tegenspraak

VONNIS van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te Leeuwarden, in de zaak tegen:

[verdachte 3],

geboren op [datum] 1989 te [plaats],

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 december 2010, 7 maart 2011, 16 mei 2011, 7 november 2011 en 8 november 2011.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 7 november 2011 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of

[verdachte 5] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 1] en/of één of meer

ander(en) in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te

Frieschepalenen/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, opzettelijk accijnsgoederen, te weten (telkens) 25.242.516, althans

(een) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten, althans rookwaren, voorhanden heeft

gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de

heffing was/waren betrokken.

(artikel 5 van de wet op de Accijns)

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of

[verdachte 5] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 1] en/of één of meer ander(en)

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen

en/of Surhuisterveen en/of Roden, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk een of meer (handelshoeveelheden) verpakking(en) met

daarin sigaretten met de merknamen en/of (beeld)merken van MARLBORO en/of

LAMBERT & BUTLER, ieder zijnde een merk waarop (een) ander(en) recht

heeft/hebben, elk zijnde en/of bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk

vervaardigde merken, heeft/hebben ingevoerd en/of doorgevoerd en/of

heeft/hebben afgeleverd en/of in voorraad heeft/hebben gehad.

(artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en/of Surhuisterveen

en/of Roden, althans in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of

[verdachte 5] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 1] en/of (een)

ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te

weten:

- valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr.) en/of

- het gebruik maken van valse geschriften (art. 225 lid 2 Sr.) en/of

- accijnsgoederen voorhanden hebben die niet overeenkomstig de Wet op de

accijns in de heffing waren betrokken (art. 5 Accijnswet) en/of

- merkvervalsing (art. 337 Sr.)

(artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde met betrekking tot de Lambert & Butler sigaretten zal vrijspreken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Door de Duitse autoriteiten is een omvangrijk onderzoek verricht naar de smokkel van merkvervalste sigaretten van China naar Duitsland. In het kader van dat onderzoek zijn twee uit China afkomstige zeecontainers na lossing in Hamburg op 25 januari 2009 door de Duitse justitie onderzocht en onder observatie gehouden. Vastgesteld werd dat de inhoud van de containers bestond uit sloffen Marlboro sigaretten met Nederlandse opschriften. In de ochtend van 27 januari 2009 stelde het Duitse observatieteam vast dat de inhoud van de betreffende containers op een bedrijventerrein in Prisdorf werd overgeladen in drie Nederlandse vrachtwagens en dat deze vrachtwagens werden begeleid door een donkerkleurige personenauto van het merk Lancia Delta. Nadat de vrachtwagens in de loop van de middag, vergezeld door de Lancia Delta, richting Groningen waren gaan rijden, is contact gezocht met de Nederlandse justitie en is de observatie vanaf de Nederlandse grens overgedragen aan een observatieteam van de FIOD. De FIOD heeft geconstateerd dat de drie vrachtwagens werden geparkeerd aan respectievelijk de [adres] en de [adres] in Frieschepalen en aan de [adres] te Roden. De drie vrachtwagens zijn vervolgens door de FIOD doorzocht; in alle gevallen bleek de lading te bestaan uit pallets met bruine kartonnen dozen. De inhoud van deze dozen bestond uit sloffen Marlboro sigaretten. Aan de [adres] stond bovendien nog een losse trailer geparkeerd. Ook deze trailer bleek beladen te zijn met sigaretten van de merken Marlboro en Lambert & Butler. In totaal heeft de FIOD 6.749.200 sigaretten in de vier trailers aangetroffen. De sigaretten vertegenwoordigen een fiscaal nadeel (bestaande uit niet-betaalde accijnzen en omzetbelasting) van € 4.404.335,79.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de betreffende vrachtwagens verhuurd waren door de [naam VOF], gevestigd aan het al eerdergenoemde adres aan de [adres] in Frieschepalen, aan de verdachte [verdachte 1]. Als chauffeurs van het transport zijn opgetreden de verdachten [verdachten 5 en 6], die evenals hun vader en medeverdachte [verdachte 1] tevens vennoten zijn van de VOF, en de verdachte [verdachte 2]. Diens zoon [verdachte 3] bestuurde de Lancia Delta.

Wetenschap van de inhoud van de lading van het transport van 27 januari 2009

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zowel bij de FIOD als ter terechtzitting ontkend heeft dat hij wist dat er bij het transport van 27 januari 2009 sigaretten vervoerd werden. De verdachte heeft in zijn vijfde verhoor tegenover de FIOD echter wel het volgende verklaard:

"Toen mijn vader mij vroeg mee naar Duitsland te gaan wist ik nog niet dat er sigaretten zouden worden gesmokkeld. Pas onderweg naar Duitsland, op het laadadres in Duitsland, heeft mijn vader mij verteld dat het geen zuivere koffie was. [...] Op de terugreis naar Nederland moest ik van mijn vader voorop rijden om te zien of er politie in de buurt was. [...] Ik moest bij de grensovergang kijken of er een grenscontrole was."

In zijn zesde verhoor heeft de verdachte daar het volgende aan toegevoegd:

"Toen het transport begon had ik een raar gevoel over het transport. Ik dacht nog bij aanvang: 'dit kan nooit goed komen'. [...] Toen ik achter de vrachtwagens aan naar Duitsland reed dacht ik nog wel dat het transport misschien ook drugs zou kunnen zijn, omdat het hele totaalplaatje een raar verhaal was."

Hoewel er geen bewijs is voor het feit dat de verdachte voorafgaand aan of tijdens het transport van 27 januari 2009 te weten is gekomen dat de lading van de vrachtwagens uit sigaretten bestond, kan de rechtbank op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen moeilijk anders concluderen dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij betrokken was geraakt bij de smokkel van illegale goederen. Door zich ondanks zijn grote twijfels niet van het transport te distantiëren, maar integendeel de aanwijzingen van zijn vader om de grensovergang te controleren op te volgen, is de verdachte medeverantwoordelijk geworden voor (kort gezegd) de invoer van niet in de accijnsheffing betrokken en merkvervalste sigaretten.

Het voorgaande betekent dat het onder 1. en 2. aan de verdachte tenlastegelegde bewezen kan worden.

Criminele organisatie

Nu alleen bewezen kan worden dat de verdachte betrokken is geweest bij het transport van 27 januari 2009, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de verdachte deel uit heeft gemaakt van een criminele organisatie. Het is immers vaste jurisprudentie dat van een "organisatie" in de zin van artikel 140 Sr eerst kan worden gesproken als er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat. Dat is hier niet het geval; meer dan een eenmalige, min of meer toevallige, samenwerking tussen de verdachten kan zoals gezegd niet bewezen worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 6] en/of [verdachte 5] en/of

[verdachte 1] en/of [verdachte 2], in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 te Frieschepalen en Roden, opzettelijk accijnsgoederen, te weten hoeveelheden sigaretten, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

2.

Hij tezamen en in vereniging met [verdachte 6] en [verdachte 5] en [verdachte 1] en [verdachte 2] in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 januari 2009 in Nederland, meermalen, opzettelijk handelshoeveelheden verpakkingen met daarin sigaretten met de merknamen en beeldmerken van MARLBORO zijnde een merk waarop een ander recht

heeft, zijnde en bevattende valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, heeft ingevoerd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Onder 1:

Medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

Onder 2:

Medeplegen van opzettelijk invoeren van valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken, meermalen gepleegd.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De verdachte heeft zich, samen met een aantal anderen, schuldig gemaakt aan de smokkel van een grote hoeveelheid vervalste sigaretten van Duitsland naar Nederland. Daarmee is hij medeverantwoordelijk voor het feit dat de Nederlandse fiscus een aanzienlijk bedrag aan accijns en omzetbelasting is misgelopen. Daarnaast worden zowel de consument als de merkenhouder, in dit geval Philip Morris, benadeeld als er vervalste sigaretten op de markt worden gebracht. De rechtbank stelt wel vast dat de rol van de verdachte een heel beperkte is geweest.

De rechtbank constateert dat de verdachte een aantal keren is veroordeeld nadat de bewuste feiten zijn gepleegd, maar voor zijn berechting. Met deze veroordelingen zal de rechtbank in het kader van artikel 63 Wetboek van Strafrecht rekening moeten houden. In het verdere verleden is de verdachte vaker veroordeeld, maar deze betreffen overtredingen en hoe dan ook geen delicten die verband houden met de feiten waarvoor de verdachte thans berecht wordt.

Van overige bijzondere persoonlijke omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de strafbepaling is de rechtbank niet gebleken. Net als de officier van justitie acht de rechtbank een werkstraf passend. Wel zal de rechtbank voor wat betreft de hoogte daarvan ten gunste van de verdachte afwijken van de eis van de officier van justitie, die immers gebaseerd was op een groter aantal te bewijzen feiten dan waar de verdachte uiteindelijk voor wordt veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

47 lid 1 aanhef en onder 1, 57 en 337 lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht en

5 lid 1 onder b en 97 van de Wet op de accijns.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 3 en meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 80 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag die de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J. van Bruggen, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2011.

Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.