Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU5532

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/1230, 11/1473, 11/1667, 11/1668 en AWB 11/1728
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op het notarisambt. Excedentverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/18

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 11/1230, AWB 11/1473, AWB 11/1667, AWB 11/1668 en AWB 11/1728

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen:

[naam, hierna: A],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden,

[naam, hierna: B],

wonende te [woonplaats],

[naam. hierna: C],

wonende te [woonplaats],

[naam, hierna: D],

wonende te [woonplaats],

[naam, hierna: E],

wonende te [woonplaats],

eisers,

en

het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie,

verweerder,

gemachtigden: mr. C.W. Kniestedt en mr. S. Beeston, beiden advocaat te Amsterdam, en mr. W.J. Geselschap, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brieven van 23 mei 2011 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op de bezwaren van eisers met betrekking tot de toepassing van de Wet op het notarisambt (Wna). Tegen deze besluiten hebben eisers beroep aangetekend. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 26 oktober 2011. [A], [C] en [D] zijn in persoon verschenen, daarnaast zijn namens [A] verschenen zijn gemachtigde en mr. T.A. de Boer, assurantietussenpersoon. [E] en [B] zijn niet verschenen. Namens verweerder zijn voornoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Eisers zijn allen werkzaam als notaris en op grond van de Wna van rechtswege lid van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB).

1.2 Verweerder heeft ten behoeve van de leden van de KNB een collectieve aansprakelijkheidsverzekering voor beroepsfouten afgesloten met een dekking van schade tussen één en vijfentwintig miljoen euro (hierna: de excedentverzekering). Voor schades tot één miljoen dient een notaris zelf een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Verweerder berekent de kosten van de excedentverzekering door aan de leden van de KNB door middel van het heffen van de jaarlijkse bijdrage in de zin van artikel 87 van de Wna.

1.3 Op 9 oktober 2008, 15 oktober 2009 en 13 oktober 2010 heeft verweerder eisers drie facturen toegestuurd betreffende de jaarlijkse bijdrage, waarin onder meer de kosten van de excedentverzekering met betrekking tot de jaren 2008-2009, 2009-2010 en 2010-2011 zijn opgenomen.

1.4 Bij brieven van (onder meer) 29 december 2008, 2 juli 2010 en 28 oktober 2010 heeft [A] aan verweerder laten weten dat hij het niet eens is met die facturen.

1.5 [E] heeft per brief van 27 november 2009 aan de KNB geschreven dat hij de excedentverzekering per 1 januari 2010 opzegt. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft [E] bezwaar gemaakt tegen de factuur van 13 oktober 2010.

1.6 [B] heeft per fax van 2 november 2009 aan de KNB geschreven dat hij geen behoefte heeft aan de excedentverzekering en derhalve de betaling van de premie heeft opgeschort. Per brief van 22 oktober 2010 heeft [B] bezwaar gemaakt tegen de factuur van 13 oktober 2010.

1.7 [C] heeft per brief van 23 november 2010 bezwaar gemaakt tegen de factuur van 13 oktober 2010.

1.8 [D] heeft per brief van 22 november 2010 bezwaar gemaakt tegen de factuur van 13 oktober 2010.

1.9 In de zaak met procedurenummer AWB 11/393 heeft [A] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht de door hem bestreden facturen te schorsen. De voorzieningenrechter heeft zich in die procedure beperkt tot het beantwoorden van de vraag of de betaling van de bestreden facturen voor [A] een onevenredig nadeel met zich bracht in verhouding tot het belang van verweerder bij onmiddellijke betaling van deze facturen. De voorzieningenrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord en de bestreden facturen geschorst tot twee weken nadat de beslissing op het bezwaar van [A] tegen de bestreden facturen op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

1.10 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van [A] tegen de facturen betreffende de bijdrage voor de excedentverzekering over de jaren 2007/2008, 2008/2009, 2009/2010 en 2010/2011 ongegrond verklaard, de bezwaren van [B], [C] en [E] tegen de facturen betreffende de bijdrage voor de excedentverzekering over de jaren 2009/2010 en 2010/2011 ongegrond verklaard en het bezwaar van [D] tegen de factuur betreffende de bijdrage voor de excedentverzekering over 2010/2011 ongegrond verklaard.

1.11 Eisers hebben beroep ingesteld tegen de ongegrond verklaring van hun bezwaar. [A] heeft de voorzieningenrechter wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het beroep tegen de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek in zijn uitspraak van 23 juni 2011 (procedurenummer

AWB 11/1229) toegewezen.

Geschil

2.1 Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is om de kosten van de excedentverzekering door middel van heffingen aan hen in rekening te brengen. Eisers voeren daartoe, onder meer en samengevat, het volgende aan. Er bestaat geen wettelijke verplichting voor notarissen om deel te nemen aan de excedentverzekering; in de regelgeving van de KNB is slechts als vereiste genoemd dat notarissen voldoende verzekerd zijn en dat is volgens eisers, gelet op hun relatief kleine praktijken, reeds het geval met de door hen individueel afgesloten aansprakelijkheidsverzekering met een dekking tot één miljoen euro. Voor zover er al een wettelijke plicht tot deelname aan de excedentverzekering zou zijn dan is deze verplichting volgens eisers onverbindend. Eisers stellen daartoe dat een dergelijke bepaling de verordenende bevoegdheid op grond van de Wna te buiten gaat en dat deze in strijd is met het mededingingsrecht. Subsidiair voeren eisers aan dat er sprake is van een vorm van verboden delegatie en meer subsidiair dat de grenzen van de regelgevende bevoegdheid door de KNB zijn overschreden. [D] en [B] betogen voorts dat het reglement voor de bezwaarschriftencommissie niet rechtsgeldig is, omdat dit door verweerder is vastgesteld en niet door de ledenvergadering van de KNB.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het afsluiten van de excedentverzekering de uitoefening van een door de wet aan de KNB opgedragen taak betreft en dat eisers verplicht zijn deel te nemen aan de excedentverzekering. Verweerder stelt dat hij op grond van artikel 87 van de Wna kosten van de excedentverzekering in rekening mag brengen bij eisers. Verweerder voert daartoe, onder meer en samengevat, het volgende aan. De wettelijke taak van de KNB bestaat onder meer uit de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en het bevorderen van hun vakbekwaamheid. Een goede beroepsuitoefening impliceert tevens dat notarissen voldoende verzekerd zijn tegen aansprakelijkheid wegens beroepsfouten. Om te voorzien in een toereikende dekking tegen schade voortvloeiend uit beroepsfouten, voorziet de KNB, met instemming van haar ledenvergadering, reeds sinds 1979 in een aanvullende collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Verweerder stelt dat een aansprakelijkheidsverzekering met een dekking tot één miljoen euro ook voor kleinere notariskantoren niet voldoende is, omdat de hoogte van eventuele schadeclaims niet altijd samenhangt met de kosten die met de desbetreffende transactie zijn gemoeid. Voorts zal het voor individuele notarissen zeer kostbaar zo niet onmogelijk zijn om een verzekering met een dekking tot € 25 miljoen af te sluiten. De verplichting tot deelname aan de excedentverzekering is neergelegd in artikel 14 van de Verordening beroeps- en gedragsregels (hierna: de Verordening) en in artikel 3 van het Reglement beroepsaansprakelijkheid 2009 (hierna: het Reglement), aldus verweerder. Verweerder bestrijdt ten slotte dat de verplichte deelname aan de excedentverzekering strijdig is met het mededingingsrecht.

Wettelijk kader

3.1 Op grond van artikel 60 van de Wna is de KNB een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Alle in Nederland gevestigde notarissen en de kandidaat-notarissen zijn leden van de KNB. De KNB is gevestigd te 's-Gravenhage.

Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Wna heeft de KNB tot taak de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid. Haar taak omvat mede de zorg voor de eer en het aanzien van het notarisambt. Op grond van het tweede lid worden bij verordening beroeps- en gedragsregels van de leden van de KNB vastgesteld. Tevens kunnen bij verordening regels worden gesteld betreffende de bevordering van de vakbekwaamheid van de leden en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.

Op grond van artikel 69 van de Wna is de ledenraad belast met het vaststellen van verordeningen van de KNB.

Op grond van artikel 87 van de Wna draagt de KNB alle kosten die uit de uitvoering van de haar door deze wet opgedragen taken voortvloeien. Ter dekking van deze kosten kan zij van de leden jaarlijks bijdragen heffen. De algemene ledenvergadering stelt, op voorstel van het bestuur, de hoogte van de bijdragen voor het boekjaar vast.

Artikel 89, tweede lid, van de Wna bepaalt, voor zover hier van belang, dat verordeningen geen verplichtingen of voorschriften bevatten die niet strikt noodzakelijk zijn voor verwezenlijking van het doel dat met de verordening wordt beoogd. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat een verordening aan het bestuur van de KNB de bevoegdheid toe kan kennen tot het geven van nadere regels betreffende het in de verordening behandelde onderwerp.

3.2 Op grond van artikel 14 van de Verordening moet de notaris voldoende verzekerd zijn tegen vermogensschaden als gevolg van aansprakelijkheid, ongeacht uit welke hoofde deze aansprakelijkheid kan ontstaan.

Op grond van artikel 33 van de Verordening kan het bestuur van de KNB nadere regels stellen met betrekking tot de in de Verordening behandelde onderwerpen.

3.3 Het bestuur heeft het Reglement vastgesteld. In artikel 2 van het Reglement worden eisen gesteld waaraan de door de notarissen zelf af te sluiten beroepsaansprakelijkheids-verzekering met een dekking tot één miljoen euro dient te voldoen. Op grond van artikel 3 van het Reglement is de notaris voldoende verzekerd voor de risico's die vallen onder de door het bestuur van de KNB ten behoeve van alle leden gesloten collectieve verzekering, indien ook het door de notaris zelf te verzekeren primaire deel gedekt is via een bij een te goeder naam en faam bekende staande verzekeringsmaatschappij afgesloten polis die voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit reglement.

Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank stelt om te beginnen vast dat uit de stukken niet blijkt dat [A] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit betreffende de factuur met betrekking tot de jaarlijkse heffing over 2007/2008. Voorts blijkt niet uit de stukken dat [C] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit betreffende de factuur van de jaarlijkse heffing over 2009/2010. Verweerder heeft in de aanhef van de beslissingen op bezwaar in de zaken van [A] en [C] dan ook ten onrechte vermeld dat deze beslissing eveneens betrekking heeft op bezwaren van hen gericht tegen die facturen.

4.2 De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [B] en [D] dat het reglement van de bezwaarschriftencommissie niet rechtsgeldig is vastgesteld. Zij overweegt daartoe dat verweerder het bevoegde orgaan is om op de bezwaren te beslissen. Het instellen van een bezwaarschriftencommissie en het vaststellen van het reglement voor die commissie zijn derhalve eveneens bevoegdheden van verweerder.

4.3 Ter beoordeling van de rechtbank staat de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de kosten van de door hem ten behoeve van zijn leden afgesloten excedentverzekering door middel van het heffen van de jaarlijkse bijdrage(n) aan eisers in rekening heeft gebracht. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.4 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit de in artikel 61 van de Wna aan de KNB opgedragen taken voortvloeit dat de KNB dient te bevorderen dat haar leden een adequate voorziening hebben voor het risico van beroepsfouten. Dit impliceert echter niet dat het door verweerder ten behoeve van haar leden afsluiten van de excedentverzekering een taak betreft die uit de Wna voortvloeit. Naar het oordeel van de rechtbank is een verplichte deelname aan de excedentverzekering niet neergelegd in de Wna, de Verordening of het Reglement. Artikel 14 van de Verordening bepaalt dat de notaris voldoende verzekerd dient te zijn tegen aansprakelijkheid. Artikel 2 van het Reglement stelt eisen aan de door de notarissen af te sluiten verzekering en artikel 3 van het Reglement bepaalt dat de notaris voldoende verzekerd is voor risico's die vallen onder de excedentverzekering wanneer hij zelf een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten die voldoet aan de vereisten uit artikel 2 van het Reglement. In het Reglement wordt weliswaar verwezen naar de excedentverzekering, maar het bevat geen bepaling waaruit blijkt dat een notaris verplicht deel dient te nemen aan de door de KNB afgesloten excedentverzekering teneinde voldoende verzekerd te zijn. Evenmin blijkt uit de Wna, de Verordening of het Reglement dat notarissen (pas) voldoende verzekerd zijn tegen aansprakelijkheid indien de dekking van de afgesloten verzekering minimaal vijfentwintig miljoen euro bedraagt; dit bedrag wordt alleen in de toelichting op het Reglement genoemd.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de kosten van de excedentverzekering niet zijn aan te merken als kosten van de KNB die voortvloeien uit de haar bij wet opgedragen taken. Deze kosten kunnen derhalve niet op grond van de jaarlijkse heffing zoals bedoeld in artikel 87 van de Wna door verweerder op eisers worden verhaald.

4.5 De rechtbank is bovendien van oordeel dat verweerder in verband met artikel 89, tweede lid, van de Wna niet bevoegd is om eisers te verplichten deel te nemen aan de excedentverzekering. Notarissen kunnen zich immers elk afzonderlijk verzekeren tegen aansprakelijkheid door beroepsfouten. Dat de kosten per notaris dan wellicht hoger zijn doet daar niet aan af. Verweerders bevoegdheid op dit punt is beperkt tot het in redelijkheid stellen van eisen waaraan een door haar leden af te sluiten aansprakelijkheidsverzekering dient te voldoen, zoals het bepalen van een minimum dekkingsbedrag. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder, mede gelet op hetgeen eisers daaromtrent hebben aangevoerd, in de onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor een goede beroepsuitoefening redelijkerwijze noodzakelijk is dat de minimale dekking voor aansprakelijkheid wegens beroepsfouten voor iedere notaris op vijfentwintig miljoen euro gesteld zou moeten worden.

4.6 De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat de beroepen van eisers gegrond dienen te worden verklaard en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. De rechtbank zal voorts zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten waartegen eisers bezwaar hebben gemaakt te herroepen zoals nader bepaald in het dictum. De rechtbank overweegt daarbij dat het slechts mogelijk is per eiser die primaire besluiten te herroepen waarop de beslissingen op bezwaar in de onderhavige procedure betrekking hebben. Voor zover eisers de rechtbank hebben verzocht alle besluiten met betrekking tot het in rekening brengen van de kosten van de excedentverzekering vanaf 1999 te herroepen wijst de rechtbank dat verzoek dan ook af.

Proceskosten

5.1 Eisers hebben in beroep allemaal verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.

5.2 Ingevolge artikel 8:75 van de Awb, voor zover thans van belang, worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het BPB) zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

5.3 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, c en d, van het BPB kan een vergoeding van de kosten betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, reis- en verblijfkosten en verletkosten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het BPB wordt bij de beslissing op beroep ten aanzien van de kosten, bedoeld in voormeld artikel 1, aanhef en onder a, het bedrag van de kosten overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief vastgesteld.

Ingevolge de bijlage wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het BPB vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig een lijst en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en met de toepasselijke wegingsfactoren. De in de bijlage genoemde wegingsfactoren variëren van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar).

5.4 De rechtbank zal de verzoeken tot proceskostenveroordeling van [B] en [E] afwijzen nu niet is gebleken dat zij kosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

5.5 Voor [A], [C] en [D] zal de rechtbank een vergoeding toekennen voor de reiskosten ten behoeve van het bijwonen van de zitting. Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig het Besluit tarieven in strafzaken. Op basis daarvan worden de kosten vergoed conform een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. De vergoeding voor de reiskosten bedraagt derhalve voor [A]

€ 4,70, voor [C] € 48,70 en voor [D] € 45,00 (de reiskosten per openbaar vervoer).

5.6 [A] heeft voorts kosten voor door een derde beroepsmatig verleende bijstand gemaakt. Hij heeft verzocht bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding ter zake daarvan het gewicht van de zaak te bepalen op zeer zwaar. De rechtbank overweegt daaromtrent dat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak in beroep in beginsel valt onder de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijk redenen zijn om hiervan af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] onvoldoende onderbouwd dat er aanleiding is om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank zal de proceskosten van [A] terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast stellen op

€ 874,00 (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt

€ 437,00).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept in de zaak van [A] de primaire besluiten van 9 oktober 2008, 15 oktober 2009 en 13 oktober 2010, voor zover deze betrekking hebben op de excedentverzekering;

- herroept in de zaken van [E] en [B] de primaire besluiten van 15 oktober 2009 en 13 oktober 2010, voor zover deze betrekking hebben op de excedentverzekering;

- herroept in de zaken van [C] en [D] de primaire besluiten van 13 oktober 2010, voor zover deze betrekking hebben op de excedentverzekering;

- bepaalt dat verweerder het door eisers gestorte griffierecht ter hoogte van in totaal € 760,00 (€ 152,00 per eiser) aan hen dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten die [A], [C] en [D] in verband met de behandeling van hun beroep hebben moeten maken tot bedragen van respectievelijk € 878,70, € 48,70 en € 45,00.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en A. Schwartz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Jepkema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

w.g. E.R. Jepkema

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.