Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BT2782

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
AWB 10/1171
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Lijkbezorgingsrechten. Heffing van € 400 wegens bijdrage aan algemeen onderhoud van de begraafplaats in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu slechts wordt geheven ter zake van eigen graven en niet tevens ter zake van algemene graven. Tarief in zoverre onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/1121
V-N Vandaag 2011/2388
FutD 2011-2373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 10/1171

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigden [gemachtigden],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Franekeradeel,

verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer]) lijkbezorgingsrechten wegens grafherziening opgelegd ten bedrage van € 430. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2010 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 1 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 3 juni 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011 te Leeuwarden.

Eiseres is daar bij haar gemachtigden verschenen. Verweerder is daar in persoon verschenen.

Verweerder heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan eiseres, welke pleitnota met instemming van verweerder wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres beschikt over de rechten op vijftig eigen graven, welke graven zijn gelegen op de algemene begraafplaats te [A] (de begraafplaats). Bij een eigen graf heeft de houder van het grafrecht het uitsluitend recht tot het doen begraven en begraven houden van lijken. Bij de aktes van uitgifte van de desbetreffende graven is (steeds) bepaald dat het grafrecht voor onbepaalde tijd wordt verleend. Daarnaast zijn er op de begraafplaats algemene graven, waaronder wordt verstaan bij de gemeente in beheer zijnde graven waarin een ieder gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken.

1.2 Wegens de 10-jaarlijkse herziening van het grafregister heeft verweerder aan eiseres voor alle graven waarvoor eiseres grafrechten heeft, aanslagen lijkbezorgingsrechten (aanslagnummers [nummer] tot en met [nummer]) opgelegd ten bedrage van € 430, bestaande uit € 30 voor herziening van het grafregister en € 400 wegens bijdrage aan het algemeen onderhoud van de begraafplaats.

1.3 Eiseres heeft - onder meer - van het graf vak [#], rij [#], nummer [#] de akte van uitgifte van een graf overgelegd. In deze op 15 februari 1968 door de Gemeente Franeker uitgegeven akte is onder andere vermeld:

"LET WEL! In de loop van het jaar 1927 en vervolgens om de tien jaar heeft een algemene herziening plaats van het register der voor onbepaalde tijd uitgegeven graven.

Wie bij deze tienjaarlijkse herziening nalaat de bewijzen van zijn beschikkingsrecht binnen de door burgemeester en wethouders bepaalde termijn aan hen over te leggen wordt geacht daarvan ten behoeve van de gemeente afstand te hebben gedaan."

1.4 Bij akte van 23 februari 2010 heeft verweerder met betrekking tot het bij 1.3 vermelde graf ten behoeve van eiseres een akte van uitgifte van een graf opgemaakt, waarin is vastgelegd dat het recht is verleend voor onbepaalde duur en waarin een gelijksoortige herzieningsbepaling als vermeld bij 1.3 is opgenomen.

1.5 Met dagtekening 25 februari 2010 heeft verweerder aan eiseres de hier in geschil zijnde aanslag opgelegd. Als omschrijving is op het aanslagbiljet "graf herziening" opgenomen.

1.6 Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de totale kosten van het onderhoud van de begraafplaats alleen over de eigen graven, en niet over de algemene (gemeentelijke) graven, worden omgeslagen.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de bestreden aanslag rechtmatig is opgelegd.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiseres is van mening dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Eiseres voert daartoe aan dat ten aanzien van de heffing van € 30 voor het inschrijven en overboeken van eigen graven in een daartoe bestemd register wegens herziening van het grafregister geen sprake is van een dienst, zodat hiervoor ook geen recht kan worden geheven. Daarbij stelt eiseres dat het gaat om voor onbepaalde tijd uitgegeven graven, zodat de daaraan verbonden rechten van toepassing blijven en niet herzien behoeven te worden. Met betrekking tot de heffing van € 400 wegens bijdrage aan het algemeen onderhoud van de begraafplaats stelt eiseres dat deze niet rechtmatig is, nu verweerder voor de berekening van dit tarief de algemene graven buiten beschouwing heeft gelaten. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag tot nihil.

2.3 Verweerder beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag bevestigend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.4 Partijen zijn van opvatting het geschil ten aanzien van de mogelijke onjuiste tenaamstelling van de bij 1.2 bedoelde aanslagen in overleg te kunnen oplossen. Eiseres heeft ter zitting verklaard haar daartegen gerichte grief, te laten varen.

2.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

Vooraf omtrent de omvang van het beroep

3.1 Het beroep ziet op één aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer]), deze aanslag is opgelegd met betrekking tot het graf vak [#], rij [[#], nummer [#]. Ten aanzien van de andere bij 1.2 bedoelde aanslagen, waarvan de bezwaren door verweerder worden aangehouden, heeft verweerder toegezegd dat hij de uitkomst van deze procedure op overeenkomstige wijze zal toepassen. Partijen hebben ter zitting eenparig verklaard dat de uitspraak op bezwaar van 29 april 2010 enkel ziet op de aanslag met aanslagnummer [aanslagnummer]. De rechtbank sluit zich daar bij aan.

Omtrent het eigenlijke geschil

3.2 Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en de onderdelen a en b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

3.3 Ingevolge artikel 2 van de op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet berustende Verordening lijkbezorgingsrechten Franekeradeel 2007 (de Verordening) worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats. Artikel 4 van de Verordening bepaalt dat de rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij de Verordening behorende tarieventabel. Ingevolge hoofdstuk 5 van de bij de Verordening behorende tarieventabel wordt voor het inschrijven en overboeken van eigen graven in een daartoe bestemd register € 30 geheven, en bij de 10-jaarlijkse herziening van het grafregister wordt dat tarief vermeerderd met een bijdrage voor algemeen onderhoud van € 400.

3.4 Ten aanzien van eiseres' grief gericht tegen de heffing van € 30 wegens herziening van het grafregister is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 2 van de Verordening en artikel 5 van de Tarieventabel bedoelde diensten niet alleen zien op werkzaamheden als een eerste inschrijving of een overboeking van eigen graven in een daartoe bestemd register, maar ook op het om de tien jaar herbevestigen van een bestaande inschrijving in het register. De rechtbank is van oordeel dat de herbevestiging van een inschrijving is aan te merken als een aan eiseres verleende dienst. Het is immers in het belang van alle rechthebbenden dat het register regelmatig wordt gecontroleerd en geactualiseerd. Deze dienst wordt door de gemeente verleend in verband met de begraafplaats, overeenkomstig artikel 2 van de Verordening, en verweerder heeft voor deze dienst het daarvoor in artikel 5.1.1 van de Tarieventabel vermelde tarief in rekening gebracht. Dat het in de onderhavige kwestie gaat om het voor een onbepaalde duur uitgegeven grafrecht, doet, naar het oordeel van de rechtbank, hieraan niet af. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat op de akte van uitgifte staat vermeld dat om de tien jaar een algemene herziening plaatsvindt van het register voor onbepaalde tijd uitgegeven graven (zie 1.3 en 1.4).

3.5 Ten aanzien van de heffing van € 400 als bijdrage in het algemene onderhoud van de begraafplaats stelt eiseres dat zij ervan kon uitgaan dat geen recht zou worden geheven ter zake van dat onderhoud. Tussen partijen is, naar het oordeel van de rechtbank terecht, niet in geschil dat het onderhoud van de begraafplaats een aan eiseres verrichte dienst betreft. Eiseres' stelling ten aanzien van het algemene onderhoud, die een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel inhoudt, faalt echter. De omstandigheid dat hier sprake is van een duurzame rechtsbetrekking, die door de rechthebbende feitelijk niet kan worden beëindigd, rechtvaardigt, behoudens hier niet gebleken bijzondere omstandigheden, niet de verwachting dat het grafrecht gedurende de looptijd niet ter zake van andere kosten zal worden geheven dan de kosten ter zake waarvan het bij de aanvang van de rechtsbetrekking volgens de toen geldende verordening kon worden geheven (Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37 716, BNB 2003/147).

3.6 Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt, kunnen gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hen in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en 77-78). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.

3.7 Ten aanzien van de berekening van de heffing van € 400 wegens bijdrage aan het algemeen onderhoud van de begraafplaats stelt eiseres voorts dat ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen eigen graven en algemene graven, nu slechts wordt geheven ter zake van eigen graven en niet tevens ter zake van algemene graven. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest van 28 februari 2003 - onder meer - overwogen dat het karakter van de onderhavige retributie een differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts toelaat indien die differentiatie zich richt naar het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit onderhoud (zie ook HR 7 mei 1997, nr. 31 920, BNB 1997/211).

3.8 Gelet op de door verweerder ter zitting gegeven verklaring, vermeld onder 1.4, beoordeeld naar de hiervoor onder 3.7 weergegeven criteria, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij de berekening van het tarief van € 400 voor het algemeen onderhoud van de begraafplaats het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat er geen verschil in genot is, nu verweerder in de stukken en ter zitting geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat ter zake van de onderscheiden graven sprake is van enig verschil in genot ten opzichte van de algemene graven.

3.9 Onder verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof 's-Gravenhage van 10 december 2003, BK-03/00687, brengt het voorgaande vervolgens mee dat het tarief waarnaar de onderhavige aanslag is opgelegd onverbindend is voor zover de in het onderhavige tarief begrepen component voor het algemene onderhoud de in het tarief voor de algemene graven begrepen component voor het algemene onderhoud overtreft. De sanctie op overschrijding van dat maximum dient immers niet verder te gaan dan nodig is om de in het gelijkheidsbeginsel besloten liggende waarborg tot zijn recht te doen komen.

3.10 Het overwogene onder 3.9 in aanmerking nemende, leidt ertoe dat de aanslag dient te worden verminderd naar een bedrag dat zou zijn geheven als de kosten voor het algemene onderhoud voor eigen graven tot hetzelfde bedrag zouden zijn verhaald als de kosten voor het algemene onderhoud voor algemene graven. Aangezien, zoals vermeld onder 1.4, de totale kosten van het onderhoud van de begraafplaats alleen over de eigen graven, en niet over de algemene graven, worden omgeslagen, betekent dit dat het tarief van € 400 wegens bijdrage aan het algemeen onderhoud dient te worden verminderd tot nihil. Eiseres' overige grieven behoeven derhalve geen behandeling meer.

3.11 Gelet op het overwogene onder 3.4 is ten aanzien van de heffing van € 30 wegens herziening van het grafregister sprake van een dienst. Voor dat geval heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij geen beroep doet op artikel 229b van de Gemeentewet, waardoor enkel de heffing van € 30 in stand blijft

3.12 Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de reiskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding voor de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting door eiseres wordt overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht juncto artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgesteld op een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. Niet is gebleken dat openbaar vervoer niet mogelijk is vanuit [A] naar Leeuwarden, zodat de vergoeding voor de reiskosten € 20,40 bedraagt (3 maal € 6,80 tarief openbaar vervoer per NS tweede klas). Overige kosten zijn door eiseres niet gesteld en zijn de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag lijkbezorgingsrechten tot € 30 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 20,40;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, mr. A.I. van Amsterdam en mr. T. Tanghe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Boskma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2011.

w.g. E. Boskma

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.