Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5463

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
352024 CV EXPL 11-1748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Telefonische overenkomst. Vordering tot betaling geldsom deels afgewezen. Gezien het grote aantal vragen dat aan de klant is gesteld, oordeelt de kantonrechter dat het tempo van dit gesprek te hoog ligt. Zeker niet onwaarschijnlijk is het immers, dat de klant juist vanwege dat hoge tempo en gelet op het verweer dat een beroep op dwaling inhoudt, de consequenties betreffende de door hem gegeven antwoorden niet, althans niet geheel heeft kunnen overzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 352024 CV EXPL 11-1748

vonnis van de kantonrechter d.d. 17 augustus 2011

inzake

de besloten vennootschap De Nederlandse Energie Maatschappij B.V.,

hierna te noemen: NEM,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr P.L.J.M. Guinée,

tegen

[gedaagde],

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederende in persoon.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft NEM gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 612,44 met rente en kosten.

[gedaagde] heeft bij antwoord de vordering betwist.

Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door NEM zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

Vaststaande feiten

2.1. In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan.

[gedaagde] heeft – in een telefoongesprek op 5 maart 2009, waarvan een gedeelte met toestemming van [gedaagde] op een informatiedrager is vastgelegd – met NEM een overeenkomst gesloten met betrekking tot de levering van energie. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden alsook de productvoorwaarden van NEM toepasselijk.

Uit hoofde van de overeenkomst heeft NEM [gedaagde] gedurende de periode van 10 april tot 15 juni 2009 gas en elektriciteit geleverd. Op laatstgenoemde datum is [gedaagde] overgestapt naar een andere energieleverancier en heeft hij de overeenkomst met NEM beëindigd.

Standpunt NEM

2.2. NEM vordert in dit geding betaling van een bedrag ad € 534,- aan hoofdsom, vermeerderd met rente, tot en met 23 maart 2011 berekend op € 29,24, en met buitengerechtelijke kosten ad € 150,-. NEM baseert haar vordering op de stelling dat [gedaagde] een achterstand heeft laten ontstaan in de betaling van de voorschotbedragen dan wel de afrekeningen.

Bij repliek legt NEM onder meer de hierboven bedoelde informatiedrager over en stelt zij – daarmee tevens reagerend op het verweer van [gedaagde] – het volgende. Uit de geluidsopname blijkt dat duidelijk is aangegeven dat het om het sluiten van een overeenkomst ging en wat de inhoud van die overeenkomst was. Op de hem gestelde relevante vragen geeft [gedaagde] op rustige wijze en op een flink aantal contactmomenten aan dat hij het gestelde heeft begrepen en dat hij daarmee akkoord gaat, meer in het bijzonder met de tarieven. In het verkoopgesprek zijn onder andere aan de orde geweest de duur van de overeenkomst en de annuleringstermijn van 7 dagen. Ook is aangegeven dat [gedaagde] een welkomstpakket zou ontvangen. De aanmelding is op 6 maart 2009 schriftelijk aan [gedaagde] bevestigd en daarbij zijn de algemene voorwaarden, de productvoorwaarden en een tarievenblad meegezonden. Van [gedaagde] is geen annulering ontvangen. NEM legt een specificatie over, waaruit blijkt van een openstaand saldo van € 433,20. De in de eindafrekening vermelde voorschotnota's moeten natuurlijk wel door [gedaagde] worden betaald. Dat [gedaagde] maandelijks meer aan NEM betaalde dan aan zijn vorige energieleverancier wordt door NEM betwist. De voorschotbedragen worden aan de hand van historisch verbruik en het standaard jaarverbruik vastgesteld. Uitgegaan is van geschatte meterstanden, omdat [gedaagde] geen meterstanden heeft opgegeven. De overeenkomst is door [gedaagde] vroegtijdig opgezegd. NEM heeft [gedaagde] daarom een redelijke opzegvergoeding in rekening gebracht. [gedaagde] heeft NEM nimmer toestemming gegeven voor automatische incasso; uit de geluidsopname blijkt dat [gedaagde] zou betalen met acceptgiro's.

Standpunt [gedaagde]

2.3. [gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd. Daartoe stelt hij bij antwoord, dat hij door [gedaagde] verkeerd is voorgelicht, omdat hij maandelijks een hoger bedrag moest betalen dan bij zijn vorige energieleverancier, zodat hij heeft gedwaald. Daarover heeft [gedaagde] telefonisch contact met NEM gehad. Het is [gedaagde] niet duidelijk geworden waarom de totaalprijs hoger werd, maar de hem voorgespiegelde besparing is niet gehaald. [gedaagde] is daarom overgestapt naar zijn nieuwe leverancier. Na enkele maanden werd, zonder enig overleg, door NEM automatisch een bedrag van zijn rekening geïncasseerd. [gedaagde] heeft die betaling laten storneren omdat hij veronderstelde dat hij aan zijn verplichtingen jegens NEM had voldaan. Tijdens de contractsperiode hebben periodieke afschrijvingen plaatsgehad, zodat de vordering geen betrekking kan hebben op geleverde energie. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het aan NEM te betalen bedrag zou moeten worden gemaximeerd tot het bedrag dat in een vergelijkbare periode aan zijn huidige energieleverancier is betaald. Volgens [gedaagde] heeft NEM onterecht kosten meegevorderd.

Bij dupliek stelt [gedaagde] nog, dat in het gesprek voorafgaand aan het opgenomen fragment is besproken dat de overeenkomst maandelijks opzegbaar zou zijn. [gedaagde] heeft daarom op de juiste wijze de overeenkomst opgezegd. Ook in de algemene voorwaarden en de productvoorwaarden is te lezen dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd maandelijks opzegbaar is. Volgens [gedaagde] gaat NEM er aan voorbij dat voor een normale consument de tariefopbouw van de energierekening onduidelijk is. Volgens [gedaagde] is het bedrag dat hij nu maandelijks aan energie betaalt met ongeveer 60% gedaald. De kosten zouden in het geheel niet zijn gemaakt als NEM had waargemaakt wat zij beloofde.

Beoordeling

3.1. De kantonrechter stelt voorop, dat hij de door NEM overgelegde geluidsopname heeft beluisterd. Met de inhoud daarvan is hij dus bekend.

3.2. De kantonrechter constateert, dat het bedrag dat NEM bij dagvaarding aan hoofdsom vordert, afwijkt van het in de door haar bij repliek overgelegde specificatie. Als uitgangspunt voor de beoordeling van dit geschil neemt de kantonrechter de betreffende specificatie. Hij gaat er dus van uit dat NEM heeft bedoeld aan hoofdsom een bedrag ad € 433,20 te vorderen.

3.3. Uit vorenbedoelde specificatie kan worden afgeleid, dat NEM [gedaagde] in de eindnota een bedrag ad € 50,- voor aanmaankosten in rekening heeft gebracht.

Aanmaankosten dienen pogingen tot buitengerechtelijke incasso van de vordering. Omdat NEM ook al een bedrag aan buitengerechtelijke kosten vordert, moeten deze aanmaankosten worden geacht te zijn begrepen in het aan buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag. In zoverre kan de hoofdsom dus niet worden toegewezen.

3.4. Het vorenstaande in acht nemend blijft van het in meerbedoelde specificatie genoemde saldo nog € 383,20 aan hoofdsom ter beoordeling over. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

3.5. Het verst strekkende verweer van [gedaagde] tegen de gevorderde hoofdsom rust feitelijk op 2 pijlers. Enerzijds stelt [gedaagde] dat hij heeft gedwaald, kort gezegd omdat NEM hetgeen hem in het telefoongesprek van 5 maart 2009 is voorgespiegeld, niet heeft waargemaakt. Anderzijds is [gedaagde] van mening – althans zo begrijpt de kantonrechter het verweer van [gedaagde] – dat hij een overeenkomst voor onbepaalde tijd met NEM heeft gesloten, zodat deze op grond van de algemene voorwaarden maandelijks opzegbaar is.

Daarnaast is [gedaagde] van mening dat hij maandelijks te veel aan NEM diende te betalen en dat NEM, nadat de overeenkomst was geëindigd, ongevraagd een bedrag van zijn rekening heeft doen afschrijven.

3.6. De stelling van [gedaagde] die erop neerkomt dat hij maandelijks teveel aan NEM diende te betalen wordt door de kantonrechter aldus opgevat, dat [gedaagde] bedoelt te stellen dat de hem in rekening gebrachte voorschotbedragen te hoog waren.

Op de beoordeling van dit geschil kan die stelling echter geen invloed uitoefenen. [gedaagde] heeft onweersproken gelaten de stelling van NEM bij repliek, dat [gedaagde] NEM tijdens de leveringsperiode niet heeft aangegeven dat die voorschotbedragen te hoog zouden zijn. Daarnaast bepalen de algemene voorwaarden van NEM, dat de afnemer de leverancier kan verzoeken het maandelijkse voorschotbedrag aan te passen. Indien [gedaagde] van mening was dat het voorschotbedrag dat door hem moest worden betaald, te hoog was – [gedaagde] heeft deze stelling overigens niet nader onderbouwd – had hij NEM daarop kunnen aanspreken en om wijziging ervan kunnen verzoeken.

3.7. Het verweer van [gedaagde] dat inhoudt dat NEM ongevraagd een bedrag van zijn rekening heeft doen afschrijven, is door NEM bij repliek gemotiveerd weerlegd. [gedaagde] heeft die weerlegging bij dupliek niet ontzenuwd. Zijn verweer – overigens evenmin door hem onderbouwd; [gedaagde] heeft geen stukken overgelegd waaruit van de door hem bedoelde afschrijving had kunnen blijken – moet daarom worden verworpen. Bovendien blijkt uit de overgelegde geluidsopname van de door [gedaagde] gewenste betaalwijze met behulp van acceptgiro's.

3.8. Beide eerstgenoemde weren van [gedaagde] – enerzijds een beroep op dwaling en anderzijds betreffende de aard van de overeenkomst – houden met elkaar verband en worden daarom gezamenlijk behandeld.

3.9. Uit de geluidsopname, die, zoals gezegd, door de kantonrechter is beluisterd, is af te leiden dat deze betrekking heeft op (slechts) een gedeelte van het tussen partijen op 5 maart 2009 gevoerde gesprek. Het opgenomen gedeelte van dit gesprek behelst een bevestiging van de volgens NEM met [gedaagde] gemaakte afspraken eerder in het betreffende gesprek. Immers, de medewerker van NEM duidt dit bij aanvang van de geluidsopname aan.

3.9.1. Het is de kantonrechter opgevallen dat – in tegenstelling tot hetgeen NEM bij repliek kennelijk heeft willen suggereren – de medewerker van NEM die het telefoongesprek met [gedaagde] voert, in een hoog tempo door de door hem aan [gedaagde] te stellen vragen heen gaat.

Gezien het grote aantal vragen dat de medewerker aan [gedaagde] stelt, oordeelt de kantonrechter dat het tempo van dit gesprek te hoog ligt. Zeker niet onwaarschijnlijk is het immers, dat [gedaagde] juist vanwege dat hoge tempo en gelet op het verweer dat een beroep op dwaling inhoudt, de consequenties betreffende de door hem gegeven antwoorden niet, althans niet geheel heeft kunnen overzien. Dat [gedaagde] NEM geen annulering heeft gezonden kan hem daarom in de gegeven omstandigheden niet worden aangerekend.

3.9.2. Nadat [gedaagde] een aantal vragen is gesteld, wordt hem op zeker moment door de medewerker van NEM gevraagd of het juist is dat hij een leveringsovereenkomst voor de duur van 3 jaar met NEM sluit. Daarop wordt door [gedaagde] bevestigend geantwoord.

De kantonrechter is echter van oordeel, dat NEM niet staande kan houden dat zij met [gedaagde] een overeenkomst voor de duur van 3 jaar is overeengekomen. Allereerst heeft NEM in het geheel niets gesteld omtrent de inhoud van hetgeen in het telefoongesprek voorafgaand aan het starten van de geluidsopname ter sprake is gekomen. Onduidelijk is daarom, of toen over de aard van de te sluiten overeenkomst is gesproken; met andere woorden, of sprake was van het sluiten van een overeenkomst voor onbepaalde tijd of van één voor bepaalde tijd. Omdat NEM ook de door haar bedoelde schriftelijke bevestiging van 6 maart 2009 niet in het geding heeft gebracht, moet worden geoordeeld dat NEM haar stelling dat sprake is van een overeenkomst voor de duur van 3 jaar, onvoldoende heeft onderbouwd.

Dit leidt er toe, dat de vordering van NEM voorzover die ziet op de aan [gedaagde] in rekening gebrachte opzegvergoedingen ad in totaal € 250,-, in ieder geval niet toewijsbaar is.

3.9.3. Voorzover het verweer van [gedaagde] ziet op dwaling ten aanzien van de door NEM gehanteerde tarieven wordt het door de kantonrechter verworpen. [gedaagde] heeft wel gesteld dat NEM hetgeen hem in het telefoongesprek van 5 maart 2009 werd voorgespiegeld niet heeft waargemaakt, maar [gedaagde] heeft die stelling in het geheel niet onderbouwd. [gedaagde] doelt kennelijk op de hem in vorenbedoeld telefoongesprek door NEM gegeven "laagsteprijsgarantie", maar enige op feiten gebaseerde onderbouwing van zijn standpunt daaromtrent geeft [gedaagde] niet. Dat de opbouw van het tarief voor de gewone consument niet duidelijk is, zoals [gedaagde] aanvoert en waarmee hij blijkbaar ook zichzelf heeft willen aanduiden, is daarbij niet van belang. Indien bij [gedaagde] onduidelijkheid daaromtrent bestond had hij desgewenst NEM daarover verduidelijking kunnen vragen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] dat heeft gedaan.

3.9.4. Nu [gedaagde] niet met betalingsbewijzen heeft aangetoond dat hij méér heeft betaald dan NEM in de specificatie heeft vermeld, terwijl hij evenmin heeft betwist dat hij de in de eindafrekening vermelde hoeveelheden energie van NEM heeft afgenomen, kan het resterende deel van de hoofdsom, te weten € 133,20, aan NEM worden toegewezen.

3.10. De nevenvordering tot vergoeding van rente is door [gedaagde] niet met enig relevant verweer betwist, zodat deze in beginsel voor toewijzing vatbaar is.

Omdat evenwel een (fors) lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen dan is gevorderd, zal ter zake van tot 23 maart 2011 vervallen rente worden toegewezen het door de kantonrechter schattenderwijs vastgestelde bedrag ad € 7,-.

3.11. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten betwist met de stelling dat die kosten slechts zijn gemaakt ter invordering van een onterecht geëist bedrag. Bij dupliek vult [gedaagde] dat verweer aan met de stelling, dat de misleide consument voor die kosten op moet draaien.

In het licht van hetgeen hij hierboven ten aanzien van (de toewijsbaarheid van) de hoofdsom heeft overwogen, komt de kantonrechter tot het oordeel dat het vorderen van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten door NEM in de gegeven omstandigheden niet redelijk is.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt daarom afgewezen.

3.12. De uitslag van dit geding geeft de kantonrechter aanleiding de kosten ervan geheel tussen partijen te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan NEM van een bedrag groot € 140,20 (zegge: eenhonderdveertig euro en twintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 133,20 vanaf 23 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van het geding in dier voege tussen partijen, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 37