Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ8228

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
AWB 09/1098
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1098

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats] (Ameland),

eiser (hierna: [X]),

gemachtigde: mr. G.J. Scholten, advocaat te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: mr. M. Bauman, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 7 april 2009 heeft het college [X] mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende een verzoek om schadevergoeding. Tegen dit besluit heeft [X] beroep aangetekend. Bij brief van 7 september 2010 heeft hij zijn beroep aangevuld. In reactie hierop heeft het college bij brief van 27 januari 2011 een rapport van Borrie & Co Accountants (hierna: Borrie) van 26 januari 2011 ingediend, waarop [X] bij brief van 4 februari 2011 (met als bijlage een rapport van 31 januari 2011 van Ernst & Young Accountants, hierna: Ernst & Young) heeft gereageerd. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 februari 2011. [X] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en H. Buisman, als adviseur werkzaam bij Ernst & Young. Het college is verschenen bij zijn gemachtigde, vergezeld door drs. W.J.G. van de Lagemaat AA, als adviseur werkzaam bij Borrie, en R. Korvemaker, werkzaam bij de gemeente Ameland.

Motivering

Feiten

1.1 Voor de feiten en omstandigheden die voor deze procedure van belang zijn, verwijst de rechtbank onder meer naar de uitspraken van 11 juli 2003 (AT3647) en 29 februari 2008 (BC6258) die zij tussen partijen heeft gewezen. Verder verwijst zij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 1 maart 1996 (zaaknummer R03.92.4836), 15 december 2004 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: AR7587) en 24 december 2008 (BG8294). Daaraan voegt de rechtbank het volgende toe.

1.2 In haar uitspraak van 24 december 2008 heeft de AbRS - kort gezegd - de uitspraak van de rechtbank van 29 februari 2008 deels vernietigd en de periode waarover het college [X] een schadevergoeding moet betalen gesteld op 14 april 1992 tot 15 oktober 1993. Verder heeft de AbRS de gemeente Ameland wegens overschrijding van de redelijke termijn veroordeeld om [X] een vergoeding van € 6.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de AbRS onder meer het college opgedragen om binnen drie maanden na openbaarmaking van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [X] bekend te maken en het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [X] in hoger beroep tot een bedrag van € 966,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

1.3 Daarop heeft het college [X] bij brief van 14 januari 2009 in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek om schadevergoeding - met inachtneming van de uitspraak van de AbRS van 24 december 2008 - te onderbouwen en eventueel van nadere stukken te voorzien. Bij brief van 12 februari 2009 heeft [X] onder meer een herziene schadeberekening van Ernst & Young van 27 januari 2009 overgelegd, waarin zijn inkomstenschade in de periode van 14 april 1992 tot 15 oktober 1993 berekend is op f 108.507,00 (€ 49.238,33). Bij het thans bestreden besluit heeft het college de inkomstenschade van [X] vastgesteld op € nihil en hem alsnog een vergoeding van € 6.078,88, inclusief wettelijke rente, toegekend voor de door hem geleden immateriële schade.

Standpunten van partijen

2.1 Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 24 december heeft het college - onder meer en samengevat - de inkomstenschade van [X], voor zover hij deze heeft aangetoond met behulp van concrete bedrijfsgegevens, vastgesteld op € 9.760,15. Aangezien daarop voor diezelfde periode nog variabele kosten, te ramen op € 10.000,00, in mindering moeten worden gebracht, bedraagt zijn totale inkomstenschade over de periode van 14 april 1992 tot 15 oktober 1993 € nihil. Voor zover [X] ook vergoeding van accountantskosten vordert over de periode van 30 augustus 2002 tot en met 28 november 2008, stelt het college dat [X] er voor heeft gekozen zijn schade vergoed te krijgen via de weg van het zelfstandig schadebesluit. De artikelen 8:75 en 7:15 van de Awb geven echter een exclusieve regeling voor de vergoeding van kosten die een belanghebbende in verband met bezwaar- en beroepsprocedures redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals advocaten- en deskundigenkosten. Deze mogelijkheden heeft [X] benut of had hij kunnen benutten. Daarom heeft het college volstaan met een vergoeding van immateriële schade, inclusief wettelijke rente, als aangegeven in het bestreden besluit. Door middel van het rapport van 26 januari 2011 van Borrie heeft het college ten slotte een alternatieve berekening van de inkomstenderving van [X] ingebracht die - na aftrek van de variabele kosten ter hoogte van € 10.000,00 - neerkomt op een bedrag van € 4.143,00. Het college blijft echter van mening dat [X] zijn schadeclaim nog steeds niet - dus ook niet tot een bedrag van € 4.143,00 - met concrete bedrijfsgegevens heeft onderbouwd.

2.2 [X] is - onder meer en samengevat - gebleven bij zijn standpunt dat Ernst & Young zijn inkomstenschade in de periode van 14 april 1992 tot 15 oktober 1993 heeft gesteld op € 49.238,33. Voorts heeft hij uiteengezet waarom naar zijn mening zijn deskundigen- en advocatenkosten wel degelijk voor vergoeding in aanmerking komen. Nu verder de immateriële schade die de AbRS heeft vastgesteld uitsluitend betrekking heeft op de spanning en frustratie die [X] heeft ervaren, meent hij dat er aanleiding is om een aanvullende immateriële schadevergoeding toe te kennen. Hij heeft namelijk door deze langdurige procedures gezondheidsklachten gekregen en heeft eerder dan gepland zijn bedrijf moeten verkopen.

Beoordeling van het geschil: inleidende overwegingen

3.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen al vanaf 1996 met elkaar in een schadeprocedure zijn verwikkeld, waarin de rechtbank en de AbRS inmiddels verschillende uitspraken hebben gedaan. Met de uitspraak van de AbRS van 24 december 2008 is het kader komen vast te staan waarbinnen de rechtbank de standpunten van partijen moet beoordelen. Uit rechtsoverweging 2.3.2 van de uitspraak van de AbRS van 24 december 2008 volgt dat het college uitsluitend de schade die [X] als gevolg van de komst van het benzinestation gedurende de periode van 14 april 1992 tot 15 oktober 1993 heeft geleden, dient te vergoeden. Schade die hij na deze periode heeft geleden komt volgens de AbRS niet voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat uit haar uitspraak van 15 december 2004 volgt dat die schade niet is veroorzaakt door het onrechtmatig geoordeelde besluit. De schade zal uitsluitend bestaan uit aantoonbare inkomstenderving gedurende die periode. Op [X] rust, aldus de AbRS, de bewijslast van de feitelijk geleden schade. Hij zal die met concrete bedrijfsgegevens moeten aantonen.

3.2 In het onderhavige geding staat daarom slechts ter beoordeling of het college met het thans bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de AbRS van 24 december 2008. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of het college het verzoek van [X] om vergoeding van inkomstenschade terecht heeft afgewezen, omdat in die periode niet gebleken is van zulke schade, en of het college gehouden was de overige door [X] geclaimde schade te vergoeden.

3.3 Ten behoeve van het nieuwe besluit op bezwaar na de uitspraak van de AbRS van 24 december 2008 en ook in de onderhavige beroepsprocedure hebben partijen opnieuw, tot vlak voor de zitting van 10 februari 2011, deskundigenberekeningen ingebracht. Op zitting heeft [X] gerefereerd aan stukken die hij volgens eigen zeggen inmiddels weer had getraceerd. Partijen hebben dus tot de sluiting van het onderzoek geprobeerd definitieve duidelijkheid te creëren over de vraag of en zo ja, hoeveel aanspraak op schadevergoeding bestaat. De rechtbank zal al hetgeen partijen naar voren hebben gebracht bij haar oordeelsvorming betrekken en daarover, zo nodig in goede justitie, een beslissing geven. Immers, deze lang slepende kwestie vergt een uitspraak die zoveel mogelijk recht doet aan het beginsel van finale geschillenbeslechting. In het onderstaande zal de rechtbank puntsgewijs ingaan op de onderscheiden onderdelen van de vordering van [X].

Inkomstenschade (liters benzine, shop, werkplaats)

4.1 De rechtbank stelt vast dat over dit onderdeel van de schadeclaim van [X] het dossier inmiddels een veelheid aan van elkaar afwijkende gegevens bevat. Daarbij overweegt zij dat [X] geen verifieerbare litergegevens en winstmarges heeft ingebracht. Concrete gegevens daarover, bijvoorbeeld in de vorm van een voldoende compleet overzicht van facturen van inkoop en verkoop en van daarop gebaseerde betrouwbare boekhoudkundige gegevens, ontbreken immers volledig. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat [X], hoewel hij daartoe jarenlang de gelegenheid heeft gehad, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot een bedrag van € 49.238,33 inkomstenschade heeft geleden.

4.2 Met betrekking tot de vraag welke schade wél voldoende aannemelijk is, neemt de rechtbank tot uitgangspunt de gederfde marge zoals Borrie die op pagina 12 van zijn rapport van 26 januari 2011 op basis van het verlies aan literomzet van [X] en de daarbij behorende marge heeft becijferd op € 8.737,00. Dit bedrag acht de rechtbank voldoende feitelijk onderbouwd. Verder neemt de rechtbank de berekening van Borrie, eveneens op pagina 12 van zijn rapport van 26 januari 2011, van het deel van de omzet van het nieuwe benzinestation dat kan worden toegerekend aan het benzinestation van [X], te weten 90%, met als resultaat een bedrag van € 14.143,00, over. Ook dit bedrag acht de rechtbank voldoende feitelijk onderbouwd. Nu voorts geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank hun respectievelijke berekening van de variabele kosten concreet heeft onderbouwd, zal de rechtbank deze in goede justitie vaststellen op € 2.000,00.

4.3 De rechtbank stelt vervolgens vast dat [X], hoewel hij daartoe diverse malen door het college in de gelegenheid is gesteld, geen stukken heeft overgelegd die inzicht geven in de door hem gestelde omzetgegevens van de shop en de werkplaats vóór en na de schadeperiode. [X] heeft niet betwist dat de door hem aan Borrie overgelegde jaarrekeningen geen specifieke omzetcijfers voor de shop bevatten. Verder vermeldt het rapport van Ernst & Young van 19 maart 2007 dat [X] in zijn financiële administratie de shopverkopen en de omzet van de werkplaats niet apart heeft bijgehouden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college in zoverre de claim van [X] terecht heeft afgewezen. De vraag of uit de door [X] overgelegde stukken blijkt dat hij daadwerkelijk een shop exploiteerde, kan om die reden buiten beschouwing blijven.

4.4 Slotsom is dat de rechtbank de inkomstenderving - en wel uitsluitend ten aanzien van de gederfde literomzet - zal vaststellen op € 14.143,00 - € 2.000,00 = € 12.143,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 oktober 1997, de datum van het primaire besluit waarbij het college in eerste instantie de schadeclaim van [X] heeft afgewezen, tot aan de dag van algehele voldoening. Reeds om deze reden zal de rechtbank het beroep van [X] gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het college daarbij de schadevergoeding wegens inkomstenderving heeft gesteld op € nihil. Zij zal het primaire besluit van 28 oktober 1997 herroepen, voor zover het college het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen en zelf in de zaak voorzien door het bedrag van de schadevergoeding vast te stellen als bovenoverwogen.

Deskundigenkosten

4.5 In zijn brief van 12 februari 2009 heeft [X] gesteld dat zijn schade, bestaande uit het laten uitbrengen van deskundigenrapporten door Ernst & Young in de periode van augustus 2002 tot en met heden, € 29.718,47 (inclusief BTW) bedraagt. Het college heeft in het thans bestreden besluit dit onderdeel van de vordering, zoals [X] dat in die brief heeft geformuleerd, beoordeeld en afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten niet als schadevergoeding kunnen worden vergoed. De kosten van deze rapporten hebben betrekking op de periode na 12 maart 2002. Vanaf die datum geldt voor vergoeding van in redelijkheid gemaakte proceskosten de exclusieve regeling van artikel 8:75 juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Ook na 12 maart 2002 heeft [X] beroepsprocedures gevoerd waarin hij steeds heeft verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten. Die veroordeling is telkens op grond van artikel 8:75 van de Awb gevolgd. In die procedures had [X] kunnen vragen om vergoeding van de rapporten van Ernst & Young die zijn uitgebracht in zowel de bezwaar- als in de beroepsfase.

4.6 Anders is het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het rapport van 27 januari 2009 van Ernst & Young dat [X], na de uitspraak van de AbRS van 24 december 2008, maar vóórdat het college het thans bestreden besluit had genomen, heeft ingebracht. De rechtbank begrijpt het standpunt van [X] aldus, dat hij in bezwaar ook vergoeding van deze kosten heeft gevraagd. Nu de rechtbank blijkens haar overwegingen onder 4.4 het primaire besluit van 28 oktober 1997 deels zal herroepen, heeft het college ten onrechte in het bestreden besluit deze kosten niet vergoed, zodat de rechtbank het beroep ook om die reden gegrond zal verklaren en het bestreden besluit in zoverre zal vernietigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten voor het rapport van 27 januari 2009 redelijkerwijs gemaakt en kunnen zij voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van artikel 8:75 juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb als onder nader aan te geven.

Kosten van rechtsbijstand

4.7 Vóór de inwerkingtreding van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op 12 maart 2002 gold op basis van de jurisprudentie dat alleen aanspraak bestond op vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure, en wel op de voet van artikel 8:73 van de Awb, als het bestreden besluit door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht was genomen: het "tegen beter weten in"- criterium. Op grond van de vele beschikbare gegevens uit de diverse procedures is de rechtbank niet gebleken - en heeft [X] ook niet voldoende gemotiveerd - waarom gezegd zou moeten worden dat het college het primaire besluit van 28 oktober 1997, voor zover het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, tegen beter weten in heeft genomen. Dat besluiten waarin het college op het bezwaar tegen dat besluit heeft beslist, door rechtbank en AbRS zijn vernietigd, rechtvaardigt op zich dat oordeel niet. Ten aanzien van de vergoeding van advocatenkosten die [X] vanaf de inwerkingtreding op 12 maart 2002 van artikel 7:15 van de Awb vordert, geldt voorts eveneens dat hij in de diverse procedures steeds heeft verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten. Die veroordeling is telkens op grond van artikel 8:75 van de Awb gevolgd. In die procedures had [X] ook kunnen vragen om vergoeding de advocatenkosten in bezwaar. Het college was daarom niet gehouden om bij wijze van schadevergoeding de geclaimde advocatenkosten aan [X] te vergoeden.

Immateriële schadevergoeding

4.8 Voor zover [X] een aanvullende immateriële schadevergoeding vordert, ziet de rechtbank daarvoor geen plaats. In haar uitspraak van 24 december 2008 heeft de AbRS onherroepelijk beslist over deze vorm van schadevergoeding. De AbRS heeft rekening gehouden met de spanning en de frustratie die [X] heeft ondervonden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gezondheidsklachten en de zakelijke beslommeringen die hij heeft ervaren, onder deze spanning en frustratie worden begrepen. Het college was daarom niet gehouden om deze kosten bij wijze van aanvullende schadevergoeding aan [X] te vergoeden.

Proceskostenveroordeling

4.9 Met toepassing van artikel 8:75 juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten in bezwaar en in beroep. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [X] € 966,00 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: zwaar, met een factor 1,5; waarde per punt € 322,00). Tevens ziet de rechtbank aanleiding om voor het deskundigenrapport van 27 januari 2009 (uitgebracht in de bezwaarschriftprocedure) en voor het rapport van Ernst & Young van 31 januari 2011 (uitgebracht in de onderhavige beroepsprocedure) de te vergoeden kosten voor elk rapport te stellen op 2 uur maal € 81,23 = € 162,46.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het college de inkomstenschade van [X] heeft vastgesteld op € nihil en de kosten van het rapport van 27 januari 2009 niet heeft vergoed;

- herroept het besluit van 28 oktober 1997, voor zover het college het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen;

- stelt het bedrag van de schadevergoeding vast op € 12.143,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als in rechtsoverweging 4.4 aangegeven;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt voor het gedeeltelijk vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat het college het griffierecht ad € 150,00 aan [X] vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [X] ten bedrage van € 1.290,92.

Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en W.S. Sikkema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.

w.g. T. Hoekstra, griffier (wegens afwezigheid van B.M. Van der Doef)

w.g. J.S. van der Kolk

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.