Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5424

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/1595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing omgevingsvergunning voor het kappen van 93 bomen. Standpunt dat geen sprake is van weigeringsgronden is op geen enkele wijze onderbouwd. Onomkeerbare gevolgen voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/1595

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2011 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A] en zeven anderen,

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder,

gemachtigden: J.H. Jonker en O. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente Smallingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft verweerder (hierna: het college) aan Buro Hollema BNT te Rolde (hierna: Hollema) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 93 bomen in Drachten, op de locatie waar voorheen het Andreas college gevestigd was (kadastrale aanduiding: gemeente Smallingerland, sectie D, nummers 1378, 2231 en 3391). Tegen deze omgevingsvergunning hebben verzoekers op 15 juli 2011 een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben zij zich op 11 juli 2011 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ter zitting behandeld op 17 augustus 2011. Verzoekers [A], [B], [C] en [D] zijn in persoon verschenen, van wie laatstgenoemde namens verzoekers het woord heeft gevoerd. Het college is verschenen bij zijn gemachtigden. Namens Hollema, die met toepassing van artikel 8:26 van de Awb als derde-belanghebbende is aangemerkt, is

W. Pier verschenen.

Motivering

Inleidende overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat de omgevingsvergunning in bezwaar geen stand zal houden.

Relevante bepalingen

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

2.1 Artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo bepaalt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

2.2 Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo, voor zover thans van belang, is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo.

2.3 Op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo, voor zover thans van belang, beslissen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd op de aanvraag om een omgevingsvergunning.

2.4 Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Algemene Plaatselijke Verordening Smallingerland 2010 (APV)

2.5 Op grond van artikel 4:10B, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. In artikel 4:10B, tweede lid, van de APV is aangegeven in welke gevallen het kapverbod niet geldt.

2.6 Artikel 4:10D, eerste lid, van de APV bepaalt dat de vergunning in ieder geval kan worden geweigerd op grond van:

a. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

b. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

c. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

d. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

e. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Artikel 4:10D, tweede lid, van de APV bepaalt dat het bevoegd gezag bij het weigeren of onder voorwaarden verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering kan hanteren.

2.7 Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen van houtopstanden hanteert het college beleidsregels ("Kappen met beleid"). Hierin heeft het college onder meer uiteengezet, onder het kopje "Uitleg weigeringsgronden", wat het onder de verschillende weigeringsgronden verstaat. Voor wat betreft "de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand" is onder meer het volgende aangegeven:

"De houtopstand vormt een eenheid met de omringende bomen. De resterende houtopstand zal schade ondervinden bij verwijdering van de houtopstand. Er wordt in ieder geval gekeken naar/of:

- de conditie van houtopstand,

- de stabiliteit/breukvastheid (wortelstelsel/stam/kroon) van de houtopstand,

- de houtopstand een onlosmakelijk onderdeel van het geheel vormt (stabiliteit)".

Beoordeling van het verzoek

3.1 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 29 april 2003, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AF8028, leidt de voorzieningenrechter af dat bij de beoordeling van de vraag of op grond van artikel 4:10D, eerste lid, van de APV een omgevingsvergunning moet worden verleend voor het kappen van de bomen, in ieder geval de in die bepaling, onder a tot en met e, genoemde belangen moeten worden betrokken, alsmede dat bij afwezigheid van die belangen andersoortige belangen geen zelfstandige grond tot het weigeren van de omgevingsvergunning kunnen opleveren.

3.2 Gelet op deze jurisprudentie komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen betekenis toe aan de stelling van verzoekers dat de bomen een belangrijke natuurwaarde vertegenwoordigen. Dit is volgens de APV immers geen grond voor het weigeren van een omgevingsvergunning voor kappen. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de bomen een bijdrage leveren aan het behoud van de leefbaarheid. In dit verband hebben verzoekers gesteld dat de bomen bijdragen aan de fysieke en geestelijke gezondheid, omdat de bomen zorgen voor minder windoverlast en zomers, vanwege de schaduwwerking en de verdamping van bladeren, voor verkoeling. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze interpretatie van de weigeringsgrond "de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand" zich niet verhoudt tot de uitleg die het college aan deze weigeringsgrond heeft gegeven en, gelet op het discretionaire karakter van de in artikel 4:10D van de APV gegeven bevoegdheid, mocht geven.

3.3 De voorzieningenrechter ziet desondanks aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd bevestigd dat het college zich op het standpunt stelt dat er geen gronden zijn om de omgevingsvergunning te weigeren, zodat het gehouden is deze vergunning te verlenen. Dit standpunt is echter op geen enkele wijze onderbouwd. Zoals de gemachtigde van het college heeft aangegeven, hebben een medewerker van de "groenafdeling" van de gemeente en een medewerker van Hollema weliswaar beoordeeld welke bomen gekapt kunnen worden en welke bomen gespaard kunnen worden, maar van de bevindingen van deze medewerkers is geen verslag gemaakt. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college ook geen inzicht kunnen geven in de bevindingen van deze medewerkers, in relatie tot de weigeringsgronden. De voorzieningenrechter kan het standpunt van het college dat zich geen weigeringsgronden voordoen dus niet toetsen. Evenmin kan bij deze stand van zaken beoordeeld worden of de omgevingsvergunning in bezwaar stand zal houden. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, rest de voorzieningenrechter daarom niets anders dan de omgevingsvergunning te schorsen. Het verzoek zal daarom worden toegewezen als in het dictum nader aan te geven.

Proceskosten

4.1 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu van dergelijke kosten aan de zijde van verzoekers niet is gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst de omgevingsvergunning van 4 juli 2011 tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 152 aan verzoekers vergoedt.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.