Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5465

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
AWB 10/863
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen waardedruk wegens duurzame zelfbewoning omdat paardenstal en jongveestal weliswaar voor privé-doeleinden (hobby) worden gebruikt, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet hetzelfde als het min of meer duurzaam voor woondoeleinden gebruiken. Daarvoor is volgens de rechtbank vereist dat de opstal dient als woning, danwel dat deze dienstbaar is aan het feitelijk wonen. De rechtbank oordeelt dat dit ten aanzien van de paardenstal en de jongveestal niet het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2125
V-N 2011/50.26.34
FutD 2011-2032
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 10/863

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde [gemachtigde eiser],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H.56) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 234.440 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.892. Gelijktijdig met deze aanslag heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 12.661 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 april 2010 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 15 juni 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2010 te Leeuwarden.

Namens eiser en verweerder zijn hun gemachtigden verschenen.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Bij brief van 6 december 2010 heeft de rechtbank het ter zitting gesloten onderzoek heropend, omdat de rechtbank is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Eiser en verweerder hebben gezamenlijk een nader stuk ingediend, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser dreef een agrarische onderneming in maatschapsverband met zijn broer [broer]. In 2003 is de maatschap ontbonden, waarna eiser de onderneming in de vorm van een eenmanszaak heeft voortgezet. Per 31 december 2005 heeft eiser deze onderneming gestaakt. In verband met de staking van de onderneming zijn de tot het bedrijfsvermogen behorende zaken overgegaan naar eisers privévermogen.

1.2 Tot het ondernemingsvermogen behoorden onder meer de volgende bedrijfsopstallen:

bedrijfsopstallen

De bedrijfsopstallen behoren tot een complex van onroerende zaken.

1.3 Het achterhuis werd tot 2002 ten behoeve van de onderneming als stalling voor melkvee gebruikt. Vanaf 2002 tot en met 2005 is het achterhuis in ieder geval ook gebruikt als stalling voor fietsen en een gazonmaaier van eiser. In 2003 en gedeeltelijk in 2004 werd het achterhuis tevens gebruikt voor de stalling van antieke werktuigen, die eiser hobbymatig houdt. In 2004 zijn deze antieke werktuigen overgebracht naar de jongveestal.

1.4 De jongveestal is in de loop van 2004 in gebruik genomen als opslagplaats voor de door eiser hobbymatig gehouden antieke werktuigen (1.3). Tot dit tijdstip is de jongveestal nog (gedeeltelijk) in het agrarische bedrijf gebruikt.

1.5 De paardenstal werd al jaren voorafgaand aan het stakingsmoment gebruikt voor het (uitsluitend) houden van de privépaarden van eiser.

1.6 Op 29 maart 2007 is namens eiser zijn aangifte IB/PVV 2005 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.240 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.892. In dit belastbaar inkomen uit werk en woning is bergepen de winst die eiser realiseert bij overbrenging van de tot het ondernemingsvermogen behorende opstallen naar privé. Op de bedrijfsopstallen (zie 1.2) is een waardedruk wegens zelfbewoning toegepast van 35% op basis van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 april 2006, CPP2005/3339M (later vervangen door het besluit van 4 juli 2007, CPP2007/521M en het besluit van 31 augustus 2009, CPP2009/1092M) (hierna: het besluit).

1.7 Verweerder heeft binnen drie maanden na het indienen van de aangifte IB/PVV 2005 een voorlopige aanslag opgelegd.

1.8 In zijn brief van 12 januari 2009 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen af te wijken van de aangifte IB/PVV 2005 kenbaar gemaakt. Verweerder is van mening dat op de bedrijfsopstallen onder 1.2 geen waardedruk wegens zelfbewoning kan worden toegepast.

1.9 Met dagtekening 12 maart 2009 heeft verweerder aan eiser de definitieve aanslag IB/PVV 2005 opgelegd, waarbij verweerder de aanslag, in afwijking van de aangifte IB/PVV als volgt heeft vastgesteld:

definitieve aanslag IB/PVV 2005

Gelijktijdig met deze aanslag heeft verweerder € 12.661 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of bij de bepaling van de stakingswinst bij de waardering van het achterhuis, de jongveestal en de paardenstal inclusief ondergrond rekening mag worden gehouden met een waardedrukkende factor wegens zelfbewoning.

2.2 Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt dat genoemde bedrijfsopstallen met ondergrond op het moment van staking min of meer voor woondoeleinden werden gebruikt (HR 25 april 2008, nr. 43.995, BNB 2008/174). Onder min of meer voor woondoeleinden gebruiken dient zijns inziens eveneens te worden verstaan het privégebruik zoals opslag en stalling van een verzameling antieke werktuigen en stalling van hobbymatig in privé gehouden paarden. Eiser bestrijdt dat de jongveestal in het zicht van de staking voor niet-zakelijke doeleinden in gebruik is genomen. Anderhalf jaar kan niet als kort voor de stakingsdatum worden gezien. Voor wat betreft de paardenstal stelt eiser voorts dat ook voor belastingplichtigen zonder bedrijf niet in geschil is dat een paardenstal bij de woning kwalificeert als (aanhorigheid van de) eigen woning en daarop het eigenwoningforfait ex artikel 3.112 Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, ondanks het feit dat de belastingplichtige niet in de paardenstal zal wonen. Eiser stelt daarnaast dat de heffingsrente dient te worden beperkt tot maximaal drie maanden na het indienen van de aangifte IB/PVV 2005. De heffingsrente dient naar eisers mening te worden beperkt tot € 7.784.

2.3 Verweerder beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag ontkennend en stelt dat de genoemde bedrijfsopstallen niet min of meer duurzaam voor woondoeleinden werden gebruikt op het stakingstijdstip. Min of meer duurzaam voor woondoeleinden gebruiken is naar zijn mening niet synoniem aan privégebruik. Het enkele stallen van een fiets of gazonmaaier in het achterhuis leidt er niet toe dat sprake is van gebruik voor woondoeleinden. Wel is dan sprake van gemengd zakelijk en niet-zakelijk gebruik. Het achterhuis was ten tijde van de staking in vrijwel de oorspronkelijke staat. Het was ingericht als grupstal, met een lage zolder en een gedeeltelijke roostervloer. Het achterhuis werd op bescheiden schaal gebruikt voor privéopslag. Het achterhuis werd niet bewoond en was niet voor bewoning geschikt. Verweerder is ten aanzien van de jongveestal van mening dat het op min of meer museale wijze ten toon stellen van oude werktuigen niet kan worden vereenzelvigd met het gebruiken voor woondoeleinden. In het zicht van staking is de jongveestal voor niet-zakelijke doeleinden in gebruik genomen. De paardenstal kan zijns inziens eveneens niet worden aangemerkt als zijnde bestemd voor woondoeleinden, ook niet als deze stal zich in de nabijheid van de woning bevindt. Verweerder maakt de vergelijking met een garagebox een aantal straten van de woning gelegen, die naar het spraakgebruik niet zal worden gezien als een onderdeel van de woning of als bestemd zijnde voor woondoeleinden. Verweerder stelt dat de beperking van de heffingsrente tot drie maanden volgens het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, LJN: BJ8524 niet geldt in een situatie als deze. Verweerder heeft binnen drie maanden na het indienen van de aangifte IB/PVV een voorlopige aanslag opgelegd. De in geschil zijnde heffingsrente volgt uit de aangebrachte correcties.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat het achterhuis, de jongveestal en de paardenstal aanhorigheden van de eigen woning van eiser zijn.

2.5 Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.780 en een beschikking heffingsrente van € 7.784.

2.6 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.7 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 In het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2008, nr. 43.995, BNB 2008/174, heeft de Hoge Raad het volgende geoordeeld: “Bij een waardering als complex wordt van de desbetreffende onroerende zaken de waarde bepaald met als uitgangspunt dat deze na de beste voorbereiding als één geheel worden verkocht aan de meest biedende partij, die de onroerende zaken vervolgens direct en in volle omvang in gebruik kan nemen. Deze complexwaarde wordt bepaald ingeval de verkoop van de onroerende zaken als complex meer opbrengt dan de verkoop van de afzonderlijke onderdelen. Gelijk de Hoge Raad heeft beslist in onder meer zijn arrest van 18 november 1959, nr. 14 109, BNB 1960/4, en zijn arrest van 13 november 1996, nr. 31 491, BNB 1997/10, is min of meer duurzame zelfbewoning een omstandigheid welke de waarde in het economische verkeer van een woning kan beïnvloeden en waarmee derhalve bij het bepalen van die waarde rekening dient te worden gehouden. Ingeval een woning als zojuist bedoeld behoort tot een complex van onroerende zaken dat als zodanig wordt gewaardeerd, is er slechts reden voor het in aanmerking nemen van min of meer duurzame zelfbewoning bij die tot het complex behorende onroerende zaken die op het moment van staking van de onderneming min of meer duurzaam voor woondoeleinden werden gebruikt.”.

3.2 Voor de beantwoording van de vraag of bij de bepaling van de stakingswinst rekening mag worden gehouden met een waardedrukkende factor wegens zelfbewoning op het achterhuis, de jongveestal en de paardenstal, moet derhalve beoordeeld worden of op het moment van staking voor deze objecten sprake is van min of meer duurzame zelfbewoning. Daarbij overweegt de rechtbank in algemene zin dat bij complexen als de onderhavige uitsluitend in dat geval een waardedruk wegens zelfbewoning dient te worden toegepast. De rechtbank deelt dan ook niet eisers opvatting dat het moet gaan om ‘min of meer voor woondoeleinden gebruiken’, maar benadrukt dat het criterium luidt 'min of meer duurzaam voor woondoeleinden gebruiken’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft daarbij te gelden dat het gebruiken voor privé-doeleinden niet hetzelfde is als het min of meer duurzaam gebruiken voor woondoeleinden. Bij woondoeleinden gaat het naar het oordeel van de rechtbank om de vraag of de opstal tot woning dient danwel dienstbaar is aan het feitelijk wonen.

3.3 Op eiser rust de last om aannemelijk te maken dat op het moment van staking het achterhuis, de jongveestal en de paardenstal min of meer duurzaam voor woondoeleinden gebruikt worden.

3.4 Ten aanzien van het achterhuis heeft eiser gesteld dat deze in 2002 voor het laatst voor de onderneming is gebruikt. Verweerder heeft dit gemotiveerd betwist en heeft tevens foto's bijgevoegd van het achterhuis. Op deze foto's staan een veekar, en een betonmolen afgebeeld die volgens verweerder tot de bedrijfsuitoefening behoren. Uit de foto's blijkt eveneens dat de stal zich nog in vrijwel oorspronkelijke staat bevindt met een grotendeels intacte houten palenafscheiding voor het vee inclusief drinktroggen, een lage zolder en een gedeeltelijke roostervloer. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat het achterhuis nog was ingericht als stal, en daarmee naar aard en inrichting niet specifiek is ingericht voor woondoeleinden. Het stallen van diverse zaken als een grasmaaier en een fiets heeft weliswaar een privé-element in zich, echter gelet op het feit dat in deze ruimte ook zaken zijn gestald waarvan de rechtbank het aannemelijk acht dat deze op het moment van staken dienstbaar waren aan de bedrijfsuitoefening, maakt dat deze opstal niet duurzaam (exclusief) voor woondoeleinden wordt gebruikt.

3.5 Ten aanzien van de jongveestal overweegt de rechtbank het volgende. In de loop van 2004 werd de jongveestal niet meer gebruikt voor het stallen van vee omdat het vee door eiser is verkocht. Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat sprake is van gewijzigd gebruik vooruitlopend op het uiteindelijke stakingsmoment. Het stakingsmoment is 31 december 2005, circa anderhalf jaar ná de gewijzigde ingebruikname. Dit neemt niet weg, dat het gewijzigde gebruik samenhangt met de voorgenomen staking. Het is een onderdeel van het afbouwen van de ondernemingsactiviteiten, ten gevolge waarvan de jongveestal niet meer in de onderneming wordt gebruikt, maar beschikbaar kwam voor een andere aanwending. De privébeslissing om de jongveestal te gaan gebruiken als opslagplaats voor de door eiser hobbymatig gehouden antieke werktuigen, maakt nog niet dat de jongveestal voor woondoeleinden wordt gebruikt. De jongveestal kan apart van het woonhuis en op andere wijze worden gebruikt zonder dat het woongenot daarmee anders dan in ondergeschikte mate wordt beperkt. De rechtbank ontleent steun voor deze opvatting aan Gerechtshof Leeuwarden 16 januari 2009, nr. 147/07, LJN BH03 ,V-N 2009/18.1.1 en Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 juni 2007, nr. 06/00144, LJN BB5976, V-N 2007/55.18. Daarmee is de jongveestal niet dienstbaar aan het feitelijk wonen en is voor het in aanmerking nemen van enige waardedruk vanwege zelfbewoning op de jongveestal naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding.

3.6 Ten aanzien van de paardenstal overweegt de rechtbank als volgt. De paardenstal, die los ligt van de woning, wordt al langere tijd voor het houden van privépaarden van eiser gebruikt (1.5). De rechtbank overweegt dat, ook al zou de paardenstal na het stakingsmoment als aanhorigheid van de woning moeten worden beschouwd in het kader van de eigenwoningregeling, dat op zichzelf onvoldoende is om een waardedruk wegens zelfbewoning in aanmerking te nemen. De paardenstal, die in het verleden is gebruikt in de onderneming, heeft door eiser een aanwending gekregen ten behoeve van (tot zijn privé vermogen behorende) paarden. Dat maakt echter nog niet dat de paardenstal daarmee min of meer duurzaam voor woondoeleinden bestemd is en slechts om die reden kan, bij een tot een complex behorende opstal dat ook als onderdeel van het complex is gewaardeerd, een waardedruk wegens zelfbewoning in aanmerking genomen worden. Ook voor de paardenstal geldt dat deze apart en op andere wijze kan worden gebruikt zonder dat het woongenot daarmee anders dan in ondergeschikte mate wordt beperkt. Daarmee is de paardenstal niet dienstbaar aan het feitelijk wonen en is er derhalve geen reden om een waardedruk wegens zelfbewoning op de paardenstal toe te passen.

3.7 Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 30f van de AWR blijkt van een beleid van de belastingdienst om binnen drie maanden na de indiening van de aangifte IB/PVV in elk geval een voorlopige aanslag IB/PVV vast te stellen. Indien een inspecteur niet handelt in overeenstemming met deze gedragslijn, verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat die inspecteur meer heffingsrente in rekening brengt dan in een geval waarin hij die gedragslijn wel volgt (zie HR 25 september 2009, nr. 07/13362, BNB 2009/295). Indien de inspecteur voor het opleggen van een definitieve aanslag nader onderzoek instelt kan dat ertoe leiden dat aan het licht komt dat de aangifte een onjuistheid bevat. De correctie van een onjuistheid, zoals de verweerder in het onderhavige geval heeft gedaan, leidt dan tot het berekenen van heffingsrente over het bedrag van de correctie. De stelling van eiser, dat de heffingsrente beperkt dient te worden tot drie maanden na het indienen van de aangifte IB/PVV, berust op een onjuiste lezing van voornoemd arrest van de Hoge Raad. De in rekening gebrachte heffingsrente is een gevolg van de omstandigheid dat eiser een onjuiste aangifte IB/PVV heeft gedaan (zie ook HR 25 februari 2011, nr. 09/03966, V-N 2011/13.12).

3.8 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2011.

w.g. T.L. Gaarman-Jonkers

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.