Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU3448

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/1352
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX5973, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Finale geschillenbeslechting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1352

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te Kollumerzwaag,

eiseres (hierna: [X]),

gemachtigden: T.A.P. Langhout, werkzaam bij Langhout & Wiarda Juristen Rentmeesters te Oranjewoud, en E.F. Broersma,

en

de raad van de gemeente Kollumerland c.a.,

verweerder (hierna: de raad),

gemachtigde: mr. J. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden, en S. van der Heide, werkzaam bij de gemeente Kollumerland c.a.

Procesverloop

Bij brief van 8 juni 2010 heeft de raad [X] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de afwijzing van haar verzoek om vergoeding van planschade (hierna: het bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft [X] beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 28 juli 2011, waarbij partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Motivering

Feiten

1.1 Voor de voorgeschiedenis, de relevante feiten en omstandigheden en de relevante wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de tussen partijen gewezen uitspraken van 6 januari 2009 (AWB 08/697) van de rechtbank Leeuwarden en 4 november 2009 (200901254/1/H2) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BK1976. In deze uitspraak heeft de AbRS tot uitdrukking gebracht dat de raad, met overneming van de adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), bij de beoordeling van het planschadeverzoek heeft miskend dat de achtereenvolgende planologische mutaties hebben geleid tot een toename van de gebruikersintensiteit. Ter uitvoering van laatstgenoemde uitspraak, heeft de raad het bestreden besluit genomen.

1.2 Ter voorbereiding van het bestreden besluit heeft de raad de SAOZ opnieuw om advies gevraagd, met inachtneming van de AbRS-uitspraak van 4 november 2009. Op 21 mei 2010 heeft de SAOZ advies aan de raad uitgebracht. Op basis van dit advies (met nummer 3034890) heeft de raad bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om vergoeding van planschade gehandhaafd.

Geschil

2.1 Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de achtereenvolgende planologische mutaties steeds hebben geleid tot een uitbreiding van de bouwmogelijkheden en daardoor tot een toename van de gebruikersintensiteit ter plaatse. De raad blijft echter van opvatting dat een planschadevergoeding niet op zijn plaats is, omdat de achtereenvolgende planologische mutaties, per afzonderlijke mutatie beoordeeld, niet hebben geleid tot een voor [X] nadeliger planologische situatie waaruit een waardevermindering van haar onroerende zaak is voortgevloeid. Hierbij heeft de raad de tussenliggende bebouwingsmogelijkheden, de grote onderlinge afstand, de drukke tussenliggende weg, het bij één mutatie (mutatie 3; de partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied") ook ontstaan van enig voordeel, alsmede de ligging en de aard van het bedrijfsobject van [X] betrokken. [X] acht een planschadevergoeding in verband met de toegenomen gebruikersintensiteit wel op zijn plaats. Ter zitting is namens [X] een vergoeding van bijna € 24.000 bepleit, met een verwijzing naar het deskundigenrapport van 6 juli 2007 van haar gemachtigde T.A.P. Langhout.

Beoordeling

3.1 Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, onder meer de uitspraak van 6 augustus 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BD9434, is de SAOZ te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Voor de raad bestond dus geen aanleiding om naar aanleiding van de AbRS-uitspraak van 4 november 2009 een andere deskundige instantie op het terrein van planschade in te schakelen. Het stond de raad vrij om opnieuw de SAOZ te raadplegen. Dat de AbRS in zijn uitspraak van 4 november 2009 heeft gewezen op een aantal onvolkomenheden in de SAOZ-adviezen (september 2006, juli 2007 en november 2007) die ten grondslag liggen aan het door de AbRS vernietigde besluit op bezwaar van 24 januari 2008, maakt niet dat de raad de SAOZ niet opnieuw voor advies mocht inschakelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de SAOZ de door de AbRS aangestipte onvolkomenheden in het aan het thans bestreden besluit ten grondslag gelegde advies heeft gecorrigeerd.

3.2 Gelet op de AbRS-uitspraak van 4 november 2009 dient naar het oordeel van de rechtbank thans beoordeeld te worden in hoeverre de achtereenvolgende planologische mutaties hebben geleid tot (plan)schade aan de zijde van [X] als gevolg van een toename van de gebruikersintensiteit van het perceel aan de Foarwei 210 en zo ja, op welk bedrag de waardevermindering van de onroerende zaak van [X] gesteld moet worden.

3.3 De rechtbank oordeelt dat het besluit van 26 juni 1990 ten opzichte van het op 18 mei 1990 onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Buitengebied" niet heeft geleid tot een toename van de gebruikersintensiteit van het perceel aan de Foarwei 210. Het besluit van 26 juni 1990 maakte alleen de bouw van een bedrijfsgebouw mogelijk, dat onderdak biedt aan machines en andere apparatuur. Niet aannemelijk is dat de bouw van het bedrijfsgebouw heeft geleid tot een toename van het aantal bezoekers van het perceel. De rechtbank oordeelt verder dat het besluit van 18 mei 1995 ten opzichte van het besluit van 26 juni 1990 evenmin heeft geleid tot een toename van de gebruikersintensiteit van het perceel. Het besluit van 18 mei 1995 maakte alleen de bouw van een bedrijfswoning mogelijk, op een afstand van circa 75 meter van het perceel van [X]. Niet aannemelijk is dat de bouw van de bedrijfswoning heeft geleid tot een toename van het aantal bezoekers van het perceel. De rechtbank oordeelt evenwel dat de op 18 juni 1999 vastgestelde en op of omstreeks 22 april 1999 in werking getreden partiële herziening van het bestemmingsplan ten opzichte van het besluit van 18 mei 1995 wel heeft geleid tot een significante toename van de gebruikersintensiteit van het perceel.

De partiële herziening van het bestemmingsplan voorzag in kwekerijactiviteiten op het gehele perceel en gaf, ook qua maatvoering, meer bebouwingsmogelijkheden (bedrijfsgebouwen, kassen en bedrijfswoningen), bovendien dichterbij het perceel van [X]. De rechtbank oordeelt tenslotte dat het besluit van 17 april 2001 ten opzichte van de partiële herziening van het bestemmingsplan niet heeft geleid tot een significante toename van de gebruikersintensiteit. Dit besluit voorzag met name in de bouw van een garage annex werktuigenberging. Anders dan de partiële herziening van het bestemmingsplan, op basis waarvan er meer bebouwingsmogelijkheden kwamen en aannemelijk is dat in verband hiermee, in samenhang bezien met de mogelijkheden om de op het perceel gekweekte producten te verkopen aan bezoekers, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de realisatie van een garage annex werktuigenberging heeft geleid tot een toename van het aantal bezoekers aan het perceel.

3.4 Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat alleen de partiële herziening van het bestemmingplan heeft geleid tot significante planschade voor [X]. De rechtbank oordeelt dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schade, alle relevante omstandigheden in aanmerking nemend, per saldo toch op nihil gesteld moet worden. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Nu ook [X] er naar het oordeel van de rechtbank niet in is geslaagd om de door haar gestelde schade, een bedrag van bijna € 24.000, aannemelijk te maken, zal de rechtbank in het kader van een finale geschillenbeslechting de aan [X] toekomende planschadevergoeding daarom in goede justitie vaststellen en wel op een bedrag van € 5.000. De raad hoeft dus niet opnieuw op het bezwaarschrift van [X] te beslissen.

Proceskosten

4.1 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb zal de rechtbank de raad veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden de kosten van [X] ter zake van de door haar gemachtigde T.A.P. Langhout beroepsmatig verleende rechtsbijstand vergoed tot een bedrag van € 437 (verschijnen ter zitting: één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt: € 437).

4.2 De kosten van het door T.A.P. Langhout opgestelde deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de kosten van de door E.P. Broersma aan [X] verleende rechtsbijstand (het opstellen en indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting). De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 2.9 van de AbRS-uitspraak van 4 november 2009.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- kent aan [X] een planschadevergoeding van € 5.000 toe;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de raad het verschuldigde griffierecht van € 150 aan [X] vergoedt;

- veroordeelt de raad in de proceskosten van [X] tot een bedrag van € 437, te betalen aan [X].

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzitter, en door mrs. C.H. de Groot en H.D. Tolsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.