Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU4091

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/814
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY8719, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig onredelijk laat ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2795
FutD 2011-2830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 11/814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde eiseres],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren Zwolle/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag (aanslagnummer [nummer].001) recht van successie opgelegd, met dagtekening 17 november 2005.

Eiseres heeft bij brief van 1 april 2011, ontvangen bij de rechtbank op 4 april 2011, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011 te Leeuwarden.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Met instemming van partijen zijn de procedures met nummers 11/814 tot en met 11/817 ter zitting tegelijkertijd behandeld.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Op [datum] 2002 is [erflater] overleden.

1.2 De erfgenamen van [erflater] zijn eiseres, die met hem gehuwd was en zijn drie zonen: [X], [Y] en [Z].

1.3 [erflater] dreef tot zijn overlijden in de vorm van een maatschap ondernemingen op agrarisch gebied, welke ondernemingen na zijn overlijden zijn voortgezet door zijn echtgenote en zijn drie zoons.

1.4 Eiseres heeft op 29 augustus 2003 een aangifte voor het recht van successie ingediend bij verweerder.

1.5 Op 16 september 2003 wordt door eiseres per fax een verbeterde aangifte voor het recht van successie ingediend bij verweerder.

1.6 Per fax van 17 september 2003 informeert eiseres verweerder als volgt:

"Naar aanleiding van uw telefonische opmerkingen van 16 september 2003 willen wij u het navolgende meedelen.

1. Omvang belastingschuld/belastinglatentie

Op het verkochte deel van de landerijen kan de landbouwvrijstelling geen toepassing vinden, aangezien deze landerijen zijn verkocht aan de gemeente en zij een bestemmingswijziging ondergaan. De verkoop heeft op [datum] 2000 plaatsgevonden, de landerijen zijn juridisch pas na de overlijdensdatum geleverd. Derhalve zal er voor de inkomstenbelasting over deze meerwaarde belasting te worden betaald naar het progressieve tarief. Wij menen dan ook dat de hierop rustende belastingclaim (52% van € 1.281.246,- zijnde € 1.608.349,- minus € 327.103,-) zijnde € 666.247,- in mindering dient te worden gebracht op het totaal

van de bezittingen.

2. Toerekening belastinglatentie

Met betrekking tot de latentie is het juist dat deze dient te worden berekend over de meerwaarde in de gebouwen en in het melkquotum, derhalve over een waarde van € 990.650,-. Wij zijn van mening dat deze latentie dient te worden toegerekend aan de bloot-eigenaren aangezien zij bij eventuele verkoop ook de belastingclaim dienen te voldoen.

Resumerend

Tabel 1

3. Kwijtschelding

Voor de goede orde merken wij hierbij op dat ten aanzien van de verkrijging van het ondernemingsvermogen een beroep zal worden gedaan op artikel 35b j° 35c Successiewet.

Gaarne overleg op welke wijze deze verzoeken plaats dienen te vinden.

4. Voortgang

Wij zijn ons er van bewust dat de gang van zaken met betrekking tot de ingediende aangifte successierecht niet is geweest zoals deze behoort te zijn. Hiervoor onze excuses.".

1.7 Met dagtekening 17 november 2005 is aan [accountantskantoor] eiseres' onder het procesverloop vermelde aanslag recht van successie met dagtekening 17 november 2005 gezonden. Het accountantskantoor heeft de geleidebrief bij de aanslag van een stempel voorzien voor ontvangst met als datum 24 november 2005. In de bijlage bij de aanslag staat geschreven:"Aanslag opgelegd conform de ingediende verbeterde aangifte per fax 16-9-2003 en aanvulling van 17-9-2003. Aanslag diende thans te worden opgelegd ter behoud van rechten. In overleg met [A] is thans geen rekening gehouden met faciliteiten aangaande bedrijfsopvolging.".

1.8 [A] van [accountantskantoor] heeft verweerder per brief van 4 januari 2006 het volgende geschreven:

"Onderwerp

uitstel van betaling aanslagen recht van successie

Geachte heer, mevrouw,

Namens onderstaande belanghebbenden:

-[eiseres], wonende [adres];

-[X], wonende [adres];

-[Y], wonende [adres];

-[Z], wonende [adres]

Verzoeken wij u uitstel van betaling te verlenen voor de navolgende aanslagen recht van successie:

[nummer].001, [nummer].002, [nummer].003 en [nummer].004, aanslagdatum 17 november 2005 voor respectievelijke de bedragen € 3.356, € 34.731, € 34.731, € 34.731.

Voorts doen wij hierbij een beroep op de faciliteit zoals deze is neergelegd in artikel 35c lid 1 en lid 2 Successiewet.

In afwachting van uw reactie, verblijven wij,".

1.9 Bij brief van 11 maart 2011 schrijft eiseres' gemachtigde aan verweerder onder meer:

"Waar ik thans graag met u in overleg treed is - kort gezegd - allereerst de kwestie met betrekking tot het ingediende bezwaar van 4 januari 2006, en daarnaast de reden waarom u van oordeel bent dat het verzoek om toepassing van de bor te laat is ingediend en waarom u van oordeel bent dat ambtshalve vermindering van de aanslagen (dan wel omzetting daarvan in conserverende aanslagen), niet mogelijk was.".

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vragen of eiseres met haar onder 1.8 vermelde brief van 4 januari 2006 een bezwaarschrift heeft ingediend en of eiseres' beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit tijdig is ingediend.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vragen bevestigend en verweerder ontkennend.

2.3 Eiseres voert daartoe - kort gezegd - aan dat uit correspondentie, die voorafgaat aan de onderhavige aanslag recht van successie, blijkt dat zij een beroep wilde doen op de bedrijfsopvolgingsregeling (bor). Gelet daarop kan de onder 1.8 vermelde brief van 4 januari 2006 niet anders worden gezien dan als een bezwaarschrift. Wat betreft het tijdsverloop tussen de indiening van het bezwaarschrift en het beroepschrift verwijst eiseres naar langdurig overleg met verweerder, een klachtenprocedure bij verweerder en een procedure bij de Nationale Ombudsman, waardoor eiseres eerst in 2011 het onder het procesverloop vermelde beroepschrift heeft ingediend. Eiseres concludeert tot een gegrond beroep en verzoekt de rechtbank verweerder te gelasten op korte termijn uitspraak te doen op het bezwaar.

2.4 Verweerder voert ter onderbouwing van zijn standpunt - kort gezegd - aan dat de onder 1.8 vermelde brief geen bezwaarschrift is en dat eiseres ook overigens geen bezwaarschrift heeft ingediend. Wat betreft de tijdigheid van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is verweerder van mening dat eiseres, gelet op het tijdsverloop niet voortvarend gebruik heeft gemaakt van haar rechtsmiddelen. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.

2.5 Ter zitting heeft eiseres uitdrukkelijk verklaard dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen de schriftelijke weigering van verweerder om een besluit te nemen, in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, Awb.

2.6 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, niet aan een termijn gebonden. Ingevolge het vierde lid van voormeld wetsartikel is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

3.2 Uit de wetsgeschiedenis van het hiervoor vermelde artikel blijkt voorts:

'De term 'onredelijk laat' beoogt te voorkomen dat een bezwaar of beroep nog ontvankelijk is nadat de belanghebbende zolang heeft stilgezeten dat eenieder erop mocht vertrouwen dat hij van beroep zou afzien. Zonder deze bepaling zou de termijn voor bezwaar en beroep tegen het niet beslissen op een aanvraag geen einde nemen. Wanneer gezegd kan worden dat het bezwaar of beroep onredelijk laat is, zal van de omstandigheden afhangen. Het zal echter niet vlug worden aangenomen: men kan de belanghebbende in het algemeen niet verwijten dat hij stilzit omdat hij erop vertrouwt dat het bestuur nog wel zal voldoen aan zijn verplichting een besluit te nemen.

Het vorenstaande geldt uiteraard ook voor de fiscale procedures. Nu de termijn waarbinnen op een bezwaarschrift in belastingzaken moet worden beslist op 12 maanden is gesteld, zal men het beroep van de belastingplichtige niet onredelijk laat oordelen indien hij nog geruime tijd daarna op een beslissing van het bestuur blijft wachten.' (MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, punt 2.173)

3.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat zij degene was die tegen het einde van 2010, voor het eerst heeft geconstateerd dat eiseres reeds een bezwaarschrift had ingediend, waarop verweerder nog geen beslissing had genomen. Tevens heeft zij verklaard dat ook de opsteller van de brief van 4 januari 2006 ([A]) zich tijdens het overleg met verweerder over de onderliggende kwestie in 2007, niet heeft gerealiseerd dat hij een bezwaarschrift heeft ingediend.

3.4 Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er bij eiseres, dan wel haar professionele gemachtigde(n), tot omstreeks eind 2010 niet de bewustheid aanwezig was dat er sprake was van een ingediend bezwaarschrift, zodat, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin gesproken kan worden van 'wachten' op de uitspraak op dat vermeende bezwaarschrift of 'vertrouwen' op de komst daarvan. De rechtbank is dan ook voorts van oordeel dat eiseres' argumenten waarom zij niet eerder een beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar heeft ingediend, niet valide zijn, omdat van enige bewustheid waarom wel of geen beroep is ingediend, geen sprake kan zijn. De rechtbank is veeleer van oordeel dat het overleg met verweerder, een klachtenprocedure en de procedure bij de Nationale Ombudsman wijzen op pogingen van eiseres om een ambtshalve vermindering van een aanslag te verkrijgen, waartegen zij geen formele rechtsingang (meer) open zag staan.

3.5 Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat eiseres tussen de indiening van het vermeende bezwaarschrift en diens beroepschrift van 1 april 2011, voorafgegaan door de onder 1.9 vermelde brief van 11 maart 2011, met betrekking tot dat vermeende bezwaarschrift dermate lang uitsluitend heeft stilgezeten, dat eenieder er op mocht vertrouwen dat zij van beroep zou afzien. Dit komt, naar het oordeel van de rechtbank, voor eiseres' rekening. Immers als bij eiseres al de bewustheid ontbrak dat er een bezwaarschrift was ingediend, hoe zou dan verweerder, bij gemotiveerde betwisting dat er sprake is van een bezwaarschrift, verweten kunnen worden, dat hij geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Ook eiseres' grief dat ook verweerder lang gewacht zou hebben met het opleggen van een aanslag kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres' beroep in de zin van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, onredelijk laat is ingediend en derhalve niet-ontvankelijk is.

3.6 Nu de rechtbank reeds op deze gronden tot het oordeel komt dat het beroep niet-ontvankelijk is, komt zij niet toe aan de behandeling van de vraag of eiseres bij brief van 4 januari 2006 daadwerkelijk een bezwaarschrift heeft ingediend.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2011.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.