Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5624

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
361415 \ CV EXPL 11-3243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak: kort geding. Leerarbeidsovereenkomst met verplichting voor werkgever om de leerling die slaagt een baan aan te bieden. Werkgever verplicht tot naleving van deze contractuele bepaling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2011/249
JAR 2011/249
RAR 2012/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 361415 \ CV EXPL 11-3243

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 17 augustus 2011

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J.S. Mennega,

tegen

De besloten vennootschap Koga B.V.,

hierna te noemen: Koga,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma.

Procesverloop

1. [eiser] heeft Koga gedagvaard voor de zitting van 3 augustus 2011 en op de bij exploot vermelde gronden gevorderd bij wijze van voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad Koga te veroordelen:

a. tot tewerkstelling van [eiser] in de functie van monteur/montagemedewerker op de gebruikelijke voorwaarden binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Koga na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

b. tot betaling van het salaris van € 1.973,- bruto c.a. per maand met ingang van 1 juli 2011 en totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

c. tot betaling van de wettelijke verhoging over het salaris betreffende juli 2011;

d. tot betaling van de wettelijke rente over het salaris betreffende juli 2011 ingaande 1 augustus 2011;

met veroordeling van Koga in de proceskosten.

De mondelinge behandeling is gehouden op 3 augustus 2011. Van het verhandelde zijn aantekeningen gemaakt. Koga heeft voorafgaand aan de zitting producties in het geding gebracht. Beide gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënt(e) toegelicht aan de hand van pleitnotities, de gemachtigde van [eiser] onder overlegging van producties.

Vervolgens is vonnis bepaald.

Motivering

2. In deze procedure geldt - voor zover van belang - het volgende als vaststaand.

2.1. [eiser] is op 1 september 2009 bij Koga in dienst getreden als leerling-monteur op basis van een leerarbeidsovereenkomst (hierna te noemen de overeenkomst) voor de duur van de Beroepspraktijkvormingsovereenkomst van de opleiding Fietstechnicus aan het Friesland College, MBO Vervoer en Logistiek, zijnde tot 1 juli 2011. [eiser] heeft zijn werkzaamheden verricht op de bedrijfsschool van Koga, tegen een salaris van laatstelijk

€ 1.331,83 bruto per maand.

2.2. Artikel 14 van de overeenkomst luidt:

"De werkgever zal de Leerling-werknemer die voor de opleiding is geslaagd aansluitend aan de leerarbeidsovereenkomst een arbeidscontract voor onbepaalde tijd aanbieden. Indien de werkgever deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet redelijkerwijs in de eigen onderneming kan aanbieden, zal de werkgever in overleg met de werknemer zorg dragen voor de aanbieding van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een andere werkgever in de sector.".

2.3. De toenmalige gemachtigde van [eiser], mevr. mr. Oosting van het Juridisch Platform (hierna te noemen Oosting), heeft bij brief van 20 januari 2011 aan de gemachtigde van Koga bericht: "Cliënt kan zich neerleggen bij de beslissing van Koga de arbeidsovereenkomst niet te verlengen voor onbepaalde tijd na 1 juli 2011. (…). Cliënt gaat er in dit verband vanuit dat uw cliënte conform artikel 14 van de leerarbeidsovereenkomst in overleg met de werknemer zal zorgdragen voor een aanbieding van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een andere werkgever in de sector.".

2.4. Bij brief van 26 januari 2011 heeft Oosting aan Koga bericht: "Cliënt heeft inmiddels duidelijk begrepen dat u hem niet geschikt acht voor de montage en er om deze reden geen plek meer voor hem is bij Koga. Cliënt kan zich, ondanks het feit dat hij ongeschiktheid voor de functie betwist, erbij neerleggen dat zijn toekomst niet bij Koga ligt, mits Koga zich aan de verplichting houdt elders een dienstbetrekking voor cliënt te verwerven."

2.5. [eiser] is op 28 juni 2011 voor zijn opleiding geslaagd.

2.6. Koga heeft [eiser] geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden, noch heeft zij zorggedragen voor aanbieding van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een andere werkgever in de sector.

De standpunten van partijen

3. [eiser] stelt zich op het standpunt dat Koga artikel 14 van de overeenkomst dient na te komen en hem een vaste baan dient aan te bieden. Deze bepaling is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Niet is aannemelijk gemaakt dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan [eiser] een vaste arbeidsovereenkomst binnen de onderneming aan te bieden. [eiser] betwist dat hij te vaak ziek is en dat hij niet binnen het team past en/of niet geschikt zou zijn voor werkzaamheden in de montage. Hij verwijst daarbij naar de door Koga opgemaakte beoordelingsformulieren. [eiser] maakt daarom aanspraak op tewerkstelling in de functie van monteur/montagemedewerker tegen betaling van het hem toekomende salaris van € 1.973,- bruto, overeenkomstig het startsalaris voor de functie van monteur in schaal D van de Overeenkomst Bedrijfsloonsysteem ISF van Koga.

4.1. Koga heeft de vordering betwist. Zij stelt dat er voor toewijzing van de vordering tot tewerkstelling en betaling van loon geen plaats is, nu er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat.

4.2. Voorts heeft Koga aangevoerd dat [eiser] in 2010 enkele malen onderhouden is over zijn functioneren. Ter onderbouwing daarvan heeft Koga een memo overlegd die in het najaar van 2010 aanleiding is geweest voor een gesprek met [eiser]. Op 16 december 2010 heeft een eindejaarsgesprek plaatsgevonden over de voortgang van de opleiding. Die voortgang was goed. Tegelijkertijd heeft Koga aangegeven dat zij [eiser] niet geschikt achtte als werknemer op de montageafdeling omdat [eiser] een solist was, die bij voorkeur zijn eigen gang ging, en omdat [eiser] niet of nauwelijks gemotiveerd was. Koga heeft bij brief van 19 januari 2011 aangegeven dat zij [eiser] geen arbeidsovereenkomst zou aanbieden. De toenmalige gemachtigde van [eiser] heeft bevestigd dat [eiser] zich neerlegde bij de beslissing van Koga om [eiser] na 1 juli 2011 geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. [eiser] heeft echter geen enkel initiatief genomen om elders een dienstbetrekking te bemachtigen.

4.3. Koga zal en kan de verbintenis van artikel 14 van de overeenkomst om [eiser] een vaste baan binnen haar onderneming aan te bieden niet nakomen. Koga beroept zich in dat kader op de contractsvrijheid. Dit betekent, zo stelt Koga, dat zij schadeplichtig zal zijn en dat [eiser] de verplichting heeft om die schade zoveel mogelijk te beperken. In dat kader had van hem verwacht mogen worden dat hij zich zou hebben ingespannen om ander werk te vinden. Dit heeft hij volgens Koga onvoldoende gedaan.

De beoordeling

5. De kantonrechter is van oordeel dat met de aard van de vordering de spoedeisendheid is gegeven.

6. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt in de vordering van [eiser] tot tewerkstelling en loonbetaling besloten dat hij nakoming van artikel 14 van de overeenkomst vordert. [eiser] vordert weliswaar niet dat Koga hem een arbeidsovereenkomst aanbiedt, maar hij vordert wel nakoming van de feitelijke uitvoering daarvan. Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser] dan ook ontvankelijk in zijn vordering.

7. Koga heeft zich door ondertekening van de overeenkomst van 1 juli 2009 verplicht om [eiser] aansluitend aan die overeenkomst een arbeidscontract voor onbepaalde tijd aan te bieden. Voor zover Koga heeft bedoeld te betogen dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht om nakoming te vorderen door zich neer te leggen bij de beslissing van Koga om hem geen contract aan te bieden, overweegt de kantonrechter dat dit verweer niet op gaat. Uit de correspondentie blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat [eiser] niet heeft afgezien van zijn recht om nakoming van artikel 14 van de overeenkomst te verlangen, doch zich slechts heeft neergelegd bij die beslissing van Koga, onder voorwaarde dat Koga, eveneens conform artikel 14, zich hield aan haar verplichting om elders een vaste dienstbetrekking voor [eiser] te verwerven. Nu Koga niet heeft zorggedragen voor de aanbieding aan [eiser] van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een andere werkgever in de sector, kan haar verweer dat [eiser] heeft afgezien van een baan bij Koga niet slagen. Dat Koga wel gepoogd heeft daarbij te bemiddelen, maakt dit niet anders.

8. Derhalve dient te worden beoordeeld of er sprake is van een situatie waarbij Koga redelijkerwijs geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan [eiser] kan aanbieden. Koga stelt dat zij [eiser] geen arbeidsovereenkomst kan aanbieden, omdat [eiser] niet geschikt is voor een baan als monteur bij Koga. Volgens haar kan daarom redelijkerwijs niet van haar gevergd worden [eiser] een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Nog daargelaten of artikel 14 van de overeenkomst wel de mogelijkheid openlaat dat Koga niet verplicht is om de leerling-werknemer een arbeidscontract aan te bieden indien zij van oordeel is dat deze onvoldoende gemotiveerd is en ongeschikt is om binnen het team van monteurs te werken, heeft Koga naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij haar toezegging nakomt. Koga verwijst weliswaar naar een memo over het functioneren van [eiser], maar deze ongedateerde summiere memo levert onvoldoende onderbouwing op voor de stelling dat Koga redelijkerwijs geen arbeidsovereenkomst aan [eiser] aan kan bieden. Bovendien heeft [eiser] de gestelde strekking van de memo, die volgens hem uit 2009 dateert, betwist. Nadere stukken over de gestelde ongemotiveerdheid en ongeschiktheid ontbreken. Daarentegen heeft [eiser] beoordelingsformulieren in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zijn functioneren, waaronder zijn persoonlijke kwaliteiten zoals inzet en motivatie, als goed werden beoordeeld. Koga heeft in dat kader nog aangevoerd dat deze beoordelingen zijn gegeven in het kader van de opleiding tot fietstechnicus op de bedrijfsschool van Koga, maar daarmee miskent Koga dat deze werkzaamheden niet alleen dienen voor het behalen van het diploma, maar dat zij zich tevens heeft verplicht om degenen die op basis van een leerarbeidsovereenkomst bij haar werkzaam zijn, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Dit brengt met zich mee dat Koga er zorg voor dient te dragen dat de leerlingen zodanig worden opgeleid dat zij ook daadwerkelijk inzetbaar zijn binnen de onderneming van Koga. Dat de tekst van artikel 14 gebaseerd is op de CAO in de Metaalelektro inzake Arbeidsmarkt en Opleiding 2008-2010 maakt dit niet anders. Koga heeft voor deze overeenkomst getekend en dient haar verplichtingen uit die overeenkomst dan ook na te komen.

9. Koga beroept zich op haar contractsvrijheid ter zake het aanbieden van een baan aan [eiser]. Koga gaat er echter aan voorbij dat zij zich in artikel 14 van de overeenkomst daartoe reeds heeft verplicht. Koga wenst die verplichting echter niet na te komen. Anders dan Koga meent, zal dit zich niet dienen te vertalen in een schadevergoeding. [eiser] heeft immers de keuze om hetzij nakoming te vorderen, hetzij schadevergoeding. In het onderhavige geval vordert [eiser] nakoming. Het is niet aan Koga om vervolgens te bepalen dat zij in plaats van de overeenkomst na te komen de door [eiser] geleden en te lijden schade wenst te vergoeden. Of [eiser] al dan niet voldoende inspanningen heeft verricht om zijn schade te beperken doet derhalve niet ter zake.

10.1. Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter de vordering van [eiser] om Koga te veroordelen hem te werk te stellen in de functie van monteur/montagemedewerker toewijzen. De kantonrechter gaat er derhalve vanuit dat Koga haar verplichting uit artikel 14 van de overeenkomst nakomt en [eiser] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanbiedt.

10.2. Ten aanzien van het door [eiser] gevorderde salaris overweegt de kantonrechter als volgt. Op dit moment bestaat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst. zodat [eiser] geen aanspraak kan maken op salarisbetaling. Weliswaar had Koga aansluitend aan de overeenkomst een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden, maar nu zij dit niet heeft gedaan, kan [eiser] geen salaris vorderen. Daar staat tegenover dat [eiser] ook geen arbeid heeft verricht. Ten aanzien van de hoogte van het salaris overweegt de kantonrechter dat het tot de contractsvrijheid van partijen behoort om hierover afspraken te maken, welke afspraken in het kader van de aan te bieden arbeidsovereenkomst dienen te worden gemaakt.

10.3. Gelet op de tussen partijen te maken afspraken, zal de kantonrechter de termijn van tewerkstelling vast stellen op acht dagen. Hieraan zal een dwangsom worden verbonden van

€ 500,- voor iedere werkdag dat Koga hiermee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 12.500,-.

11. De door [eiser] gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente over de maand juli 2011 zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.

12. Koga zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

verstaat dat Koga [eiser] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zal aanbieden;

veroordeelt Koga om [eiser] binnen acht dagen na betekening van dit vonnis te werk te stellen in de functie van monteur/montagemedewerker op de gebruikelijke voorwaarden en tegen een nader overeen te komen salaris, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,- per werkdag dat Koga hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 12.500,-;

veroordeelt Koga in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 500,- wegens salaris en € 172,81 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 41