Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU3444

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/1007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene Kinderbijslagwet. Ingezetene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/1007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te Thailand,

eiser,

gemachtigde: J.H. Wessels-Deelstra,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde: K. van Ingen, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 24 maart 2011 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 5 oktober 2011. Namens eiser is zijn moeder (voornoemde gemachtigde) verschenen, vergezeld door de vader van eiser. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

De feiten

1.1 Eiser heeft op 10 september 2010 kinderbijslag aangevraagd voor zijn zoon [voornaam zoon], geboren op [geboortedatum eisers zoon]. [voornaam zoon] woont bij zijn moeder, de echtgenote van eiser, in Thailand. Eiser werkt voor [naam eisers werkgever ] als [functie]. Eiser verrichtte de werkzaamheden in het jaar voorafgaand aan de aanvraag in Irak.

1.2 Bij besluit van 25 november 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen voor de periode vanaf het vierde kwartaal van 2009, omdat eiser niet in Nederland woont of werkt. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

Het geschil

2.1 Verweerder heeft de aanvraag beoordeeld met ingang van het vierde kwartaal van 2009. Verweerder vindt dat eiser naar omstandigheden beoordeeld in Thailand woont en niet in Nederland. Eiser werkt vier weken op zee en verblijft de vier weken daarna, waarin hij verlof heeft, bij zijn gezin in Thailand. Eiser is slechts drie maal per jaar twee tot drie weken in Nederland en beschikt in Nederland niet over een zelfstandige woonruimte, maar staat ingeschreven bij zijn ouders in Grou. Weliswaar worden op het loon van eiser loonbelasting en premies volksverzekeringen ingehouden, maar nu eiser zijn werkzaamheden in het buitenland verricht, kan hij ook niet op grond van zijn werk als verzekerde worden aangemerkt.

2.2 Eiser is van mening dat hij ingezetene is van Nederland. Hij geeft aan dat zijn vrouw en kinderen in Thailand wonen en volledig door hem worden onderhouden. Hij werkt vier weken op zee en heeft daarna telkens vier weken verlof. Gedurende het verlof woont eiser bij zijn gezin in Thailand. Hij staat ingeschreven op het adres van zijn ouders in Nederland en niet in Thailand. Op zijn loon wordt loonbelasting ingehouden, evenals premies voor de volksverzekeringen.

De beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 6 van de AKW is iemand verzekerd ingevolge de bepaling van deze wet, wanneer hij:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

3.2 Uit artikel 2 van AKW volgt dat een ingezetene diegene is die in Nederland woont. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW beoordeeld naar de omstandigheden.

3.3 Op grond van de artikelen 7 en 11, eerste lid, van de AKW heeft alleen degene die op de eerste dag van het kalenderkwartaal verzekerd is in de zin van de AKW recht op kinderbijslag (over dat kwartaal).

3.4 In zijn arrest van 21 januari 2011 (LJN: BP1466, gepubliceerd op rechtspraak.nl) heeft de Hoge Raad uitgesproken dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. De vraag waar iemand woont dient te worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Daarnaast heeft de Hoge Raad erop gewezen dat uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt, dat de wetgever geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

3.5 De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of tussen eiser en Nederland op de peildata een duurzame band van persoonlijke aard bestond. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke band geen sprake. Eiser woont, zoals hij zelf ook heeft aangegeven op het aanvraagformulier voor kinderbijslag, gedurende zijn verlof niet in Nederland, maar in Thailand bij zijn gezin. Hij werkte op de peildata in Irak en eiser heeft geen zelfstandige woonruimte in Nederland. Dat eiser gedurende enkele weken per jaar Nederland bezoekt en binding heeft met Nederland, onder meer omdat zijn ouders hier wonen, maakt evenwel niet dat op de peildata (nog steeds) sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Dat eiser in de GBA stond ingeschreven op het adres van zijn ouders maakt niet dat die duurzame band wel aanwezig is. Wel merkt de rechtbank op dat verweerder het ingezetenschap van eiser in het bestreden besluit aan de hand van de verkeerde maatstaf heeft getoetst (de mate van sociale, economische en juridische binding met Nederland). De rechtbank zal daaraan geen gevolgen verbinden, nu verweerder alle relevante omstandigheden heeft betrokken bij zijn beoordeling of sprake is van wonen in Nederland in de zin van artikel 2 van de AKW en daarmee of sprake is van ingezetenschap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet.

3.6 Ook op grond van artikel 6, aanhef en onder b, van de AKW kan eiser niet als verzekerde in de zin van de AKW worden aangemerkt, omdat hij zijn werk op de peildata niet in Nederland, maar in Irak verrichtte. Het onderworpen zijn aan loonbelasting is niet voldoende om op basis van voornoemd artikel aangemerkt te kunnen worden als verzekerde.

3.7 Nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen verzekerde is in de zin van de AKW heeft eiser op grond van de artikelen 7 en 11, eerste lid, van de AKW vanaf het vierde kwartaal van 2009 geen recht op kinderbijslag. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van K.M. van Leeuwen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.

w.g. P.G. Wijtsma

de griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.