Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BR4786

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
AWB 08/816
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BY0455
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ - geen vergoeding kosten van behandeling in het buitenland - weigering toestemming wegens ontbreken medische noodzaak - tijdig identieke of even doeltreffende behandeling in Nederland mogelijk - ontbreken verwijzing - redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/816

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

en

de naamloze vennootschap Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V., verweerder,

gemachtigde: mr. H. Kreeft, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 6 maart 2008 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 30 oktober 2008. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [X], werkzaam bij Solutions Addiction Treatment Consultants te Barneveld (hierna: Solutions). Namens verweerder is voornoemde gemachtigde verschenen. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt nader te onderbouwen. Verweerder heeft de rechtbank een nadere onderbouwing en nadere stukken toegestuurd. Eiseres heeft hierop gereageerd.

De zaak is verder behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 oktober 2009. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen voornoemde gemachtigde en F. Kersbergen, eveneens werkzaam bij verweerder. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw heropend en A. Korzec, psychiater te Amsterdam (hierna: de deskundige), als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 1 juli 2010 verslag uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze met betrekking tot het verslag van de deskundige naar voren gebracht. Per brief van oktober 2010 heeft de deskundige een nadere vraag van de rechtbank beantwoord. Partijen hebben hun zienswijze met betrekking tot deze brief van de deskundige naar voren gebracht. Per brief van 10 november 2010 heeft verweerder geantwoord op een nadere vraag van de rechtbank. Eiseres heeft hierop gereageerd.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarop het onderzoek opnieuw gesloten.

Motivering

Feiten

1.1 Eiseres is sinds 1998 bekend met depressieve klachten en daarmee samenhangende alcoholproblemen. Half augustus 2006 was sprake van een verslechtering van de situatie in de vorm van "binge drinking". Daarom heeft eiseres zich op 22 augustus 2006 gewend tot Solutions. Op 25 augustus 2006 is eiseres via Solutions voor de duur van vier weken opgenomen in The Priory Farm Place kliniek in Londen en is zij daar behandeld. Deze behandeling werd gevolgd door een nazorgtraject in Nederland. Op 29 augustus 2006 heeft Solutions bij verweerder een verzoek ingediend om de kosten van de behandeling en het verblijf van eiseres in The Priory Farm Place kliniek en het nazorgtraject te vergoeden.

1.2 Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag voor vergoeding op grond van de AWBZ afgewezen.

1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 5 oktober 2006 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Eiseres stelt zich op het standpunt dat in Nederland onvoldoende zorgaanbod aanwezig is en geen adequate behandeling voor haar depressieve klachten in combinatie met alcoholproblemen mogelijk is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij in de acht jaar voorafgaande aan de behandeling in Engeland uitgebreide hulp heeft gezocht en gekregen bij psychologen, een psychiater, het CAD, de Kuno van Dijk Stichting en de AA. Haar klachten zijn daardoor echter niet verminderd. Uit deze feitelijke gang van zaken blijkt volgens eiseres dat er in Nederland in haar geval niet is voorzien in voldoende zorgaanbod. Daarom bestond voor haar de noodzaak om naar het buitenland te gaan en was zij aangewezen op de behandeling in Engeland. Verder stelt eisers dat de beslissing van verweerder in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat Zilveren Kruis Achmea een behandeling in The Priory Farm Place kliniek in een vergelijkbaar geval wel heeft vergoed. Ook is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd met het verbod van willekeur, omdat verweerder heeft geweigerd de aanvraag van eiseres door te sturen naar de afdeling van Achmea waar alle buitenlandclaims centraal worden behandeld.

2.2 Verweerder handhaaft het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat voor eiseres tijdig adequate zorg via een gecontracteerde instelling (in Nederland) beschikbaar was, zodat geen noodzaak bestond voor behandeling in het buitenland. Verder is volgens verweerder niet gebleken dat er vooraf een verwijzing heeft plaatsgevonden door een arts, behandelend specialist of bedrijfsarts. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan volgens verweerder niet slagen, omdat verweerder een zelfstandige rechtspersoon is. Verweerder acht zich niet gebonden aan de toekenning van een vergoeding voor soortgelijke behandelingen door andere verzekeringsmaatschappijen.

Beoordeling van het geschil

3.1 Op grond van artikel 10, eerste lid, van de AWBZ wendt de verzekerde die zijn aanspraak op zorg tot gelding wil brengen, zich daartoe tot een zorgaanbieder naar eigen keuze, met wie de zorgverzekeraar waarbij hij is ingeschreven tot dat doel een overeenkomst als bedoeld in artikel 15 heeft gesloten. Op grond van het tweede lid kan een zorgverzekeraar, in afwijking van het eerste lid, een verzekerde die een aanspraak op zorg tot gelding kan brengen, toestemming verlenen zich voor deze zorg tot een niet door de zorgverzekeraar gecontracteerde zorgaanbieder te wenden. In dit geval heeft de verzekerde in plaats van aanspraak op deze zorg, aanspraak op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de voor deze zorg gemaakte kosten. Het derde lid bepaalt dat bij ministeriële regeling:

a. wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden de verzekerde voor het verkrijgen van een aanspraak op vergoeding als bedoeld in het tweede lid, geen toestemming van de zorgverzekeraar behoeft;

b. wordt de hoogte van de vergoeding bepaald, waarbij deze voor verschillende gevallen verschillend kan worden vastgesteld;

c. kunnen voorwaarden worden bepaald waaraan de verzekerde moet voldoen, wil toestemming kunnen worden verleend;

d. kan worden bepaald in welke gevallen geen toestemming wordt verleend.

3.2 Op grond van artikel 6b, eerste lid, van de Regeling zorgaanspraken AWBZ (hierna: de Regeling) kan een zorgverzekeraar aan een verzekerde toestemming verlenen zich voor intramurale zorg te wenden tot een niet door hem gecontracteerde zorgaanbieder in een andere lidstaat dan Nederland indien de zorgverzekeraar heeft vastgesteld dat dat voor de geneeskundige verzorging van de verzekerde nodig is.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Regeling heeft de verzekerde onverminderd artikel 7 slechts aanspraak op de zorg, bedoeld in artikel 2, onderdelen c en d, van het Zorgindicatiebesluit op verwijzing van de huisarts, bedrijfsarts of de behandelende medisch specialist van de verzekerde.

3.3 Ten aanzien van het betoog van verweerder dat vooraf aan de opname in The Priory Farm Place kliniek geen verwijzing heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank het volgende. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat aan het vereiste van een verwijzing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: Vb) de kennelijke bedoeling van de regelgever ten grondslag ligt om een onnodig beroep op (dure) specialistische zorg te voorkomen. Dit omdat de verzekerde doorgaans niet in staat is om de juiste indicatie voor het inroepen van specialistische zorg te stellen en hij in veel gevallen ook niet weet bij welk specialisme hij te rade moet gaan. Voorts is het mogelijk dat de huisarts direct zelf zorg kan verlenen zonder tussenkomst van een specialist. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van de CRvB van 9 december 2008 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BG8599). Deze rechtspraak heeft betrekking op het Vb. De rechtbank is echter van oordeel dat zij ook kan worden toegepast in het kader van de Regeling. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in de situatie van eiseres voldoende recht is gedaan aan het vereiste van een verwijzing. Eiseres heeft verklaard dat zij in overleg met haar huisarts en psychiater een afspraak heeft gemaakt met Solutions. Ter ondersteuning van deze verklaring heeft eiseres brieven overgelegd van haar huisarts [Y] van 21 augustus 2007 en haar psychiater [Z] van 28 september 2007. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding te betwijfelen dat eiseres door haar huisarts en/of psychiater is verwezen naar Solutions en vervolgens via Solutions terecht is gekomen bij The Priory Farm Place kliniek.

3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in augustus 2006 geen overeenkomst had gesloten met The Priory Farm Place kliniek. Dit betekent dat eiseres voor het verkrijgen van een aanspraak op vergoeding van de kosten van de behandeling en het verblijf in deze kliniek en het nazorgtraject toestemming nodig had van verweerder.

3.5 Toestemming wegens het ontbreken van een medische noodzaak voor de aangevraagde behandeling kan, in geval van intramurale zorg, zoals hier het geval is, blijkens het arrest Smits-Peerbooms van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 juli 2001 in de zaak C-157/99 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN AN6725), slechts worden geweigerd indien bij een instelling waarmee het ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten, tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling kan worden verkregen. Teneinde te bepalen of bij een instelling waarmee het ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten, tijdig een voor de patiënt even doeltreffende behandeling kan worden verkregen, moeten de nationale autoriteiten rekening houden met alle omstandigheden van het concrete geval, door niet alleen de gezondheidstoestand van de patiënt op het moment waarop de toestemming wordt gevraagd, maar ook diens antecedenten in aanmerking te nemen. De rechtbank is van oordeel dat dit arrest tevens van toepassing is op een zorgverzekeraar, zoals verweerder.

3.6 Verweerder heeft zijn standpunt dat eiseres een identieke of even doeltreffende behandeling had kunnen krijgen bij een gecontracteerde instelling in Nederland in het bestreden besluit niet onderbouwd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat dit besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Hierna zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.7 In het kader van de beantwoording van de vraag of eiseres bij een instelling waarmee verweerder een overeenkomst heeft gesloten tijdig een identieke of voor eiseres even doeltreffende behandeling kon verkrijgen, heeft de rechtbank een deskundige benoemd. In het verslag van 1 juli 2010 concludeert de deskundige dat er rond 26 augustus 2006 een indicatie bestond voor behandeling van eiseres middels een opname. Volgens de deskundige bestaan er veel doeltreffende behandelingen voor stoornissen in het alcoholgebruik. Het is niet aangetoond dat het zogenoemde 12 stappen Minnesota model significant betere behandelresultaten geeft dan andere, soortgelijke alcoholbehandeling modellen. Het is echter bekend dat motivatie van patiënten (voor een bepaald behandelmodel) en een goede timing van de opname positief gecorreleerd is met een beter behandelresultaat, aldus de deskundige. Voor zover de deskundige bekend was er ten tijde van het toenmalig recidief van eiseres (in augustus 2006) een kliniek in Nederland die volgens de 12 stappen methode werkte (onder andere De Mirage in Den Haag). Uit een e-mailbericht van 21 juni 2010 blijkt dat er in 2006 een overeenkomst bestond tussen verweerder en de Mirage Minnesota Klinic (hierna: De Mirage). De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres volgens de deskundige in augustus 2006 in Nederland bij een instelling waarmee verweerder een overeenkomst had gesloten (te weten De Mirage) een identieke of voor eiseres even doeltreffende behandeling kon krijgen. In zijn brief van oktober 2010 schrijft de deskundige in antwoord op nadere vragen van de rechtbank dat in zijn algemeenheid een opname bij alcoholisme, afhankelijk van het ziektebeeld, binnen een week plaats dient te vinden ter ontgiftiging van alcohol ("detox"-opname). Volgens de deskundige is er een verschil tussen een opname in het kader van een "detox" en een opname op een afdeling voor langdurige "psychotherapeutische" behandeling. De gebruikelijke wachttijd voor deze "psychotherapeutische" behandeling varieert van twee tot zes weken. Voor zover de deskundige uit de stukken en het onderzoek kan oordelen, acht hij, met in achtneming van de toenmalige gezondheidstoestand van eiseres, een "detox"-opname binnen drie dagen en een "psychotherapeutische" opname binnen twee weken aanvaardbaar.

3.8 Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een uitspraak van de CRvB van 25 november 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BK4508). Voor zo’n afwijking bestaat in dit geval geen aanleiding. Het rapport van de deskundige is zorgvuldig tot stand gekomen, consistent en naar behoren gemotiveerd. De deskundige heeft bij de totstandkoming van zijn rapportage de gedingstukken bestudeerd, in het bijzonder de medische stukken. Daarnaast heeft hij eiseres psychiatrisch onderzocht. Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het betoog van eiseres dat zij alle behandelmogelijkheden in Nederland al had benut kan reeds niet slagen, omdat eiseres nooit opgenomen is geweest in De Mirage.

3.9 Naar aanleiding van de vraag van de rechtbank of eiseres binnen twee weken na 25 augustus 2006 kon worden opgenomen in De Mirage voor een psychotherapeutische behandeling heeft verweerder de rechtbank op 10 november 2010 een e-mailbericht toegestuurd van [A], opnamefunctionaris van Brijder Verslavingszorg. In dit e-mailbericht stelt [A] dat De Mirage in 2006 geen crisisopnamen kon hebben. Crisisopnamen gaan in principe altijd naar een Detox Kliniek, waarna men aansluitend naar De Mirage zou kunnen. Volgens [A] is de wachtlijst voor De Mirage (inclusief gewone alcohol detox) ook in 2006 nooit langer geweest dan één à twee weken. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze mededelingen van [A]. Het betoog van eiseres dat er een zakelijke, commerciële relatie bestaat tussen verweerder en De Mirage en dat daarom niet valt uit te sluiten dat zakelijke belangen een rol hebben gespeeld bij de beantwoording van de vraag, geeft daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding. Hetzelfde geldt voor het feit dat voorafgaande aan het e-mailbericht telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen verweerder en [A]. Ook het betoog van eiseres dat de gemiddelde wachttijd voor de verslavingszorg in Nederland in 2006 langer was dan twee weken brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit deze gemiddelde wachttijd voor de verslavingszorg in zijn algemeenheid kan niet worden afgeleid dat de informatie die [A] heeft verstrekt over de specifieke situatie in De Mirage onjuist is.

3.10 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat aannemelijk is dat eiseres in augustus 2006 tijdig (te weten binnen twee weken) een identieke of voor eiseres even doeltreffende behandeling kon verkrijgen bij een instelling waarmee verweerder destijds een overeenkomst had gesloten (te weten De Mirage). Dit betekent dat de zorg in een andere lidstaat naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk was. Het betoog van eiseres dat De Mirage haar niet bekend was en dat zij nooit naar deze kliniek is verwezen, wat daar ook van zij, doet hier niet aan af. Dit geldt ook voor het betoog van eiseres dat een behandeling in De Mirage veel langer geduurd zou hebben dan de opname in de Priory Farm Place kliniek en daardoor veel meer zou hebben gekost. Deze omstandigheden zijn immers niet van belang voor de beantwoording van de vraag of in De Mirage een identieke of voor eiseres even doeltreffende behandeling mogelijk was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft geweigerd eiseres op grond van de AWBZ een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de behandeling en het verblijf in The Priory Farm Place kliniek en het vervolgtraject.

3.11 Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Verweerder is een zelfstandige rechtspersoon en is reeds daarom niet gebonden aan beslissingen van Zilveren Kruis Achmea. Van een schending van het verbod op willekeur is de rechtbank niet gebleken.

3.12 Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Schadevergoeding

4.1 Eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerder met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen in de schade die zij tengevolge van het bestreden besluit heeft geleden. Deze schade bestaat volgens eiseres uit gederfde rente over de na te betalen vergoeding. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen, omdat zij van oordeel is dat verweerder de vergoeding terecht heeft geweigerd.

4.2 Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.3 De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.4 Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 4.3 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De rechtbank wijst in dit kader bijvoorbeeld op een uitspraak van de CRvB van 3 februari 2011 (LJN BP3986).

4.5 Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift van eiseres rond 21 oktober 2006 tot de datum van deze uitspraak is vier jaren en ruim vier maanden verstreken. De rechtbank heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiseres aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de lengte van de procedure tot de uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is daarom met twee jaren en ruim vier maanden overschreden. De rechtbank stelt vast dat de behandeling in de rechterlijke fase is begonnen met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 16 april 2008 en heeft geduurd tot deze uitspraak van 17 maart 2011. Daarmee heeft de rechtbank de haar toekomende behandelingsduur van anderhalf jaar overschreden met bijna anderhalf jaar.

Aan deze vaststellingen kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.6 De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist over het verzoek om schadevergoeding van eiseres met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij, naast verweerder, de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Proceskosten

5. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 1.172,00 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting tweemaal één punt; schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek een half punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af voor zover dit betrekking heeft op gederfde rente;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder procedurenummer 11/600 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat de Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.172,00.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2011.

w.g. C.H. de Groot

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.