Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BU2509

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
355407 - CV EXPL 11-3512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: artikel 7:611 BW inzake het goed werkgeverschap is niet rechtstreeks van toepassing op de verhouding tussen inlener en uitzendkracht. Wel reflexwerking.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0887
RAR 2012/23
JAR 2011/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 355407 \ CV EXPL 11-3512

vonnis van de kantonrechter d.d. 25 oktober 2011

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr.drs. H. de Jong,

tegen

de naamloze vennootschap

Friesland Bank N.V.,

hierna te noemen: Friesland Bank,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.M. Veldjesgraaf,

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Friesland Bank onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] en schadeplichtig is;

II. partijen veroordeelt over te gaan tot het vaststellen van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. Friesland Bank veroordeelt in de kosten van het geding.

Friesland Bank heeft bij antwoord de vordering betwist.

Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken van het geding, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door [eiser] zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De vaststaande feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. Tussen Adecco Personeelsdiensten als uitzendorganisatie en [eiser] als uitzendkracht is met ingang van 18 januari 2010 een schriftelijke arbeidsovereenkomst Fase A met uitzendbeding gesloten. Tegelijkertijd is tussen Adecco Detachering en [eiser] een schriftelijke detacheringsovereenkomst Fase A gesloten voor de periode van 18 januari 2010 tot en met 11 april 2010, uit hoofde waarvan [eiser] als uitzendkracht is ingezet bij Friesland Bank als medewerker servicedesk.

2.2. Tussen Adecco Personeelsdiensten en [eiser] is op 12 april 2010 een schriftelijke aanvulling op de eerdere arbeidsovereenkomst Fase A met uitzendbeding tot stand gekomen. Ook vanaf 12 april 2010 heeft [eiser] als uitzendkracht werkzaamheden verricht als medewerker servicedesk van Friesland Bank.

2.3. Friesland Bank hanteert voor haar medewerkers (waaronder door Friesland Bank in dit verband ook uitzendkrachten worden begrepen) een "Algemene Gedragscode Friesland Bank Groep".

2.4. Bij Friesland Bank is op of omstreeks 16 februari 2010 een brief van een anonieme "bezorgde klant" binnengekomen, waarin Friesland Bank wordt gewaarschuwd voor [eiser], omdat laatstgenoemde, aldus deze brief, niet voldoet aan eisen van betrouwbaarheid en integriteit die van een medewerker van Friesland Bank moeten worden gesteld.

2.5. De gemachtigde van [eiser] heeft Friesland Bank bij brief van 30 november 2010 desgevraagd medegedeeld:

"U heeft mij gevraagd of ik iets over de heer [eiser] kan zeggen.

De heer [eiser] ligt (lag) in echtscheiding. Zijn ex-echtgenote heeft op enig moment, tijdens zijn afwezigheid, tegen zijn voormalig werkgever gezegd dat er allemaal goederen van deze werkgever bij hem in huis stonden en zij heeft hem door het huis geleid.

Blijkens de stukken had [eiser] deze goederen in bruikleen danwel betrof het goederen die niet van werkgever afkomstig waren maar soortgelijk goed (muziekbranche) dat elders was aangeschaft. Desalniettemin had inmiddels werkgever cliënt beschuldigd van diefstal. Dit ten onrechte.

In een emotionele bui heeft [eiser] vervolgens ontslag genomen waarna hij het ontslag weer heeft ingetrokken omdat hij onschuldig is en niets met de vervelende diefstal, die bij zijn werkgever daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, van doen heeft.

Overigens staat in het proces-verbaal van de politie dat de diefstal niet door personeel is gepleegd maar door één van de klanten. [eiser] wordt dan ook niet vervolgd en is geen verdachte.

Eén en ander is dus terug te voeren op de echtscheiding waar [eiser] in verkeert alsmede de rancune van zijn ex-partner.

Voor zover ik kan beoordelen valt er niets op cliënt aan te merken."

2.6. Friesland Bank heeft de inzet van [eiser] als uitzendkracht in haar organisatie op 19 januari 2011 met onmiddellijke ingang beëindigd. De uitzendovereenkomst tussen Adecco en [eiser] is vervolgens op 2 februari 2011 geëindigd.

2.7. [eiser] heeft Friesland Bank - in de persoon van Fraud Risk Manager [X] - bij e-mail van 31 januari 2011 onder meer medegedeeld:

"Op vrijdag 28 januari j.l. heb ik een kopie van mijn personeelsdossier ontvangen via uitzendbureau Adecco (personeelsdossier Friesland Bank).

Daar ik constateerde dat het dossier niet compleet is, heb ik diezelfde dag telefonisch contact met de heer [Y] onderhouden. De heer [Y]vertelde mij dat het restant dossier bij u in beheer is.

Vervolgens heb ik die dag telefonisch contact met u opgenomen. U vertelde mij dat de door mij geconstateerde missende stukken uw dossier is. Het dossier naar aanleiding van uw onderzoek omtrent onder andere mijn voormalige werkgever ( [A]), het contact met mijn ex-partner en reden van mijn op staande voet van ontslag.

Graag vraag ik u mij terug te koppelen waarom u uw dossier heeft weggelaten in mijn personeelsdossier en waarom u deze stukken mij niet heeft overlegd. (…)"

2.8. Friesland Bank - in de persoon van [X] voornoemd - heeft [eiser] in reactie hierop bij e-mail van 1 februari 2011 onder meer medegedeeld:

"(…) Je werkt in een loondienstbetrekking voor het uitzendbureau Adecco en was middels dit bedrijf tewerkgesteld bij Friesland Bank.

Er is door mij, n.a.v. het onderzoek in november 2010, een vervolgonderzoek ingesteld. Hierbij is vastgesteld dat door jou geen volledige openheid van zaken is gegeven bij de aanvang van de werkzaamheden bij Friesland Bank en evenmin bij ons gesprek in november 2010 waartoe je toen uitdrukkelijk bent uitgenodigd.

Als gevolg hiervan heb je gehandeld in strijd met het gestelde in de geheimhoudingsverklaring en gedragscode.

De "missende stukken" waarover je spreekt, noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van Friesland Bank, zijn geen onderdeel van je personeelsdossier maar van een onderzoeksdossier. Ik kan je deze gegevens derhalve niet verstrekken."

2.9. Namens [eiser] heeft zijn gemachtigde bij brief van 3 februari 2011 Friesland Bank aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden door de beëindiging van zijn inzet als uitzendkracht bij Friesland Bank. Dit is herhaald bij brief aan Friesland Bank van 8 maart 2011.

De standpunten van partijen

3. [eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Friesland Bank heeft onzorgvuldig jegens hem gehandeld en misbruik van bevoegdheid gemaakt, door zijn inzet als uitzendkracht op 19 januari 2011 met onmiddellijke ingang te beëindigen. Friesland Bank heeft in dat kader niet voldaan aan de eisen van hoor en wederhoor, door geen opening van zaken te geven over wie anoniem over hem heeft geklaagd en wat zijn voormalige werkgever [A] over hem heeft gezegd. Ook heeft Friesland Bank geweigerd om [eiser] volledige inzage te geven in de stukken waarover zij beschikte en heeft zij geen waarde willen hechten aan de verklaring van [eiser]. Het was en is [eiser] niet bekend wat er allemaal precies over hem is gezegd en hij heeft daarop niet inhoudelijk kunnen reageren. De gronden voor het ontslag heeft Friesland Bank niet kenbaar gemaakt aan [eiser]. Daarmee heeft Friesland Bank zich niet als een goed werkgever gedragen, aldus [eiser]. Weliswaar mag een inlener de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht om welke reden dan ook beëindigen, doch zij dient zich daarbij wel als een goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW te gedragen. Een uitzendkracht mag volgens [eiser] niet als ware hij een wegwerpartikel worden behandeld, te meer waar er - zoals hier - verwachtingen zijn gewekt over voortzetting van het dienstverband, in dienst van Friesland Bank. De handelwijze van Friesland Bank jegens [eiser] levert een aan Friesland Bank toerekenbare onrechtmatige daad op, welke Friesland Bank schadeplichtig maakt jegens [eiser]. [eiser] heeft schade geleden, doordat hij sinds zijn vertrek bij Friesland Bank minder inkomen geniet - doordat de WW-uitkering die hij thans geniet lager is dan het salaris dat hij verdiende - terwijl [eiser] voorts uitzicht had op een vast dienstverband bij Friesland Bank in verband met zijn functioneren aldaar. Ook is er sprake van reputatie- en psychische schade. De omvang van de schade laat zich in dit stadium nog niet exact vaststellen, zodat de schade nader dient te worden opgemaakt in een schadestaatprocedure, aldus [eiser].

4. Friesland Bank betwist de vorderingen van [eiser]. Volgens Friesland Bank was [eiser] nimmer bij haar in dienst als werknemer, zodat hetgeen in artikel 7:611 BW is bepaald omtrent het goed werkgeverschap toepassing mist op de rechtsverhouding die tussen [eiser] en Friesland Bank heeft bestaan. Indien er enige vorm van reflexwerking van artikel 7:611 BW zou worden aangenomen in deze rechtsverhouding, dan kan dat niet zover gaan dat de inlener daarmee de flexibiliteit verliest die eigen is aan een uitzendconstructie. Het specifieke karakter van een uitzendrelatie brengt met zich dat de inlener in beginsel zonder opgave van redenen de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht kan beëindigen, te meer waar - zoals hier - sprake is van een kortdurend dienstverband. Friesland Bank heeft te dezer zake geen misbruik van bevoegdheid gemaakt. Friesland Bank acht zich niet gehouden om in deze procedure de precieze gronden mede te delen waarom zij de inzet van [eiser] als uitzendkracht in haar organisatie heeft beëindigd. In een gesprek op 19 januari 2011 heeft Friesland Bank overigens aan [eiser] medegedeeld waarom zij niet verder wilde met hem. Ten slotte heeft Friesland Bank nimmer de gerechtvaardigde verwachting bij [eiser] gewekt dat hij voor onbepaalde tijd bij haar in dienst kon treden. Gelet op het voorgaande is van onrechtmatig handelen van Friesland Bank geen sprake en is zij niet schadeplichtig jegens [eiser].

De beoordeling van het geschil

5. De kantonrechter overweegt dat op een inlener, gelet op het specifieke karakter van een uitzendrelatie waarbij de inlener en de uitzendkracht alleen voor zover nodig gebruik maken van elkaars diensten, niet een motiveringsplicht rust bij beëindiging van de inzet van een ingeleende uitzendkracht (vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25263, nr. 6, p. 16 en gerechtshof Leeuwarden 24 mei 2010, LJN: BQ5861). Friesland Bank was en is dan ook niet gehouden om de precieze redenen voor de beëindiging van de inzet van [eiser] aan hem mede te delen. Friesland Bank was als inlener in het verlengde daarvan evenmin gehouden om [eiser] omtrent deze redenen te horen en hem in de gelegenheid te stellen zich daartegen te verweren. Hieraan doet niet af dat [eiser] van mening is dat de redenen die Friesland Bank meende te hebben ondeugdelijk waren. In zoverre treffen de verwijten aan het adres van Friesland Bank inzake vermeend onrechtmatig handelen dan ook geen doel.

6. Anders dan [eiser] betoogt, is artikel 7:611 BW inzake het goed werkgeverschap niet rechtstreeks van toepassing op de verhouding tussen Friesland Bank als inlener en hem als uitzendkracht, nu Friesland Bank niet de werkgever van [eiser] was en er dus tussen hen geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Een uitzendconstructie - waarbij enerzijds een arbeidsovereenkomst tussen Adecco en [eiser] bestond, krachtens welke [eiser] als uitzendkracht aan derden ter beschikking kon worden gesteld en er anderzijds een overeenkomst van opdracht tussen Friesland Bank en Adecco bestond - verzet zich tegen integrale overeenkomstige toepassing van de norm van artikel 7:611 BW. Niettemin is de kantonrechter van oordeel dat er bij de beoordeling van gedragingen van de inlener ten opzichte van de uitzendkracht wel een zekere reflexwerking aan voornoemd artikel toekomt. Bij de uitoefening van zijn taken als toezichthouder op en (materieel) leidinggevende van de uitzendkracht, dient de inlener zich rekenschap te geven van hetgeen krachtens de eisen van goed werkgeverschap van hem mag worden gevergd. Dit gaat echter niet zover, dat de inlener zich bij de invulling van de overeenkomst van opdracht mede moet laten leiden door de belangen van de uitzendkracht, nu juist diens flexibele inzet voor de inlener essentieel is voor diens keuze voor het tewerkstellen van een uitzendkracht (vgl. gerechtshof Leeuwarden 13 december 2006, JAR 2007, 17).

7. Onder bijzondere - door de werknemer (voldoende) te stellen en bij betwisting te bewijzen - omstandigheden kan de aan de aan de inlener toekomende bevoegdheid tot het beëindigen van de inzet van de uitzendkracht misbruik van bevoegdheid opleveren, en daarmee onrechtmatig zijn jegens de betreffende uitzendkracht. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij beëindiging van de inzet om discriminatoire redenen (vgl. Pres. Rb. Leeuwarden, 3 maart 1999, KG 1999, 108). Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in dit geding echter niet gebleken. De door [eiser] aangedragen omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat Friesland Bank misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de inzet van [eiser] als uitzendkracht te beëindigen. De stelling van [eiser] dat hem een vaste baan bij Friesland Bank in het vooruitzicht zou zijn gesteld na afloop van zijn uitzendperiode vindt geen steun in de overgelegde stukken en is overigens door Friesland Bank ook uitdrukkelijk betwist, zodat dit geen rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of Friesland Bank onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

8. De slotsom is dat het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen van Friesland Bank in deze procedure niet is komen vast te staan en dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

9. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen van [eiser] af;

II. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Friesland Bank vastgesteld op € 450,00 (2 punten x € 225,00) wegens salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119