Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU3461

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/512
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Persoongebonden budget (PGB). Aftrek vanwege substantiële bovengebruikelijke zorg (de 'eigen risico-regel'). Beleidsregel verdraagt zich niet met wettelijke bepalingen en in het bijzonder niet met artikel 6, tweede lid, van de AWBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/512

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam eiseres], wettelijk vertegenwoordiger: [naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres, hierna [X],

gemachtigde: C.C. Dol, werkzaam bij Belangenbehartiger.nl te Utrecht,

en

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ),

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Veenendaal, werkzaam bij verweerder,

Procesverloop

Bij brief van 10 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder [X] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de indicatie voor diverse vormen van zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (ABWZ). Tegen dit besluit is namens [X] beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 29 september 2011. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Motivering

Feiten

1.1 [X] is geboren op [geboortedatum]. Als gevolg van een verstandelijke handicap en een somatische aandoening ondervindt zij stoornissen in oriëntatie, psychosociale functies, motorisch functioneren, gedrag en psychosociaal welbevinden. De ouders van [X] zijn gescheiden. Er is sprake van co-ouderschap. [X] woont met haar broer, die een aandachttekortstoornis heeft, bij haar moeder, die is gediagnosticeerd met ADD, waarvoor een AWBZ-indicatie is afgegeven. [X] volgt regulier onderwijs en heeft daarvoor een zogenaamd 'rugzakje' cluster 3. [X] maakt gebruik van reguliere buitenschoolse opvang (BSO).

1.2 Op 12 maart 2010 is namens [X] bij verweerder een indicatie aangevraagd op grond van de AWBZ. De volgende aanvraag is gedaan.

- Persoonlijke verzorging, klasse 4 (7 uur per week) voor de duur van drie jaar.

- Verpleging, klasse 1 (1,5 uur per week) voor de duur van drie jaar.

- Begeleiding individueel, klasse 3 (6 uur per week) voor de duur van drie jaar.

- Begeleiding groep en vervoer, klasse 3 (3 dagdelen) voor de duur van drie jaar.

- Verblijf tijdelijk, klasse 1 (1 etmaal) voor de duur van drie jaar.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2010 is [X] geïndiceerd voor:

- Persoonlijke verzorging, klasse 2 (1 - 1,9 uur per week) voor de duur van twee jaar.

- Verpleging, klasse 1 (1 - 1,9 uur per week) tot 31 maart 2011.

- Begeleiding individueel, klasse 1 (0 - 1,9 uur per week) voor de duur van twee jaar.

- Begeleiding groep en vervoer: afgewezen.

- Verblijf tijdelijk, klasse 1 (1 etmaal) voor de duur van twee jaar.

Te verlenen in de vorm van een Persoonsgebonden budget (PGB).

1.4 Het tegen dit besluit gerichte bezwaar, ingediend namens [X], is bij het bestreden besluit door verweerder ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een medisch advies, alsmede op gesprekken met de groepsleerkracht en de onderwijsassistente.

Wettelijk kader

2.1 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AWBZ hebben verzekerden aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekte en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat worden geregeld en voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraken kunnen worden gesteld. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is vastgelegd in het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

2.2 Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. Verweerder is aangewezen als bedoeld orgaan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de samenstelling en de werkwijze van het indicatieorgaan, alsmede over de geldigheidsduur van besluiten als bedoeld in het eerste lid. Deze regels zijn vastgelegd in het Zorgindicatiebesluit.

2.3 Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien er gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

2.4 In artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) is vermeld op welke vormen van zorg de verzekerde aanspraak heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de aanspraak op zorg slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bij ministeriële regeling nader worden geregeld en afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden. Bedoelde ministeriële regeling is vastgelegd in de Regeling Zorgaanspraken AWBZ.

2.5 Ingevolge artikel 4 van het Bza omvat 'persoonlijke verzorging' het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid, te verlenen door een instelling.

2.6 Ingevolge artikel 5 van het Bza omvat 'verpleging' verpleging in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap, gericht op herstel of voorkoming van verergering van de aandoening, beperking of handicap, te verlenen door een instelling.

2.7 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Bza omvat 'begeleiding' begeleiding door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van: de sociale redzaamheid (onder a), het bewegen en verplaatsen (onder b), het psychisch functioneren (onder c), het geheugen en de oriëntatie (onder d), of die matig of zwaar probleemgedrag vertonen (onder e). Op grond van het tweede lid zijn de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde. Op grond van het derde lid bestaan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, uit: het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen (onder a), het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie (onder b), of het overnemen van toezicht op de verzekerde (onder c).

2.8 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Bza omvat 'verblijf' verblijf in een instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht. Op grond van het tweede lid bestaat op verblijf slechts aanspraak indien de verzekerde meer dan drie etmalen per week daarop is aangewezen.

2.9 Ingevolge artikel 10 van het Bza omvat de zorg, indien de verzekerde zorg als bedoeld in artikel 6 of 8 gedurende een dagdeel in een instelling ontvangt, tevens vervoer naar en van de instelling indien daarvoor een medische noodzaak bestaat.

2.10 Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit worden als vormen van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ aangewezen de vormen van zorg, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6, 8, 9, eerste en tweede lid, 9a, 10, en 13, tweede lid, van het Bza, met uitzondering van: de zorg, bedoeld in artikel 5 van het besluit, voor zover het betreft advies, instructie en voorlichting door een aan de instelling verbonden gespecialiseerde verpleegkundige ten behoeve van een niet in de instelling verblijvende verzekerde (onder a), de zorg, bedoeld in artikel 8 van het besluit, voor zover het betreft consultatie van een aan de instelling verbonden verpleeghuisarts of arts voor verstandelijk gehandicapten ten behoeve van een niet in de instelling verblijvende verzekerde (onder b) en forensische zorg als bedoeld in artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg (onder c).

2.11 Ingevolge artikel 6 van het Zorgindicatiebesluit wordt voor zover dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is onderzoek verricht naar:

a. de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager;

b. de beperkingen die de zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem;

c. de woning en de woonomgeving van de zorgvrager;

d. het psychisch en sociaal functioneren van de zorgvrager;

e. de sociale omstandigheden van de zorgvrager;

f. de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan.

g. welk cliëntprofiel het beste bij de zorgvrager past.

2.12 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit wordt bij het onderzoek zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gegevens die bij de aanvraag zijn gevoegd of tijdens het onderzoek ter beschikking zijn gesteld. Op grond van het tweede lid worden, indien daartoe aanleiding bestaat, de behandelende beroepsbeoefenaren van de zorgvrager tijdens het onderzoek geraadpleegd (onder b). Op grond van het derde lid geschiedt het gebruik maken van gegevens als bedoeld in het eerste lid en het raadplegen van behandelende beroepsbeoefenaren als bedoeld in het tweede lid slechts met toestemming van de zorgvrager.

2.13 Ingevolge artikel 8 van het Zorgindicatiebesluit wordt het onderzoek verricht door personen dan wel organisaties die over voldoende deskundigheid beschikken om de aanvraag om een indicatiebesluit te kunnen beoordelen.

2.14 Ingevolge artikel 11 van het Zorgindicatiebesluit kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), beleidsregels stellen over de wijze waarop het indicatieorgaan zijn activiteiten uitvoert. Deze beleidsregels zijn neergelegd in het Besluit Beleidsregels indicatiestelling AWBZ (de Beleidsregels), per 1 april 2007 vastgesteld en voor het laatst gewijzigd per 1 januari 2011.

2.15 Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit stelt het indicatieorgaan binnen zes weken nadat de aanvraag is ingediend een indicatiebesluit vast. Op grond van het tweede lid stelt het indicatieorgaan in situaties waarin spoedige verlening van zorg redelijkerwijs noodzakelijk is, in afwijking van het eerste lid, binnen twee weken nadat de aanvraag is ingediend, een indicatiebesluit vast.

2.16 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit worden, indien een zorgvrager is aangewezen op een vorm van zorg of vormen van zorg als bedoeld in artikel 2, in het indicatiebesluit aangegeven:

a. de vorm van zorg of vormen van zorg waarop de zorgvrager is aangewezen,

b. de aandoening, beperking of handicap als gevolg waarvan de zorgvrager op de vorm van zorg of vormen van zorg is aangewezen, en

c. de hoeveelheid zorg in tijd per zorgvorm.

Op grond van het tweede lid worden, indien een zorgvrager is aangewezen op verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, of voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het besluit, in afwijking van het eerste lid, in het indicatiebesluit aangegeven:

a. het verblijf of voortgezet verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg waarop de zorgvrager is aangewezen,

b. de aandoening, beperking of handicap als gevolg waarvan de zorgvrager op het verblijf of voortgezet verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg is aangewezen,

c. het bij de zorgvrager best passende cliëntprofiel, en

d. de omvang van de samenhangende zorg.

Op grond van het derde lid wordt in het indicatiebesluit aangegeven met ingang van welke datum de zorgvrager op de geïndiceerde vorm van zorg of vormen van zorg is aangewezen.

Op grond van het vierde lid geeft het indicatieorgaan, indien een indicatieorgaan van mening is dat andere professionele zorg dan de zorg, bedoeld in artikel 2, noodzakelijk, dan wel mede noodzakelijk is, daarover zo mogelijk advies.

2.17 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit wordt in het indicatiebesluit wordt de geldigheidsduur ervan vermeld. Op grond van het tweede lid kunnen bij ministeriële regeling regels over de geldigheidsduur van indicatiebesluiten worden gesteld.

2.18 Ingevolge artikel 16 kan een zorgverzekeraar in situaties waarin onmiddellijke verlening van zorg als bedoeld in artikel 2 redelijkerwijs noodzakelijk is, besluiten dat een verzekerde zijn aanspraak op zorg gedurende ten hoogste twee weken tot gelding kan brengen, zonder dat hij beschikt over een indicatiebesluit, waaruit blijkt dat hij op zodanige zorg is aangewezen.

Beoordeling van het geschil

3.1 In geschil is of verweerder het besluit tot het toekennen van zorg op grond van de AWBZ terecht heeft genomen.

Persoonlijke verzorging

3.2 De rechtbank stelt vast dat de functie 'Persoonlijke verzorging' als volgt is samengesteld: hulp bij toiletgang thuis: 172 minuten per week, hulp bij toiletgang op school: 95 minuten per week en hulp bij geheel/gedeeltelijk wassen: 140 minuten per week. Het stimuleren bij en het aanleren van kleden, hulp bij het eten en drinken en overname van haren kammen, tandenpoetsen, nagelverzorging en het geven van medicatie (met uitzondering van injecties) zijn door verweerder beoordeeld als gebruikelijke zorg. Alleen toiletgang en wassen zijn door verweerder beoordeeld als bovengebruikelijke zorg. Dit standpunt acht de rechtbank juist. Namens [X] is een minutentabel 'Persoonlijke verzorging' overgelegd. Hierin duurt bijvoorbeeld het wassen langer dan de norm die verweerder hanteert. De rechtbank oordeelt dat de normtijden die door verweerder worden gehanteerd niet onredelijk zijn. Er zijn namens [X] geen medisch objectiveerbare redenen aangevoerd waaruit zou moeten volgen dat [X] langer dan gebruikelijk over activiteiten doet. Wanneer het langer doen over activiteiten voorkomt uit gedrag dan is opvoedingsondersteuning voorliggend op de AWBZ-zorg.

3.3 Vervolgens heeft voor de persoonlijke verzorging thuis zowel een aftrek als een bijtelling per zorgactiviteit plaatsgevonden. Volgens verweerder blijft 4 uur en 34 minuten over per week. Vervolgens is per etmaal een uur afgetrokken vanwege substantiële bovengebruikelijke zorg (de 'eigen risico-regel'). Ten aanzien van de 'eigen risico-regel' oordeelt de rechtbank dat de inhoud van deze beleidsregel zich niet verdraagt met wettelijke bepalingen en in het bijzonder niet met artikel 6, tweede lid, van de AWBZ. In dit artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat wordt geregeld. De rechtbank heeft in het Besluit zorgaanspraken AWBZ noch in de Regeling zorgaanspraken AWBZ aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de zorg, waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat, een deel daarvan voor rekening van [X] kan laten. Daarbij acht de rechtbank in het bijzonder van belang dat de 'eigen risico-regel' niet berust op een (medisch) deskundig oordeel, maar op beleidspolitieke overwegingen, zodat in redelijkheid niet gezegd kan worden dat met deze regel een nadere invulling wordt gegeven van de in het Besluit zorgaanspraken AWBZ nader omschreven normen van zorg. Het bestreden besluit komt op dit punt voor vernietiging in aanmerking.

Verpleging

3.4 In geschil is de duur van de zorg. Namens [X] is een indicatie voor drie jaar gevraagd omdat [X] nog zeker drie jaar in dezelfde leeftijdscategorie valt (leeftijdstabel 5 - 12 jaar) en voor de moeder van [X] iedere indicatiestelling stress geeft. Verweerder heeft aangetoond dat de minister van VWS heeft verboden indicatiebesluiten voor de functie 'Verpleging' af te geven met een geldigheidsduur, die is gelegen na 31 december 2011. De rechtbank acht de handelswijze van verweerder juist.

Begeleiding individueel

3.5 Uit het bestreden besluit komt naar voren dat de functie 'Begeleiding individueel' als volgt is samengesteld: hulp bij uitvoeren van taken of activiteiten, hulp bij het plannen, het stimuleren van contact met vriendjes en vriendinnetjes en hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving. Voor schoolweken geldt 40 weken x 225 minuten = 9000 minuten per jaar en in vakantieweken 12 weken x 7 dagen x 60 minuten = 5040 minuten per jaar. Verweerder heeft vastgesteld dat er bij [X] geen sprake is van bovengebruikelijk toezicht. Namens [X] is naar voren gebracht dat de moeder van [X] overbelast is door het continu moeten houden van toezicht en het niet mee willen werken van [X]. De rechtbank heeft geconstateerd dat de namens [X] gestelde overbelasting van de moeder is onderzocht door verweerder. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de overbelasting voorkomt uit keuzes die de moeder maakt. Zij levert bijvoorbeeld de geïndiceerde AWBZ-zorg zelf en werkt daarnaast vier dagen, volgt een studie en heeft naast [X] nog een kind met een aandachttekortstoornis, terwijl zij zelf ADD heeft, waarvoor zij een AWBZ-indicatie heeft gehad. Bovendien is er sprake van co-ouderschap. De kinderen verblijven om de week bij hun vader. Ook de vader heeft een zorgplicht en verantwoordelijkheden. Verweerder stelt dat de moeder de geïndiceerde zorg (Persoonlijke verzorging en Begeleiding) eerst door derden moet laten verzorgen en als er dan nog sprake is van overbelasting eventueel respijtzorg kan worden geïndiceerd. Dit standpunt acht de rechtbank niet onredelijk. Het houden van toezicht op een kind van vijf - zes jaar behoort tot gebruikelijke zorg. Ook voor kinderen die geen beperkingen hebben, geldt dat zij niet altijd meewerken en dat hun ouders hun pedagogische kwaliteiten regelmatig moeten inzetten. Bij verdergaande gedragsproblemen van [X] kan verzocht worden om opvoedingsondersteuning. Gelet op artikel 2, derde lid, van het Bza kan hiervoor echter geen beroep worden gedaan op de AWBZ.

3.6 De rechtbank stelt vast dat van de functie 'Begeleiding individueel' het restant 'eigen risico-regel' is afgetrokken. Gelet op hetgeen reeds is opgemerkt onder rechtsoverweging 3.3 komt het bestreden besluit ook op dit punt voor vernietiging in aanmerking.

Begeleiding groep en vervoer

3.7 Uit de hulpvraag, gedaan namens [X], komt naar voren dat het vooral gaat om individuele begeleiding op school en na school (gespecialiseerde naschoolse opvang) en de begeleiding die noodzakelijk is gedurende het tijdelijke verblijf. Verweerder bestrijdt dat er een indicatie voor begeleiding op school moet worden afgegeven. Uit het gesprek met de groepsleerkracht blijkt dat er soms sprake is van probleemgedrag, maar niet dagelijks en dat de onderwijsassistent hiervoor dagelijks begeleiding geeft. Verder gaat [X] met een 'rugzak' naar het regulier onderwijs. Dit houdt in dat leerkrachten tussen de middag, in de pauze, verantwoordelijk zijn voor het toezicht tijdens het eten. Verder zijn de ouders zelf verantwoordelijk voor passende opvang tijdens de middagpauze en na school. Daardoor kan [X] geen aanspraak maken op de functie 'Begeleiding individueel' op school. Verder geldt ook binnen het onderwijs en de school gebruikelijke zorg. Hiermee wordt gedoeld op gangbare en normale dagelijkse zorg, zoals die ook geldt voor gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel. Dit standpunt van verweerder acht de rechtbank juist. De ouders van [X] zijn verantwoordelijk voor passende opvang op en na school. Hiervoor kan geen beroep worden gedaan op de AWBZ.

3.8 Ten aanzien van de geldigheidsduur is in het bestreden besluit door verweerder gemotiveerd dat de indicatie voor de functie 'Begeleiding' voor vijf jaar moet worden afgegeven. Er is echter maar voor twee jaar toegekend. Ook om deze reden zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.

Verblijf tijdelijk

3.9 De geldigheidsduur is in het geding. Voor het standpunt namens [X] ten aanzien van de duur van de indicatie wordt verwezen naar rechtsoverweging 3.4. Verweerder vindt bij nader inzien dat deze functie niet toegekend had moeten worden, maar heeft in het bestreden besluit erkend dat dit, vanwege reformatio in peius, niet meer teruggedraaid kan worden. Er is geen sprake van bovengebruikelijk toezicht op basis waarvan de functie 'Verblijf tijdelijk' geïndiceerd zou kunnen worden. Bovendien is er sprake van co-ouderschap. De kinderen verblijven om de week bij hun vader. Dit standpunt van verweerder acht de rechtbank niet onredelijk. Omdat er geen sprake is van bovengebruikelijk toezicht en de moeder van [X] zich (over)belast voelt vanwege haar eigen keuzes dient de geldigheidsduur niet verlengd te worden.

Conclusie

3.9 Gelet op rechtsoverwegingen 3.4, 3.6 en 3.9 komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep, ingediend namens [X], gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskosten

Met toepassing van artikel 8:75 in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [X] € 1.310,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (bezwaarschrift één punt, verschijnen ter hoorzitting één punt, beroepschrift één punt, verschijnen ter zitting één punt, gewicht van de zaak: gemiddeld; vermenigvuldigen met factor 1; waarde per punt respectievelijk € 218,- in bezwaar en € 437,- in beroep).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van [X] ten bedrage van € 1.310,-;

- gelast dat verweerder het namens [X] betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr.dr. A. Schwartz, rechter, in tegenwoordigheid van K.M. van Leeuwen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.

w.g. A. Schwartz

de griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.