Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BT6476

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
17/880184-10 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vechtpartij, club Q.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 306
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880184-10 VON

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 oktober 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek dat is aangevangen op 7 september 2011 en is gesloten op 20 september 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.C. Pol, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 april 2010 te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

in bar/dancing Club Q opzettelijk heeft deelgenomen aan een aanval of vechterij waarin onderscheiden personen, te weten bezoekers van Club Q en/of een groepje bezoekers uit Damwoude waarvan verdachte deel uitmaakte enerzijds en/of een groepje bezoekers uit Burgum en/of [naam slachtoffer] anderzijds, zijn gewikkeld, bestaande die aanval of vechterij uit het

- al springend en/of dansend en/of zwaaiend, waarbij de personen uit de groep Damwoude elkaar al dan niet vasthielden, tegen die [naam slachtoffer] en/of een of meer ander(en) aanduwen en/of die [naam slachtoffer] voort bewegen waarbij die [naam slachtoffer] aan zijn hoofd onder meer ter hoogte van de slaap werd geraakt en/of waardoor die [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en/of waarbij zijn hoofd (vervolgens) de grond heeft geraakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist tegen/op het hoofd ondermeer ter hoogte van de slaap en/of in het gezicht van die [naam slachtoffer] slaan en/of stompen en/of waardoor die [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en/of waarbij zijn hoofd (vervolgens) de grond heeft geraakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen de heup en/of een of meer andere lichaamsdelen van die [naam slachtoffer] schoppen, zulks terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag tengevolge waarvan het hoofd van die [naam slachtoffer] tegen/op de grond is geklapt,

welke aanval of vechterij de dood van die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 306 sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 18 april 2010 te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

met een ander of anderen, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten bar/dancing Club Q, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], welk geweld bestond uit het

- springend en/of dansend en/of zwaaiend, waarbij verdachte en/of verdachtes mededaders elkaar al dan niet vasthielden, tegen die [naam slachtoffer] aan duwen en/of die [naam slachtoffer] voort bewegen waarbij die [naam slachtoffer] aan zijn hoofd onder meer ter hoogte van de slaap werd geraakt en/of waardoor die [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en/of waarbij zijn hoofd (vervolgens) de grond heeft geraakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen de heup en/of een of meer andere lichaamsdelen van die [naam slachtoffer] te schoppen, zulks terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, waarbij hij verdachte meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist tegen/op het hoofd ondermeer ter hoogte van de slaap en/of in het gezicht van die [naam slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en/of waarbij zijn hoofd (vervolgens) de grond heeft geraakt,

welk door hem gepleegde geweld de dood voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft

gehad;

(artikel 141 lid 1 en/of lid 2 sub 3 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 18 april 2010 te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

(in bar/dancing Club Q) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, met kracht met gebalde vuist tegen/op het hoofd ondermeer ter hoogte van de slaap en/of in het gezicht van die [naam slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en/of waarbij zijn hoofd (vervolgens) de grond heeft geraakt, tengevolge waarvan deze is overleden.

(artikel 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 16.097,92 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag.

Geldigheid dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot de delen 'bezoekers van Club Q' en 'groepje bezoekers uit Burgum' partieel nietig moet worden verklaard.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat deze delen onvoldoende specifiek zijn om daaruit op te kunnen maken wie met deze personen worden aangeduid. Te meer nu het in artikel 306 van het Wetboek van Strafrecht gaat om 'te onderscheiden personen', aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de dagvaarding onder meer een opgave van het feit bevat dat aan de verdachte wordt ten laste gelegd.

Op basis van deze tenlastelegging wordt een verdachte geïnformeerd over het voorval waarvoor hij moet terechtstaan, zodat hij weet waartegen hij zich te verdedigen heeft.

Een tenlastelegging die te weinig specifiek, fysiek onleesbaar, onduidelijk, innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk is, kan niet dienen als grondslag voor een terechtzitting en zal daarom volgens jurisprudentie van de Hoge Raad moeten leiden tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan in deze zaak niet is gebleken. Gelet op de gehele inhoud van de tenlastelegging en de opbouw van het dossier is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging op alle onderdelen voldoende feitelijk is en de dagvaarding daarmee voor verdachte voldoende begrijpelijk is, zoals ook uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

Daarnaast vereist artikel 306 van het Wetboek van Strafecht enkel dat er sprake is van 'onderscheiden personen' en niet van 'te onderscheiden personen', zoals de raadsman heeft gesteld. Met 'onderscheiden personen' is slechts bedoeld dat er sprake is geweest van meer dan één persoon. De rechtbank acht de tenlastelegging dan ook op dat onderdeel voldoende feitelijk gelet op de overige inhoud daarvan.

Gelet hierop voldoet de dagvaarding aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt het verweer en acht de dagvaarding in al zijn onderdelen geldig.

Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft zij -samengevat- het volgende aangevoerd.

Gelet op de verklaringen van getuigen en de rapportages en verklaringen van de deskundigen kan worden afgeleid dat het fatale letsel van [naam slachtoffer] is ontstaan nadat hij met een vuist tegen zijn hoofd is geslagen op de dansvloer in Club Q op 18 april 2010.

De zes verdachten behoorden tot de groep die op de dansvloer aan het springen was en van waaruit werd geduwd en geslagen. Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat alle verdachten in meer of mindere mate geweld hebben gebruikt tegen [naam slachtoffer], de groep waartoe [naam slachtoffer] behoorde, Burgum, of andere bezoekers van Club Q. Het maakt niet uit wie het letsel daadwerkelijk aan [naam slachtoffer] heeft toegebracht, nu het dodelijk letsel is ontstaan op de dansvloer door het geweld gebruikt vanuit de groep. Door als groep op deze manier op te treden, zijn alle verdachten feitelijk betrokken geweest bij de aanval ten gevolge waarvan [naam slachtoffer] is overleden en kan het onder 1. ten laste gelegde worden bewezen, aldus de officier van justitie.

Gelet op de gedragingen van de verdachten, voldoen deze ook aan de delictsbestanddelen van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht: zij plegen openlijk en in vereniging geweld en hebben allen een essentiële bijdrage geleverd aan dit geweld.

Uit de verklaringen van de getuigen en de deskundigen is ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend te bewijzen dat hij de uiteindelijke fatale klap heeft gegeven waardoor hij individueel verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het ingetreden gevolg van de strafverzwarende omstandigheid van de dood.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd vrijspraak voor het onder 1. bepleit. Hij heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.

Een vechterij kan niet bewezen worden, nu in de tenlastelegging enkel het geweld is uitgewerkt dat zou zijn uitgeoefend tegen de 'groep Burgum' en met name tegen [naam slachtoffer].

De ten laste gelegde aanval is gespecificeerd naar drie gedachtenstreepjes.

Het eerste gedachtestreepje, wild dansen, levert naar de mening van de verdediging geen aanval op, omdat er in de visie van de verdediging geen verband is tussen het dansen en het geweld dat is uitgeoefend op [naam slachtoffer].

Het slaan van [naam slachtoffer] door 'een groepje bezoekers uit Damwoude', zoals is opgenomen in het tweede gedachtenstreepje, kan niet worden bewezen. Daarbij merkt de raadsman op dat niet bewezen kan worden dat verdachte [naam slachtoffer] heeft geslagen, zoals de officier van justitie heeft gesteld.

Enkel [getuige] en [getuige] hebben dat bij de politie verklaard. Medeverdachte [naam] zou dit hebben gehoord.

Echter, de verklaringen van die getuige en [getuige] kunnen naar de mening van de raadsman niet tot het bewijs worden gebruikt, omdat deze niet betrouwbaar zijn. De verklaring van [getuige] is onvoldoende, mede gelet op onder meer het feit dat [naam slachtoffer] zelf tegenover verschillende personen heeft verklaard dat hij door iemand uit 'De Westerein' is geslagen, de andere namen en signalementen die worden gegeven van de dader en de gemotiveerde ontkenning van verdachte.

Voor het schoppen van [naam slachtoffer], zoals opgenomen in het derde gedachtenstreepje, zijn geen harde bewijzen te vinden.

Nu de aanval op [naam slachtoffer] niet bewezen kan worden, dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 1. ten laste gelegde, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit voor het onder 2. primair ten laste gelegde, nu niet is uitgesloten dat het geweld tegen [naam slachtoffer] is verricht door een individu. Het onder 2. subsidiair kan tevens niet bewezen worden, nu naar de mening van de verdediging niet bewezen kan worden dat verdachte [naam slachtoffer] heeft geslagen.

De raadsman heeft voorts gemotiveerd aangegeven dat niet bewezen kan worden dat niet vastgesteld kan worden wie het geweld heeft uitgeoefend dat heeft geleid tot het overlijden van [naam slachtoffer].

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde

De feiten

De rechtbank stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting omtrent de feiten -voor zover dit betrekking heeft op het onder 1. en 2. ten laste gelegde- het volgende vast.

In de nacht van 17 op 18 april 2010 is [naam slachtoffer] in Club Q in Noardburgum op/nabij de verlichte dansvloer tegen zijn hoofd geslagen. Op 18 april 2010 is hij in het UMCG in Groningen overleden.

Er is niet gebleken dat [naam slachtoffer] of andere jongeren uit Burgum die nacht op de verlichte dansvloer geweld hebben gebruikt tegen anderen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben verklaard dat zij de bewuste nacht in Club Q op de verlichte dansvloer zijn geweest en daar met elkaar springend hebben gedanst.

Ten aanzien van het slaan van [naam slachtoffer] zijn verschillende verklaringen afgelegd.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben ontkend dat zij [naam slachtoffer] hebben geslagen.

Er is in de onderhavige zaak een groot aantal getuigen gehoord over hetgeen op en rond de verlichte dansvloer in Club Q heeft plaatsgevonden.

Deze getuigenverklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in getuigenverklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.

Een aantal van de door deze getuigen afgelegde verklaringen is onbruikbaar als bewijs, omdat zij niet inhouden wat de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden, maar slechts gissingen, vermoedens en veronderstellingen bevatten. Een ander deel van de getuigen heeft niet kunnen waarnemen wie [naam slachtoffer] heeft geslagen.

Slechts een gering aantal getuigen zegt daadwerkelijk te hebben gezien wie [naam slachtoffer] heeft geslagen.

[getuige] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat [naam slachtoffer] klappen kreeg vanuit een groep jongens die stond te springen op de dansvloer. Ze heeft een aantal van deze jongens kunnen beschrijven als een jongen met gemillimeterd haar, een jongen met oranje/rood haar, een blonde jongen met een wit T-shirt met een V-hals en een kleinere jongen met wat langer blond haar.

De rechtbank kan niet uit deze verklaring afleiden dat [getuige] hier spreekt over de groep waarin verdachte zich bevond, omdat er volgens andere getuigenverklaringen ook andere groepen aan het springen waren op de dansvloer. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de gegeven signalementen te weinig specifiek zijn om met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen vaststellen dat verdachte deel uitmaakte van de genoemde groep. De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van het signalement van de jongen met het oranje/rode haar het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de dansvloer was en rood haar heeft. Alhoewel een minderheid van de mensen deze haarkleur heeft, kan de rechtbank op basis van het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat hij de enige op de verlichte dansvloer was met oranje/rood haar.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet uit de verklaring van [getuige] blijkt dat verdachte of één van zijn medeverdachten is betrokken bij het slaan van [naam slachtoffer].

Getuige [getuige] heeft een aantal verklaringen afgelegd.

Op 21 april 2010 heeft zij tegenover de politie verklaard dat ze niet kan zeggen wie wie heeft geslagen op de dansvloer. Zij heeft voorts verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte en [getuige] [naam slachtoffer] hebben geslagen, maar dat zij niet heeft kunnen zien wie [naam slachtoffer] in zijn buik en wie hem tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige] op 31 maart 2011 verklaard dat [medeverdachte] [naam slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen en dat verdachte hem in de buik heeft geslagen.

[getuige] is op 7 september 2011 ter terechtzitting nogmaals gehoord over hetgeen zij heeft waargenomen. Aldaar heeft zij eerst verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte en [getuige] degenen waren die [naam slachtoffer] hebben geslagen. Op het moment dat zij werd geconfronteerd met haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft zij aangegeven dat hetgeen zij toen heeft verklaard klopt.

[getuige] heeft bij de verschillende verklaringen aangegeven dat zij het lastig vindt om precies te construeren wat zij heeft gezien.

Uit de verklaring die [getuige] ter terechtzitting van 7 september 2011 heeft afgelegd, blijkt dat [getuige] tegenover hem heeft verklaard dat zij niet heeft gezien wie [naam slachtoffer] heeft geslagen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat haar verklaringen niet consistent zijn en derhalve als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven.

De rechtbank stelt ten aanzien van de verklaring van [naam] vast dat hij steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd over hetgeen zou hebben plaatsgevonden in de nacht van 17 op 18 april 2010 in Club Q. Daarbij heeft hij volgens de verhorende verbalisanten onsamenhangende antwoorden gegeven. De rechtbank kan niet uitsluiten dat zulks samenhangt met zijn geestelijke beperktheid.

Dat [naam] op enig moment heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat verdachte die zondagmiddag in de woning heeft gezegd dat hij [naam slachtoffer] heeft geslagen, acht de rechtbank op grond van het voorgaande onvoldoende betrouwbaar.

[getuige] heeft op 19 april 2010 tegenover de politie verklaard dat hij heeft gezien dat een jongen met kort gemillimeterd oranje haar [naam slachtoffer] een klap tegen zijn hoofd gaf. Op 21 mei 2010 heeft [getuige] verklaard dat hij, voorafgaand aan zijn verhoor op 19 april 2010, verdachte op een foto op internet heeft herkend als de jongen die heeft geslagen. Hij herkende verdachte tussen de 80 en 90%, aldus [getuige].

Hij heeft voorts aangegeven dat hij bij zijn eerste verhoor de naam van verdachte niet wilde noemen, omdat het 'niet leuk is om iemand de doodsoorzaak in de schoenen te schuiven'.

Het wettelijk bewijsstelsel gaat ervan uit dat een strafbaar feit niet kan worden bewezen op grond van de mededelingen van één persoon. Dit beginsel komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de zogeheten unus testis-regel van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering: het bewijs van de tenlastelegging mag niet berusten op de verklaring van slechts één getuige. Dit beginsel is uitgewerkt in de zogeheten leer van de dubbele bevestiging: het bewijs van een ten laste gelegd feit moet berusten op twee of meer van elkaar onafhankelijke bronnen1. Nu alleen [getuige] een betrouwbare verklaring heeft afgelegd waaruit zou kunnen volgen dat verdachte [naam slachtoffer] heeft geslagen, is het bewijs slechts uit één bron afkomstig. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld worden dat [verdachte] [naam slachtoffer] heeft geslagen.

Op grond van het voorgaande kan de rechtbank niet bewijzen wie [naam slachtoffer] heeft geslagen en ook niet dat er vanuit de groep waarvan verdachte deel uitmaakte is geslagen.

Ten aanzien van het schoppen tegen het lichaam van [naam slachtoffer] overweegt de rechtbank het volgende. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [naam slachtoffer] in de nacht van 17 op 18 april 2010 een zwart T-shirt droeg. Uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat er een persoon met een zwart T-shirt aan op de grond heeft gelegen en toen is geschopt door één of meerdere personen. De getuigen hebben echter niet kunnen verklaren dat dit [naam slachtoffer] was.

Uit getuigenverklaringen blijkt ook niet dat [naam slachtoffer] zelf heeft aangegeven dat hij is geschopt, terwijl hij wel aan meerdere getuigen heeft verteld dat hij klappen heeft gehad.

Op grond van voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat [naam slachtoffer] is geschopt tegen zijn lichaam.

Feit 1: artikel 306 van het Wetboek van Strafrecht

Het toetsingskader

Aan verdachte is onder 1. ten laste gelegd het opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij van een groep personen tegen 'een groepje bezoekers uit Burgum en/of [naam slachtoffer]', ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden.

De wet geeft geen definitie van wat onder "aanval" of "vechterij" moet worden verstaan. Afgaande op het spraakgebruik en op de uitleg in de doctrine2 is de rechtbank van oordeel dat bij een aanval het initiatief van één zijde wordt genomen en dat van een vechterij sprake is als in een gevecht van beide zijden gelijkelijk wordt opgetreden.

Men neemt deel aan een aanval of vechterij als men daaraan een daadwerkelijke bijdrage levert. Van een daadwerkelijke bijdrage is ook sprake als de dader zich geschaard heeft in de gelederen van een der strijdende partijen.3

De dader neemt opzettelijk deel aan een aanval of vechterij als bovenbedoeld, als hij er zich van bewust is dat hij een daadwerkelijke bijdrage aan die aanval of vechterij levert. Dit bewustzijn kan zich ook voordoen in de vorm van zogeheten voorwaardelijk opzet: er bestaat een aanmerkelijke kans dat de gedraging van de dader leidt tot het deelnemen aan de aanval of vechterij en de dader aanvaardt dat gevolg bewust.4

Tenslotte is blijkens de wettekst het misdrijf alleen strafbaar, als onderscheiden (dat wil zeggen verschillende) personen in de aanval of vechterij zijn gewikkeld. Een aanval, door slechts één persoon ondernomen, of een vechterij, waarbij slechts twee personen zijn betrokken, levert geen strafbaar feit op.5 Het opzet van de dader moet blijkens de wettekst ook gericht zijn op de pluraliteit van de aanvallers of vechters.

Beoordeling

Nu enkel is gebleken van geweld dat is gepleegd tegen [naam slachtoffer] en niet van geweld dat is gepleegd door [naam slachtoffer] of de groep waarin hij zich bevond, stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is geweest van een vechterij. Voor een vechterij moet immers sprake zijn van geweld van twee zijden.

De vraag die de rechtbank zich vervolgens moet stellen is of er sprake is geweest van een aanval als bedoeld in artikel 306 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat het springend en wild dansen niet kan worden gezien als een onderdeel van een aanval. Hoewel dit dansen kan worden aangeduid als een provocatie van andere aanwezige personen op de dansvloer van Club Q, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verdachte zich met deze gedragingen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk meedoen aan een aanval. In het spraakgebruik betekent een aanval immers een poging om iemands positie met geweld te ondermijnen. Daarvan was geen sprake, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit tegenwoordig niet ongebruikelijk is in discotheken, dit gedrag door de bezoekers van discotheken wordt aanvaard en dit gedrag door de exploitant van Club Q werd geduld.

De rechtbank kan voorts op basis van het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte [naam slachtoffer] heeft geslagen of geschopt, maar ook niet dat verdachte daaraan een daadwerkelijke bijdrage heeft geleverd.

Ten aanzien van het geweld dat zou zijn gepleegd tegen andere personen op de dansvloer is de rechtbank van oordeel dat er geen eenheid is naar tijd en plaats en dat om die reden de geweldplegingen niet als één aanval kunnen worden beschouwd.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake is geweest van een

aanval, als bedoeld in artikel 306 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een vechterij of aanval, komt zij niet toe aan het beantwoorden van de vraag of [naam slachtoffer] is overleden tengevolge van een aanval of vechterij in Club Q.

De rechtbank zal verdachte op grond van het voorgaande vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde.

Feit 2 primair: artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht

Het toetsingskader

Aan verdachte is primair onder 2. ten laste gelegd overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, te weten openlijk in vereniging geweld plegen tegen [naam slachtoffer].

Blijkens de plaatsing van dit artikel in Titel V van boek 2 van het wetboek (Misdrijven tegen de openbare orde) is het te beschermen rechtsgoed: de openbare orde. Nu het geweld volgens de tenlastelegging tegen een persoon was gericht, heeft het delict echter ook een gevaarzettend en gemeengevaarlijk karakter, waardoor de lichamelijke integriteit van die persoon als beschermd belang in het geding kan komen.6

Van geweld is hier sprake als fysieke kracht zo hevig tegen een persoon wordt aangewend dat zij geëigend schijnt de openbare orde in gevaar te brengen.7

Het geweld is openlijk, als het waarneembaar is voor publiek. Het is niet nodig dat het geweld feitelijk door publiek is gezien of gehoord.

Het geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met een of meer anderen en daarbij een significante of wezenlijke bijdrage aan de geweldpleging levert. Hij kan dit doen door zelf een of meer gewelddadige handelingen te verrichten, maar ook door het leveren van een vocale, intellectuele of andere bijdrage aan het verband dat het geweld pleegt.8 Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de andere daders aan te moedigen, door mee te doen aan de organisatie van de geweldpleging, door hulpmiddelen aan te reiken of door daders af te schermen. De rechtbank acht het zelfs denkbaar dat de enkele fysieke aanwezigheid van een dader bij het groepsgeweld zo intimiderend op anderen kan werken dat moet worden gesproken van een significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld. De enkele aanwezigheid van iemand nabij het groepsgeweld levert daarentegen geen strafbaar feit op.

Het plegen van geweld impliceert dat dit opzettelijk moet gebeuren. De dader moet zich er derhalve van bewust zijn dat hij opzettelijk geweld pleegt.

Dat kan ook in de vorm van zogeheten voorwaardelijk opzet: er bestaat een aanmerkelijke kans dat de gedraging van de dader het plegen van geweld als hier bedoeld oplevert en de dader aanvaardt die kans bewust. Uit de wettekst volgt dat het opzet van de dader niet gericht hoeft te zijn op de openbaarheid van het geweld.

De op overtreding van artikel 141 van het Wetboek van strafrecht (Sr.) gestelde maximumstraf (vier jaren en zes maanden gevangenisstraf) wordt verhoogd tot twaalf jaren gevangenisstraf, als het geweld de dood ten gevolge heeft.

Uit de wetsgeschiedenis9, uit de doctrine10 en uit de jurisprudentie11 blijkt dat de strafverzwaring alleen van toepassing is op hem van wie vaststaat dat het door hem toegepast geweld het bedoelde gevolg (de dood) heeft gehad. De maatstaf is daarbij of de dood redelijkerwijs aan de dader kan worden toegerekend.12 Uit het vorenstaande volgt dat deelneming aan het delict waarvoor de strafverzwaring geldt, is uitgesloten, en dat dus ook van medeplegen geen sprake kan zijn. Alleen hij die de delictsomschrijving zelf geheel vervult in de vorm van daderschap is aansprakelijk. Ook is samenloop van het verzwaarde delict met andere misdrijven zoals mishandeling uitgesloten.13

Beoordeling

Het springend en wild dansen kan niet worden gezien als het uitoefenen van geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. Hiervan is immers pas sprake als de fysieke kracht zo hevig tegen een persoon wordt aangewend dat zij geëigend schijnt de openbare orde in gevaar te brengen. De openbare orde is hier niet in het gevaar gebracht door het dansen waarvan ter terechtzitting is gebleken dat dit hedendaags niet ongebruikelijk is in discotheken, dit gedrag door de bezoekers van discotheken wordt aanvaard en dit gedrag door de exploitant van Club Q werd geduld.

Daarentegen kan het slaan van [naam slachtoffer] wel worden aangemerkt als geweld, maar daarvan kan de rechtbank niet vaststellen door wie dit is gedaan en of dit door een groep is gepleegd. Aldus kan tevens niet worden bewezen dat in vereniging geweld is gebruikt tegen [naam slachtoffer]. Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank niet vaststaat dat verdachte degene is geweest die [naam slachtoffer] een klap heeft gegeven.

Van schoppen tegen [naam slachtoffer] is niet gebleken.

Conclusie

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het plegen van openlijk geweld tegen [naam slachtoffer], zoals is ten laste gelegd onder 2. primair.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van openlijke geweldpleging, komt zij niet toe aan de vraag of [naam slachtoffer] is overleden tengevolge van openlijke geweldpleging.

Feit 2 subsidiair: artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht

Aan verdachte is onder 2. subsidiair ten laste gelegd overtreding van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, te weten openlijk in vereniging geweld plegen tegen [naam slachtoffer].

Beoordeling en conclusie

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte degene is geweest die [naam slachtoffer] heeft geslagen, zoals zij hiervoor heeft overwogen, zal zij verdachte tevens vrijspreken van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1., 2. primair en 2. subsidiair ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering, nu de vordering tot schadevergoeding ziet op feiten waarvoor verdachte wordt vrijgesproken.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart de dagvaarding geldig.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2. primair en 2. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. F. Sieders, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 oktober 2011.

Mr. Huizing is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.SevereinVOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFTSiedersde griffier van de rechtbankde Vries-Haitsmate Leeuwarden,

1 Melai-Groenhuijsen, Het Wetboek van strafvordering, aant. 37 op art. 342; G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, 6e druk, p. 695; J.F. Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht, 5e druk, p. 84; Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar Strafvordering, aant. 7 op art. 342.

2 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, aant. 2 op art. 306; Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar strafrecht, aant. 9a op art. 306.

3 H.R. 16-01-2001, LJN ZD2105 (Beverwijk); Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar strafrecht, aant. 9c op art. 306; C.P.M. Cleiren, Deelneming aan vechterij (art. 306 Sr.) nader bepaald?, DD 2001, 517.

4 In deze zin ook: Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar strafrecht, aant. 8 op art. 306.

5 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, aant. 3 op art. 306.

6 Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar Strafrecht, aant. 6 op art. 141; W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging, proefschrift RU Groningen, Arnhem 1992, p. 55-57.

7 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, aant. 2 op art. 141. Zo ook - in enigszins andere bewoordingen - Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar Strafrecht, aant. 10c op art. 141: het rechtsgoed moet door het geweld in gevaar gebracht worden.

8 Hand. TK 1998-1999, nr. 26519, Kamerstukken nr. 3; Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, aant. 4 op art. 141.

9 MvT op het oorspronkelijk Regeringsontwerp: H.J. Smidt, De geschiedenis van het Wetboek van strafrecht, Haarlem 1881, tweede deel, p. 90.

10 Noyon-Langemeijer-Remmelink, het Wetboek van strafrecht, aant. 6 op art. 141; Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar Strafrecht, aant. 4 op art. 141.

11 H.R. 6 maart 1990, NJ 1990, 637; H.R. 16 november 2004, LJN AR3230.

12 H.R. 28 november 2006, NJ 2007, 49.

13 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, aant. 6 op art. 141.