Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BT6541

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW. Project herbeoordeling ZZP-dossiers. Commissie Asscher-Vonk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/832

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 6 april 2010 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de herziening en terugvordering van de uitkering van eiser ingevolgde de Werkloosheidswet (WW). Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 6 september 2011. Eiser is in persoon verschenen. Namens verweerder is voornoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Eiser heeft van 20 december 2004 tot en met 1 oktober 2006 een WW-uitkering ontvangen, gebaseerd op 36,62 arbeidsuren per week. Met ingang van 11 juli 2005 is de uitkering beëindigd voor 16 uur per week, omdat eiser per die datum voor 16 uur per week als zelfstandige is gaan werken.

1.2 Uit door eiser ingevulde werkbriefjes blijkt dat hij in de periode 2 januari 2006 tot en met 10 september 2006 16 uur per week als zelfstandige heeft gewerkt.

1.3 Naar aanleiding van een bestandsvergelijking met de belastingdienst heeft verweerder nader onderzoek verricht naar de uren die eiser als zelfstandige heeft gewerkt. Op 26 augustus 2009 heeft een inspecteur van verweerder ([naam], hierna: [A]) eiser een bezoek gebracht. In het verslag van dit gesprek staat dat eiser vanaf 1 januari 2006 de uren niet correct heeft opgegeven. Hij heeft in de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2006 maximaal 22 uur per week gewerkt. Eiser heeft verklaard dat hij in deze periode elke week dit aantal uren heeft gemaakt.

1.4 Bij besluit van 2 februari 2010 heeft verweerder aan eiser bericht dat zijn WW-uitkering over de periode 2 januari 2006 tot en met 10 september 2006 wordt herzien. Uit een bij het besluit gevoegde specificatie blijkt dat eiser een bedrag van € 2.135,62 te veel heeft ontvangen. Verweerder vordert de onverschuldigd betaalde WW-uitkering ter hoogte van dit bedrag terug van eiser.

1.5 Bij besluit op bezwaar van 6 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

1.6 Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het Uwv in het project 'Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering' is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart.

1.7 Bij brieven van 9 maart 2010 en 14 juni 2010 heeft verweerder eiser vervolgens geïnformeerd over de mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen. Op basis van een door eiser op 20 juni 2010 ingediend herzieningsverzoek heeft verweerder een herbeoordeling uitgevoerd. Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder eiser bericht dat zijn verzoek wordt afgewezen en dat niet wordt teruggekomen op het besluit van 2 februari 2010.

Het geschil

2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat een medewerker van verweerder, [naam] (hierna: [B]), hem op 26 september 2005 heeft geadviseerd dat hij het niet zo nauw moest nemen met het invullen van directe en indirecte uren. Hem is geadviseerd om een gemiddeld aantal uren per week in te vullen om aanspraak op een WW-uitkering te houden. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling een door hem en zijn ex-partner [naam] (hierna: [C]), die bij het gesprek op 26 september 2005 aanwezig was, ondertekende verklaring overgelegd.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [B] heeft gezegd dat hij het niet zo nauw hoefde te nemen met het opgeven van de uren. [B] heeft aangegeven dat zij zeker weet dat zij dit niet heeft gezegd. Voorts wijst verweerder er op dat eiser ten overstaan van [A] heeft verklaard dat hij vanaf 1 januari 2006 de uren niet correct heeft opgegeven, omdat hij de WW-uitkering nodig had om te overleven.

De beoordeling van het geschil

3.1 In artikel 6:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering brengt in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is bepaald dat als het bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep mede gericht wordt geacht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

3.2 In artikel 8, eerste lid, van de WW is bepaald dat een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

3.3 In artikel 20, eerste lid, onder a, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Het tweede lid van artikel 20 van de WW bepaalt dat voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is het recht op uitkering eindigt ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van de wet wordt beschouwd.

3.4 In artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat, voor zover hier van belang, het UWV een besluit tot toekenning van een uitkering herziet indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. In het tweede lid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

3.5 In artikel 25 van de WW is - voor zover van belang- voor de werknemer de verplichting neergelegd om het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

3.6 Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt, voor zover hier van belang, de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald door het UWV teruggevorderd. In het vierde lid is bepaald dat het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

3.7 Indien hangende beroep in het kader van het project herbeoordeling ZZP-dossiers opnieuw wordt beslist over een na bezwaar gehandhaafde herziening en terugvordering, is gelijk de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 15 maart 2011 (LJN: BP7501, gepubliceerd op rechtspraak.nl) heeft overwogen, sprake van een nieuw besluit op bezwaar dat het oorspronkelijke besluit op bezwaar vervangt. Dit nieuwe besluit op bezwaar maakt, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb deel uit van het in beroep aanhangige geding. Daarom is geen sprake van een situatie waarin tegen dit nieuwe besluit op bezwaar opnieuw bezwaar en beroep kan worden ingesteld, zoals verweerder heeft betoogd.

3.8 De rechtbank stelt vervolgens vast dat het besluit van 7 december 2010 in de plaats is getreden voor het besluit van 6 april 2010, zodat eiser geen procesbelang meer heeft bij een beslissing op zijn beroep tegen laatstgenoemd besluit. Dit brengt mee dat het beroep, voor zover gericht tegen dit besluit, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.9 De CRvB heeft in voornoemde uitspraak voorts overwogen dat de bestuursrechter in een bij hem aanhangig gemaakt geding de belanghebbende zo nodig in de gelegenheid stelt kenbaar te maken of hij wenst dat verweerder, in een geval als het onderhavige waarin verweerder daartoe eerder niet is overgegaan, de commissie-Asscher-Vonk raadpleegt over hetgeen hij tegen het besluit in het kader van het project herbeoordeling ZZP-dossiers heeft aangevoerd. In dat geval zal de bestuursrechter verweerder verzoeken daartoe over te gaan en vervolgens, na ontvangst van het advies van de commissie-Asscher-Vonk kenbaar te maken of hij zijn standpunt al dan niet handhaaft. Nu eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat hij geen prijs stelt op het alsnog consulteren van de commissie-Asscher-Vonk, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom geen aanleiding om verweerder te verzoeken hiertoe over te gaan.

3.10 Niet in geschil is dat eiser in de periode 1 januari 2006 tot en met 10 september 2006 meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven en een bedrag van € 2.135,62 te veel heeft ontvangen. De vraag is of verweerder desalniettemin van terugvordering van de voor deze uren verstrekte WW-uitkering dient af te zien, omdat eiser er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij deze uren niet hoefde op te geven. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiser heeft met de enkele verklaring van hem en [C] onvoldoende onderbouwd dat [B] tegen hem heeft gezegd dat hij het met het opgeven van de gewerkte uren niet zo nauw hoefde te nemen. [B] heeft (blijkens een telefoonrapport van 5 maart 2010) immers verklaard dat zij zeker weet dat zij dit niet heeft gezegd. Dat [B] de door eiser gestelde uitspraken op 26 september 2005 heeft gedaan, zoals eiser betoogt, blijkt ook geenszins uit het verslag van dit gesprek van die datum dat mede door eiser is ondertekend. In dit verslag staat namelijk dat indien eiser in een bepaalde week meer dan 16 uur als zelfstandige gaat werken hij ook voor die uren het werknemerschap verliest. Dit strookt niet met zijn stelling dat [B] gezegd heeft dat hij het niet zo nauw hoefde te nemen met de op te geven uren. Ook indien eiser de door hem gestelde uitspraken van [B] met [A] heeft besproken, hetgeen [A] heeft ontkend, heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat [B] voornoemde uitspraken heeft gedaan. Daarbij komt nog dat zelfs indien [B] de door eiser gestelde uitspraak heeft gedaan, hij daaraan geen gerechtvaardigde verwachtingen kon ontlenen. Eiser wist immers dat hij indien hij in één week meer dan 16 uur had gewerkt hij ook voor die extra gewerkte uren het werknemerschap zou verliezen. Uit het door eiser ondertekende gespreksverslag van [A] van 27 augustus 2009 blijkt bovendien dat eiser heeft verklaard dat hij wist dat hij een te hoge WW-uitkering ontving, maar dat hij het geld nodig had. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

3.11 Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 december 2010, ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 6 april 2010, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 december 2010, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van R.D.A.N. Webster als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.

w.g. P.G. Wijtsma

de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.