Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ8037

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
112279 - KG ZA 11-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

inhoud en wijze van uitoefenen erfdienstbaarheid; art. 5:73 BW; uitleg akte van vestiging; invloed redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 112279 / KG ZA 11-129

Vonnis in kort geding van 15 juni 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

advocaat mr. C.M. Vermeulen, kantoorhoudende te Den Haag,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te [adres],

2. [gedaagde2],

wonende te [adres],

gedaagden,

advocaat mr. I. Grijpma, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden]. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de fax met de producties 10 t/m 14 van mr. Vermeulen van 18 mei 2011

- de e-mail met een zevental producties van mr. Grijpma van 18 mei 2011

- de fax met de producties 15 t/m 19 van mr. Vermeulen van 19 mei 2011

- de fax met productie 20 van mr. Vermeulen van 20 mei 2011

- de descente en de mondelinge behandeling van 20 mei 2011 te [adres]

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagden].

1.2. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Grijpma bezwaar gemaakt tegen de late toezending van de producties 15 tot en met 20 van mr. Vermeulen. De voorzieningenrechter overweegt dat Grijpma in beginsel gelijk heeft, maar gelet op de omstandigheid dat de producties al in het dossier zaten en [gedaagden]. hiervan dan ook reeds kennis hebben kunnen nemen, ziet hij geen aanleiding om deze stukken buiten de behandeling te laten.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [eiser] en zijn vrouw zijn circa 17 jaar eigenaar van de woning kadastraal bekend [X], plaatselijk bekend [adres]. Uit het bestemmingsplan volgt dat het perceel van [eiser] in een gemengd gebied ligt dat bestemd is voor detailhandel.

2.2. [gedaagden]. zijn circa 17 jaar eigenaar van de woning kadastraal bekend g[Y], plaatselijk bekend [adres].

2.3. Op 16 juni 1918 is er middels akte een erfdienstbaarheid van recht van weg gevestigd ten behoeve van de percelen van [eiser] en [gedaagden]. met de volgende omschrijving:

‘dat het verkochte en het perceel van den naastlegger Bouma ten zuiden, sectie B, nummer 1441, wederzijds ten behoeve van elkander zijn bezwaard met de erfdienstbaarheid van weg over den grond tusschen beide gebouwen liggende, welke grond onbebouwd moet blijven liggen en niet mag worden gebezigd tot berg- en staanplaats van wagens en karren en andere rijtuigen.’

2.4. Op 2 augustus 2010 heeft de gemeente aan [gedaagden]. een bouwvergunning verleend voor de bouw van een carport met een lengte van 5,60 meter. Op 21 april 2011 is de bouw van de carport met een lengte van 3,50 meter – in plaats van 5,60 meter – afgerond.

2.5. Het huis van [eiser] staat op dit moment te koop.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagden]. gelast de huidige bouwwerkzaamheden ongedaan te maken ofwel om het tot nu toe gebouwde af te breken, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden]. vanaf betekening van het in deze te wijzen vonnis nalatig zijn om het in deze gevraagde verbod na te leven;

II [gedaagden]. veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagden]. voeren verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De standpunten van partijen

4.1. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagden]. onrechtmatig jegens hem handelen, nu [eiser] zijn recht van overpad als gevolg van de bouw van de carport niet meer kan uitoefenen. Hierdoor lijdt hij schade. Volgens [eiser] bestonden reeds ten tijde van de vestiging van de akte de aanbouw aan zijn woning en de aanbouw aan het huis van [gedaagden]. – die 2 meter langer was dan dat deze nu is – , waardoor de erfdienstbaarheid ook voor het stuk grond geldt waar thans de carport op is gebouwd, welke grond onbebouwd had moeten blijven. Hiertoe verwijst hij naar de overgelegde (kadastrale) tekeningen. Door de bouw van de carport kan er volgens [eiser] geen uitvoering meer worden gegeven aan de bestemming detailhandel, omdat bevoorradingsverkeer het pand niet meer kan bereiken. Hierdoor wordt het voor een ondernemer minder aantrekkelijk om het huis te kopen en vermindert de waarde van de woning. Volgens [eiser] hebben diverse bedrijven sinds 1930 hun onderneming vanuit de woning van [eiser] gedreven en gebruik gemaakt van het recht van overpad. Ten slotte stelt [eiser] dat hij zijn erf niet meer behoorlijk kan bereiken, omdat de doorgang, als gevolg van de carport, te smal wordt om daar met een auto en een caravan doorheen te rijden.

4.2. [gedaagden]. betwisten dat zij door de bouw van de carport onrechtmatig handelen jegens [eiser]. [gedaagden]. voeren aan dat in ieder geval de aanbouw van [eiser] in 1918 nog niet bestond, waardoor het verbod om te bouwen niet geldt voor het stuk grond dat daartussen ligt, te weten de grond waarop de carport is gebouwd. [gedaagden]. verwijzen hiertoe naar de overgelegde (kadastrale) tekeningen. Volgens [gedaagden]. gaat het om de inhoud van de akte van vestiging en niet om de bestemming die op het perceel van [eiser] rust. Uit de inhoud van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid blijkt in het geheel niet dat bevoorradingsverkeer moet komen en gaan over het pad van de openbare weg naar het achtererf. Volgens [gedaagden]. heeft [eiser] vanaf 1993 het pad alleen gebruikt met een auto met caravan of aanhangwagen, waardoor het niet nodig was, en ook niet gebeurde, om over het deel waar nu de carport is gevestigd te rijden.

5. De beoordeling

5.1. De voorzieningenrechter heeft tijdens de descente vastgesteld dat [eiser] door de bouw van de carport van [gedaagden]. met betrekking tot de auto en de caravan van [eiser], zoals hij die thans gebruikt – meerdere keren per jaar met de caravan op vakantie gaan en dagelijks in- en uitrijden met de auto – niet in zijn recht van weg wordt belemmerd. De doorgang naar het achtererf van [eiser] is voor de auto en caravan nog steeds toegankelijk mede doordat de carport niet, zoals de vergunning voorschreef, 5,60 meter, maar slechts 3,50 meter lang is. Ook vormt de auto van [gedaagden]. als die op de oprit voor het huis wordt geparkeerd – als de auto daar staat geparkeerd valt die overigens niet onder het verbod zoals genoemd in de akte, omdat de auto niet tussen de woningen staat – geen belemmering voor [eiser] om gebruik te maken van zijn eigen oprit. Gelet hierop is niet voldaan aan de eis dat er feiten en omstandigheden aangewezen kunnen worden die meebrengen dat de voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. De vordering dient reeds hierop af te stuiten.

5.2. Los van het vorenstaande overweegt de voorzieningenrechter verder als volgt.

Art. 5:73 lid 1 BW bepaalt dat de inhoud en de wijze van uitoefenen van een erfdienstbaarheid primair worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De beginselen van redelijkheid en billijkheid zullen bij de uitleg van de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend een rol spelen (HR 2 december 2005, NJ 2007, 5).

5.3. Partijen verschillen allereerst over de lengte van het recht van weg. Uit de akte, hiervoor geciteerd onder 2.3., volgt dat de erfdienstbaarheid is gevestigd op de oprit tussen de beide gebouwen, welke grond onbebouwd moet blijven liggen en niet mag worden gebezigd tot berg- en staanplaats van wagens en karren en andere rijtuigen. Er dient te worden onderzocht of de aanbouwen aan beide woningen reeds bestonden ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid. Indien dit het geval is, geldt het recht van weg ook voor het stuk grond tussen de aanbouwen, dan wel tussen de aanbouw van de één en de woning van de ander en andersom. Hierdoor zou het verbod om te bouwen ook kunnen gelden voor het stuk grond waarop de carport is gebouwd. De voorzieningenrechter constateert dat partijen en de door hun overgelegde (kadastrale) tekeningen ter onderbouwing van hun standpunten op bovengenoemd punt tegenover elkaar staan, zodat er in dit kort geding – dat zich niet leent voor nadere bewijslevering – niet van kan worden uitgegaan dat de erfdienstbaarheid – naast het onbetwiste deel tussen de woningen – ook is gevestigd op het gedeelte van de oprit liggend achter de oorspronkelijke woningen. Op deze grond is de vordering derhalve niet toewijsbaar.

5.4. Voorts verschillen partijen over de vraag, nu de carport er staat, of [eiser] te zwaar in zijn recht tot het uitoefenen van de erfdienstbaarheid wordt belemmerd. De erfdienstbaarheid brengt voor de eigenaar van het dienende erf verplichtingen met zich, die met behulp van art. 5:73 BW kunnen worden vastgesteld. [gedaagden]. zijn verplicht niets te doen waardoor zij afbreuk zouden doen aan de erfdienstbaarheid. Dit brengt mee, dat zij de betekenis van het servituut voor het heersende erf niet op onredelijke wijze mogen verminderen.

5.5. In r.o. 5.1. is reeds overwogen dat indien onder de betekenis van de erfdienstbaarheid privégebruik moet worden verstaan – in het onderhavige geval is dat meerdere keren per jaar met de caravan op vakantie gaan en dagelijks in- en uitrijden met de auto – [eiser] niet in zijn recht van weg wordt belemmerd. Dat zou anders kunnen zijn als onder de betekenis van het servituut (ook) de bestemming detailhandel valt. Hetgeen dan ook eerst moet komen vast te staan. Hiertoe dient te worden onderzocht of het perceel van [eiser] ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid reeds de bestemming detailhandel had (vgl. HR 24 mei 2002, LJN AD9593). In de onderhavige akte wordt de bestemming van de percelen niet genoemd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat aan de hand van de uitleg van de akte onvoldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid het perceel van [eiser] reeds de bestemming detailhandel had.

5.6. Omdat aan de interpretatie van de akte geen oplossing kan worden ontleend, schrijft art. 5:73 lid 1 BW aanvulling door de plaatselijke gewoonte voor. Mocht ook dan nog twijfel bestaan, dan is beslissend de wijze waarop de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw en zonder tegenspraak is uitgeoefend. [eiser] heeft slechts gesteld dat vanaf 1930 – en niet vanaf 1918, de datum van vestiging van de erfdienstbaarheid – diverse bedrijven hun onderneming vanuit de woning van [eiser] dreven en gebruik maakten van het recht van overpad. [gedaagden]. betwisten echter dat [eiser] vanaf 1993 de oprit heeft gebruikt voor een ander doel dan privégebruik, te weten met een auto met caravan of aanhangwagen. Nu partijen ook op dit punt tegenover elkaar staan, is ook aan de hand van deze criteria voorshands niet aannemelijk (gemaakt) dat rekening moet wordt gehouden met de bestemming detailhandel. Op deze grond is de vordering derhalve evenmin toewijsbaar.

5.7. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat indien in een bodemprocedure komt vast te staan dat onder de betekenis van het servituut de bestemming detailhandel valt, hiermee nog niet zonder meer is gegeven dat de carport de uitoefening van deze bestemming zou belemmeren. De doorgang is immers, mede gelet op de omstandigheid dat de carport minder lang is dan oorspronkelijk de bedoeling was, in principe breed genoeg voor bevoorradingsverkeer zoals een vrachtwagen.

5.8. De voorzieningenrechter overweegt, los van de vraag of er al dan niet sprake is van een spoedeisend belang, dat in dit kort geding in onvoldoende mate aannemelijk is geworden dat de erfdienstbaarheid zich ook uitstrekt over het gedeelte van de oprit ter hoogte van de reeds gebouwde carport van [gedaagden]. en – mede doordat niet is komen vast te staan dat onder de betekenis van het servituut de bestemming detailhandel valt – dat [eiser] door de bouw van de carport te zwaar in zijn recht tot het uitoefenen van de erfdienstbaarheid wordt belemmerd. Hierdoor moet het er voorshands voor worden gehouden dat het handelen van [gedaagden]. – het bouwen van een carport op hun oprit – niet kan worden aangemerkt als een inbreuk op de erfdienstbaarheid van het recht van weg van [eiser]. Bovendien is de vordering tot het ongedaan maken van de bouwwerkzaamheden, die reeds afgerond zijn, een te verstrekkende voorziening nu niet voorshands aannemelijk is (gemaakt) dat de bodemrechter [eiser] gelijk zal geven. De voorzieningenrechter zal de vorderingen daarom afwijzen.

5.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden]. worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 258,00

- salaris advocaat EUR 816,00

Totaal EUR 1.074,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1. wijst de vorderingen af;

6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden]. tot op heden vastgesteld op EUR 1.074,00;

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken door mr. Th.G. Lautenbach op 15 juni 2011.?