Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU4418

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
17/880036-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het om de vraag of er voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum, zoals omschreven in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. De regel van het bewijsminimum houdt in dat er -naast het hoofdbewijsmiddel- nog minimaal één ander bewijsmiddel aanwezig moet zijn dat voldoende steun geeft aan dit hoofdbewijsmiddel.

Verdachte wordt, bij gebrek aan wettig bewijs, vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 342, geldigheid: 2011-11-10
Wetboek van Strafvordering 361, geldigheid: 2011-11-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880036-11

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 november 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 27 oktober 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2000 tot en met de maand november 2003

te of bij Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, in elk geval in het arrondissement Leeuwarden, meermalen, althans éénmaal,

met [naam], die (toen telkens) de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [naam], geduwd/gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2000 tot en met 1 augustus 2001, te of bij Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, in elk geval in het arrondissement Leeuwarden, meermalen, althans éénmaal, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum], immers heeft hij, verdachte, (meermalen, althans éénmaal) de borst(en) van die [naam] betast en/of aangeraakt en/of heeft hij, verdachte, die [naam] (meermalen, althans éénmaal) gezoend en/of getongzoend;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2001 tot en met 9 oktober 2004, te of bij Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, in elk geval in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) met die [naam], geboren op [geboortedatum], die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) betasten van de borst(en) van die [naam] en/of het (telkens) zoenen en/of tongzoenen met die [naam].

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder aftrek van voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.700,00.

Beoordeling van het bewijs

In deze zaak gaat het om de vraag of er voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum, zoals omschreven in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. De regel van het bewijsminimum houdt in dat er -naast het hoofdbewijsmiddel- nog minimaal één ander bewijsmiddel aanwezig moet zijn dat voldoende steun geeft aan dit hoofdbewijsmiddel.

De Hoge Raad heeft inmiddels meermalen aangegeven dat er geen algemene regels gegeven kunnen worden om de grens te bepalen tussen het wel of niet voldoende steun geven; dit hangt af van het concrete geval. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak alle verklaringen beoordeeld en ziet wel elementen die steun geven aan de aangifte. De rechtbank acht deze steun echter onvoldoende om te komen tot het oordeel dat voldaan is aan het door de wet vereiste bewijsminimum. Verdachte zal dan ook, bij gebrek aan wettig bewijs, van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

[naam] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde, moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van het bepaalde in artikel 361, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafvordering.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. en onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam] niet ontvankelijk is in de vordering.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. de Vries, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 november 2011.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g. De Vries VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Baluah de griffier van de rechtbank

Sikkema te Leeuwarden,