Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BR6399

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/548
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatgevende arbeid in de zin van artikel 19 Ziektewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/548

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: S. Borger, werkzaam bij CNV Dienstenbond te Drachten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ingetrokken, met ingang van 6 december 2010. Bij besluit van 20 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Namens eiser is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2011. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1 De rechtbank baseert zich bij haar oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

1.2 Eiser is in dienst van Vroom & Dreesmann Warenhuizen B.V. (V & D) in Leeuwarden met ingang van 9 september 1996 voor 35 uur per week, gedurende vier dagen per week. Eiser was werkzaam als chauffeur. Eerst gedurende vier dagen per week en daarna gedurende één dag per week; de rest van de werkzaamheden bestond uit laden en lossen van vrachtauto's en het verrichten van hand- en spandiensten.

1.3 Daarnaast heeft eiser een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet (WW) voor 9,5 uur per week. Eiser heeft als chauffeur gewerkt via uitzendbureaus (laatstelijk via Randstad Uitzendbureau B.V.) op zaterdagen, gedurende 9,5 uur per week.

1.4 Eiser heeft last van de verwijdering van zijn staartbotje. Hij kan niet goed en langdurig zitten, lopen en tillen. Eiser heeft zich vanwege deze klachten in het verleden regelmatig ziek gemeld.

1.5 Op 27 december 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verweerder heeft echter geweigerd deze uitkering toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Vervolgens is aan eiser genoemde WW-uitkering toegekend. De functies die aan eiser zijn voorgehouden bij het besluit tot weigering van de door hem verzochte WIA-uitkering, per 6 april 2008, zijn de functies van bodebezorger (Sbc-code 315140), samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140), elektronica monteur (Sbc-code 267040), productiemedewerker (Sbc-code 111180) en parkeercontroleur (Sbc-code 342022).

1.6 Op 9 maart 2010 heeft eiser zich laatstelijk ziek gemeld vanuit de WW. Bij besluit van 25 maart 2010 is hij hersteld verklaard voor werk als samensteller (geduide functie in het kader van de WIA-beoordeling), met ingang van 29 maart 2010. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is door verweerder gegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 19 mei 2010 is eiser alsnog, per 29 maart 2010, ongeschikt verklaard voor 'zijn arbeid'. De uitkering op grond van de ZW is vervolgens gecontinueerd.

1.7 Vanaf 6 juni 2010 kon eiser zijn werkzaamheden bij V & D niet meer volhouden. Hij is toen in het distributiecentrum gaan werken. Hij volgt thans een re-integratietraject in het kader van de Wet verbetering poortwachter. Hij werkt 20 uur in het distributiecentrum en heeft zich voor de overige 15 uur ziek gemeld.

1.8 Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder de aan eiser toegekende ZW-uitkering ingetrokken per 6 december 2010, omdat eiser met ingang van die datum geschikt is geacht om zijn werk als distributiemedewerker voor 20 uur per week te verrichten en voor de overige 24,57 uur ten minste één van de geduide functies in het kader van de WIA-beoordeling van 6 april 2008 uit te voeren.

1.9 Het tegen dit besluit gerichte bezwaar van eiser is in het bestreden besluit door verweerder ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een herbeoordeling van de medische aspecten door de bezwaarverzekeringsarts.

Geschil

2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit op bezwaar op onzorgvuldige gronden is genomen omdat er geen informatie is ingewonnen bij de behandelend arts.

2.2 Daarnaast is eiser van mening dat het bestreden besluit betrekking heeft op de 9,5 uur als uitzendkracht (WW-deel) en niet op de uren waarvan eiser is uitgevallen bij V & D.

2.3 Verweerder voert aan dat terecht en op goede gronden is besloten de uitkering op grond van de ZW in te trekken.

Beoordeling van het geschil

3.1 In dit geding moet de rechtbank beoordelen of verweerder terecht heeft besloten de ZW-uitkering van eiser in te trekken. De vraag die in dit verband beantwoord moet worden is wat onder 'zijn arbeid' moet worden verstaan.

3.2 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld.

3.3 Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet onder 'zijn arbeid' in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.4 Bovendien geldt dat bij ziekmelding vanuit de WW in beginsel de laatstelijk voor het ontslag verrichte werkzaamheden als maatgevende arbeid dienen te worden aangehouden.

3.5 In jurisprudentie van de CRvB is tevens bepaald dat, ingeval de betrokkene in het kader van de WIA-beoordeling geschikt is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WIA-functies als 'zijn arbeid' worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk.

3.6 Daarnaast heeft de CRvB in zijn uitspraak van 19 januari 2005 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN AS5738) onder meer overwogen dat voormelde maatstaf niet zonder meer kan worden aangehouden in geval de betrokkene na de WIA-beoordeling in enig werk heeft hervat en hij die arbeid voorafgaande aan de uitval daadwerkelijk verrichtte.

3.7 Voorts geldt dat, indien betrokkene zowel arbeid verricht als een WW-uitkering heeft, de ongeschiktheid per onderdeel wordt beoordeeld. Dit betekent dat voor de werkzaamheden die betrokkene verricht, deze werkzaamheden de maatstaf zijn en voor het deel WW-uitkering de aan die uitkering voorafgaande arbeid de maatstaf is of de laatstelijk voor de ziekmelding geduide functies in het kader van de WIA-beoordeling. Dat kan betekenen dat betrokkene meerdere rechten naast elkaar heeft of voor één functie wel en voor een andere functie niet ongeschikt is. Bij de beoordeling van de ongeschiktheid voor het WW-deel dient rekening te worden gehouden met het feit dat betrokkene ook nog andere werkzaamheden verricht. Is betrokkene wel geschikt voor het werk dat als maatstaf voor de WW-uitkering dient, maar niet in combinatie met de daadwerkelijk verrichte functie, dan is betrokkene ook voor het WW-deel ongeschikt.

3.8 De rechtbank stelt vast dat eiser voor 9,5 uur per week niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt. Derhalve is de rechtbank van mening dat voor het WW-deel de geduide functies in het kader van de afgewezen WIA-beoordeling als maatgevende arbeid moeten worden aangehouden.

3.9 Voor de overige 35 uur geldt dat eiser na de WIA-beoordeling heeft hervat bij zijn werkgever V & D in de functie van chauffeur. Vaststaat dat op het moment van de laatste ziekmelding (op 9 maart 2010) eiser gedurende één dag per week als chauffeur werkte en dat de overige werkzaamheden bestonden uit het laden en lossen van vrachtauto's en het verrichten van hand- en spandiensten. Naar het oordeel van de rechtbank dienen in beginsel deze werkzaamheden te gelden als eisers arbeid voor 35 uur per week.

3.10 In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat als maatgevende arbeid moet worden aangemerkt het door eiser verrichte werk voor 20 uur per week in het distributiecentrum van V & D (werkzaamheden die eiser na de laatste ziekmelding is gaan verrichten) in combinatie met de in het kader van de WIA geselecteerde functies voor 24,57 uur per week. Volgens de verzekeringsarts, in het primaire besluit, is eiser geschikt voor deze combinatie van werkzaamheden. De rechtbank kan verweerder hierin echter niet volgen. De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken vast dat eiser op de hier aan de orde zijnde beoordelingsdatum, 9 maart 2010, (nog) niet werkzaam was als distributiemedewerker. Aangezien eiser zijn werkzaamheden in het distributiecentrum derhalve niet voorafgaand aan de uitval verrichtte, kunnen deze werkzaamheden niet gelden als arbeidsmaatstaf. (Zie de CRvB in zijn uitspraak van 19 januari 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN AS5738). De namens verweerder in het geding gebrachte uitspraak van de CRvB van 14 mei 2008 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN BD1910) ziet ook in deze zin op een andere situatie, namelijk dat betrokkene in die zaak, in tegenstelling tot eiser in onderhavige procedure, voor de laatste ziekmelding had hervat in werkzaamheden (en deze voorafgaand aan de uitval ook daadwerkelijk had verricht), die in een later stadium als maatgevende arbeid zijn aangemerkt.

3.11 In deze zaak is eiser pas na de laatste ziekmelding vanuit de WW in het distributiecentrum van V & D gaan werken. Gelet hierop is het in het bestreden besluit vervatte oordeel, dat eiser geschikt is geacht om zijn werk als distributiemedewerker voor 20 uren per week te verrichten en voor de overige 24,57 uur ten minste één van de geduide functies in het kader van de WIA-beoordeling van 6 april 2008 uit te voeren, naar de mening van de rechtbank niet juist.

3.12 Verder blijkt uit het besluit op bezwaar van 19 mei 2010 dat eiser ongeschikt is voor 'zijn arbeid' vanwege de combinatie van zijn werk bij V & D met de WW-uren. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 18 mei 2010 staat immers dat 'zolang betrokkene niet weer de volledige 35 uur per week bij zijn werkgever V & D aan de slag is, hij de WW-uren er niet bij kan hebben, ondanks dat hij daar in zit voor minder zwaar werk (zowel qua zitten als qua duwen en trekken en tillen en dragen)'. In onderhavig geval staat vast dat eiser thans slechts 20 uur als distributiemedewerker bij V & D werkzaam is en de overige 15 uur ziek is en derhalve zijn werkzaamheden bij V & D nog niet weer volledig heeft hervat.

3.13 Gelet op genoemde jurisprudentie, over de combinatie van functies, dient naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de beslissing op basis van artikel 19 ZW de belasting van alle voor eiser in aanmerking komende arbeid te worden meegewogen. Voor eiser geldt derhalve dat de combinatie van de functies had moeten worden beoordeeld.

3.14 Noch uit het bestreden besluit, noch uit de thans voorhandende zijnde onderliggende stukken, zoals het rapport van de verzekeringsarts en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, is naar de mening van de rechtbank gebleken dat de combinatie van eisers functies is beoordeeld, zodat op deze grond moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Daar komt nog bij dat uit genoemde rapporten niet blijkt aan welke maatstaf arbeid ten aanzien van de werkzaamheden bij V & D is getoetst. Zo merkt de rechtbank op dat er bijvoorbeeld geen werkomschrijving van de werkzaamheden in het distributiecentrum aanwezig is.

4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Met inachtneming van deze uitspraak dient verweerder een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5. Gelet op bovenstaande komt de rechtbank aan de beoordeling van de medische grondslag van het bestreden besluit niet meer toe.

Proceskosten

6. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 874,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift: één punt; verschijnen ter zitting: één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; vermenigvuldigen met factor 1; waarde per punt € 437,--).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 41,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. A. Schwartz, rechter, in tegenwoordigheid van T. Hoekstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2011.

w.g. T. Hoekstra

w.g. A. Schwartz

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.