Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ8266

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/1659 en AWB 10/1700
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Vrijstelling en bouwvergunning voor uitbreiding koekfabriek. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onzorgvuldige belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/1659 en AWB 10/1700

tussenuitspraak van 16 juni 2011 als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

1. [naam] en [naam], wonende te [woonplaats],

eisers in zaak 10/1659 (hierna: [A]),

gemachtigde: mr. A. Barada, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam,

2. R.P. [B], wonende te [woonplaats],

eiseres in zaak 10/1700 (hierna: [B]),

gemachtigde: mr. R.H.A. ter Huure, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand te Tilburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: P.J.H. Karseboom, werkzaam bij de gemeente Skarsterlân.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2010, dat is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, heeft het college aan WK Koek Bakkerij B.V. te Heerenveen (hierna: de vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend ten behoeve van de uitbreiding van haar koekfabriek op het perceel [adres] (hierna: het bestreden besluit). Tegen dit besluit hebben [A] en [B] beroep aangetekend. Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is de vergunninghouder door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en haar gemachtigde mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 21 januari 2011. [A] is verschenen, bijgestaan door mr. Barada. Het college en de vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [B] en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Op 27 juni 2008 heeft de vergunninghouder een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van haar koekfabriek op het perceel [adres]. Het project, dat met name betrekking heeft op de achterzijde van de fabriek en het perceel, voorziet in het uitbreiden van de bedrijfshal, het verplaatsen van bestaande silo's en het plaatsen van een silo en schoorsteen. Volgens de bouwaanvraag bedraagt de bebouwde oppervlakte na realisatie van het bouwplan ruim 7.800 m², een toename van bijna 28 %. Na realisering van het project zal het aantal verkeersbewegingen van vrachtwagens overdag toenemen van 20 naar 40 (20 keer komen en 20 keer gaan). Het aantal verkeersbewegingen van bestelbussen zal overdag toenemen van nul naar acht (vier keer komen en vier keer gaan). In de avond en nacht zullen er net als voor realisering van het project geen verkeersbewegingen van vrachtwagens en een bestelbus plaatsvinden.

1.2 Bij het bestreden besluit heeft het college ten behoeve van dit project met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Skarsterlân" verleend en vervolgens met toepassing van de Woningwet bouwvergunning verleend.

Geschil

2.1 [A] en [B] hebben in beroep in hoofdzaak aangevoerd dat het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daarnaast zijn zij van opvatting dat het college hun woonbelangen had moeten laten prevaleren boven de bedrijfseconomische belangen van de vergunninghouder. In dit verband hebben zij gesteld dat de realisatie van het bouwplan zal leiden tot (een toename van) geluids-, stank- en verkeersoverlast en een beperking van hun uitzicht, waardoor de waarde van hun woningen zal verminderen.

2.2 In de onderscheidenlijke verweerschriften van 29 oktober 2010 heeft het college gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen. In haar schriftelijke uiteenzetting van 18 november 2010 heeft de vergunninghouder eveneens geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ter zitting heeft de vergunninghouder de vraag opgeworpen of [A] en [B] wel als belanghebbende bij het bestreden besluit aangemerkt kunnen worden, gelet op de afstand tussen hun woningen en de projectlocatie. Daarnaast heeft de vergunninghouder zich afgevraagd of [B] de procedure van haar overleden echtgenoot [naam overleden echtgenoot B] wel rechtsgeldig heeft overgenomen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

3.2 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Vast staat dat [A] en [B] in de directe omgeving van de projectlocatie wonen. Zelfs indien echter de vergunninghouder gevolgd zou moeten worden in haar stelling dat [A] geen zicht op de voorgenomen uitbreidingen heeft en dat [B] waarschijnlijk geen zicht op deze uitbreidingen heeft, kan niet gezegd worden dat zij geen, althans op voorhand te waarlozen, ruimtelijke gevolgen van het voorziene project zullen ondervinden (vgl. www.rechtspraak.nl, LJN: BP0510). [A] en [B] worden daarom rechtstreeks in hun belangen geraakt door het bestreden besluit, zodat zij belanghebbende bij dat besluit zijn.

3.3 Op 13 mei 2008 heeft mr. Ter Huurne namens [naam overleden echtgenoot B] zijn zienswijze gegeven op het voornemen van het college om ten behoeve van het project vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze zienswijze destijds niet mede namens [B] is ingediend. Van het overnemen van de door [naam overleden echtgenoot B] geïnitieerde procedure door [B], zoals de vergunninghouder suggereert, is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake. De vraag of sprake is van een rechtsgeldige overname van de procedure kan dus onbesproken blijven.

3.4 Vast staat dat op het perceel volgens het vigerende bestemmingsplan een koekfabriek is toegestaan. Het project is alleen voor wat betreft het op het perceel toegestane bebouwingspercentage en enige bouwvoorschriften (hoogte) in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Ook staat vast dat voor de realisatie van het project een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO benodigd is, alvorens een bouwvergunning afgegeven kan worden.

3.5 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

3.6 De rechtbank oordeelt dat het bouwplan door middel van het rapport van 27 juni 2008 van Oranjewoud is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Ook overigens is voldaan aan de eisen die gesteld worden aan de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO. [A] heeft weliswaar aangevoerd dat het project zich niet verhoudt tot het Streekplan Fryslân, maar zij heeft deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de provincie Fryslân afgegeven verklaring van geen bezwaar.

3.7 De vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, eerste lid, van de WRO is discretionair van aard. Dit betekent dat de bestuursrechter de beslissing van het college om voor de realisering van het bouwplan vrijstelling te verlenen terughoudend moet toetsen. Aan de orde is of het college, na afweging van de betrokken, waaronder de woonbelangen van [A] en [B], maar ook de bedrijfseconomische belangen van de vergunninghouder bij een uitbreiding van haar bedrijf, in redelijkheid vrijstelling kon verlenen.

3.8 De gemachtigde van de vergunninghouder heeft ter zitting aangegeven dat de geluidsniveaus op de woning van [B] niet zijn bezien, omdat die niet maatgevend zijn. Wel zijn de geluidsniveaus van de woningen van haar twee buren dichterbij de koekfabriek, aan [adressen], bezien. Voor de woning aan [adres] worden al aan de gebruikelijke richtwaarden voor "rustige woonwijk, weinig verkeer" van 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dagperiode, de avondperiode en de nachtperiode voldaan. Dit betekent dat voor de woning van [B] een nog lager en dus acceptabel geluidsniveau aan de orde is. Dit geldt ook voor de Lmax, de zogenoemde piekniveaus, op de woning van [B]. De rechtbank is van oordeel dat met deze uiteenzetting aannemelijk is gemaakt dat de realisering van het project voor [B] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van haar woon- en leefklimaat. Voor [A] ligt de situatie echter anders. De gemachtigde van de vergunninghouder heeft ter zitting aangegeven dat voor de woning van [A] op 1 dB(A) na in de dagperiode het vooromschreven gebruikelijke geluidsniveau voor "rustige woonwijk, weinig verkeer" is vergund, in het kader van de milieuvergunning, namelijk 46 dB (A), en wordt gehaald. Voor wat betreft de Lmax is voor de woning van [A] gedurende de dagperiode 73 dB(A) vergund. De gemachtigde van de vergunninghouder heeft verder desgevraagd verklaard dat vanwege de toename van het aantal verkeersbewegingen overdag sprake zal zijn van een verdubbeling van de maximale geluidspiek. De rechtbank is, gelet hierop van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat met name vanwege de toename van de geluidspieken voor [A] (nog) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, ook indien in aanmerking wordt genomen dat de benodigde maatregelen, vastgelegd in een protocol ten behoeve van vrachtwagenchauffeurs, genomen zullen worden. Bovendien heeft het college de te treffen maatregelen niet als voorwaarde verbonden aan de verleende vrijstelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college bij het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig de woonbelangen van [A] heeft afgewogen. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en vertoont in zoverre gebreken.

3.9 Aangezien het naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk is dat het college de thans gebrekkige belangenafweging in zoverre kan aanvullen en dat deze (alsnog) zorgvuldig en deugdelijk tot stand komt, ziet de rechtbank aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te (laten) herstellen. Het college wordt in de gelegenheid gesteld zijn belangenafweging terzake van het geluidsaspect nader en goed onderbouwd te motiveren. Daarbij zal het college de bezwaren aangaande geluidsoverlast in het kader van de belangafweging desnoods dienen te bezien in het licht van de vraag of aan de woning van [A] geluidsisolerende maatregelen dienen te worden getroffen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de gebreken kunnen worden hersteld op twaalf weken, te rekenen vanaf de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank wijst het college op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8:51b, eerste en tweede lid, van de Awb. De rechtbank verzoekt het college haar binnen twee weken te laten weten of zij gebruik maakt van de mogelijkheid de gebreken te (laten) herstellen. Conform het bepaalde in artikel 8:51b, derde lid, van de Awb, staat het [A] vrij om binnen een termijn van vier weken nadat het college de gebreken heeft hersteld, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld, naar voren te brengen.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het college in de gelegenheid om, binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, terzake van de vrijstelling een nader goed onderbouwde belangenafweging kenbaar te maken en voorschriften terzake van de te nemen geluidsisolerende maatregelen aan de vrijstelling te verbinden. Het college kan daarbij zo nodig overwegen daartoe een nader besluit te nemen;

- houdt elke andere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan slechts tegelijkertijd met een hoger beroep tegen de einduitspraak hoger beroep worden ingesteld.