Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ8032

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
AWB 11/779
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Versnelde behandeling
Inhoudsindicatie

Buiten behandelen stellen aanvraag verlenging geldigheidsduur nationaal paspoort. Vingerafdrukken. Artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [X]),

en

de burgemeester van de gemeente Leeuwarden,

verweerder (hierna: de burgemeester),

gemachtigden: P.J. Achterhof en H.J. van Zoomeren, beiden werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft de burgemeester de aanvraag van [X] om verlenging van de geldigheidsduur van zijn nationaal paspoort ([nummer paspoort]) buiten behandeling gesteld. Het tegen dit besluit door [X] gemaakte bezwaar is door de burgemeester bij besluit van 14 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard (hierna: besluit A). Tegen dit besluit heeft [X] beroep aangetekend. Bij besluit van 15 april 2011 (hierna: besluit B) heeft de burgemeester besluit A ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2011 ongegrond verklaard. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb heeft de rechtbank het beroep tegen besluit A mede gericht geacht tegen besluit B. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 9 juni 2011, waarbij [X] in persoon is verschenen en de burgemeester zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Motivering

Wettelijk kader

1.1 Ingevolge artikel 1, onderdeel a, van de Paspoortwet wordt onder een aanvraag onder meer verstaan het verzoek tot wijziging van gegevens vermeld in een eerder verstrekt reisdocument. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet is een nationaal paspoort een reisdocument van het Koninkrijk der Nederlanden. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Paspoortwet, voor zover hier van belang en gelezen in samenhang met artikel 1, onderdeel k, van de Paspoortwet, is een reisdocument voorzien van twee vingerafdrukken volgens nader door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk te stellen regels.

1.2 Artikel 28a, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: de PUN) bepaalt dat bij het indienen van een aanvraag voor een reisdocument de afdrukken van vier vingers van de aanvrager worden opgenomen. Op grond van artikel 39, eerste lid, van de PUN wordt een aanvraag niet in behandeling genomen indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 28a, eerste lid, van de PUN.

1.3 Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan het bestuursorgaan, indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag besluiten de aanvraag niet te behandelen.

1.4 Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover hier van belang, heeft iedereen recht op respect voor zijn privéleven. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Geschil

2.1 De burgemeester heeft de aanvraag van [X] op grond van artikel 39, eerste lid van de PUN buiten behandeling gesteld, omdat hij zijn vingerafdrukken niet af heeft willen staan.

2.2 [X] erkent dat hij geweigerd heeft zijn vingerafdrukken af te staan. Hij is echter van mening dat het moeten afstaan van vingerafdrukken een ongerechtvaardigde inbreuk op het respect van zijn privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM vormt en dat de burgemeester daarom artikel 28a, eerste lid, van de PUN buiten toepassing had moeten laten.

Beoordeling van het geschil

3.1 Gesteld noch gebleken is dat [X] nog een rechtens te honoreren belang heeft bij een beoordeling van besluit A. Het beroep, voor zover gericht tegen besluit A, zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.2 Voor wat betreft besluit B staat allereerst ter beoordeling of de burgemeester door de aanvraag buiten behandeling te stellen, heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM. De burgemeester heeft daarover in besluit B aangegeven dat het recht op privéleven, zoals verwoord in artikel 8 van het EVRM, kan worden ingeperkt op grond van openbare orde en veiligheid. Deze belangen worden gediend door het creëren van een betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten ter voorkoming van identiteitsfraude bij het aanvragen van die documenten en het gebruik daarvan.

3.3 De rechtbank oordeelt dat met de hiervoor onder 1.1 en 1.2 weergegeven wetgeving een inbreuk wordt gemaakt op het recht op privéleven van [X] en andere burgers. Artikel 8 van het EVRM voorziet in de mogelijkheid van inmenging in het recht op privéleven voor zover daarin bij wet is voorzien. Dit houdt mede in dat de wettelijke regeling voldoende toegankelijk en voorzienbaar moet zijn (zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) Doerga tegen Nederland, A.50210/99, van 27 april 2004). Tevens moet de beperking in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens vaste rechtspraak is inmenging slechts noodzakelijk als sprake is van een dringende maatschappelijke behoefte en indien de inmenging proportioneel is met het te beschermen belang (zie het arrest van het EHRM Berrehab tegen Nederland, A. 10730/84, van 21 juni 1988). Bij de vaststelling of een inbreuk nodig is in een democratische samenleving heeft de overheid beoordelingsruimte ("margin of appreciation").

3.4 Met de burgemeester is de rechtbank van oordeel dat met het moeten afstaan en het gebruik van vingerafdrukken, als geregeld in het hier ter toetsing staande wettelijke kader, de bescherming van de openbare orde en veiligheid is gediend. Dit zijn belangen die door artikel 8 van het EVRM worden bestreken. De rechtbank is verder van oordeel dat de nationale wetgever zijn beoordelingsmarge niet heeft overschreden door uit te gaan van een dringende maatschappelijke behoefte, welke artikel 8 van het EVRM vereist. Getuige de wetsgeschiedenis heeft de wetgever zijn oordeel doen steunen op onderzoek door TNO, die een frauderisicoanalyse heeft uitgevoerd en heeft voorts intensief beraad plaatsgevonden met betrokken deskundigen van onder meer de CRI, BVD en de Koninklijke Marechaussee. Uit de frauderisicoanalyse van TNO is onder meer naar voren gekomen dat binnen het oude uitgifteproces look-alike fraude als risicofactor moest worden beschouwd. Dit risico werd mede veroorzaakt doordat gepersonaliseerde documenten in de oude vorm slechts een beperkte bescherming boden tegen misbruik door anderen. Ten aanzien van de gepersonaliseerde documenten zijn enkele risico’s onderkend. Geconstateerd is onder meer dat de opeenstapeling van beveiligingskenmerken een belemmering kan vormen voor de effectiviteit van de controle van de documenten. Uit het beraad met CRI, BVD en de Koninklijke Marechaussee over de beveiligingseisen van de nieuwe generatie reisdocumenten is verder voortgekomen dat hoge eisen aan het aanvraag- en uitgifteproces dienen te worden gesteld, gezien het toenemend belang van de identiteitsvaststellende functie van reisdocumenten in het maatschappelijk verkeer. Het proces van identiteitsvaststelling in het kader van de afgifte, maar ook bij controle, is daarbij essentieel geacht voor het betrouwbaar houden van het Nederlandse reisdocument. In dit licht zou de introductie van biometrie een belangrijke stap vooruit kunnen betekenen (Kamerstukken II, 25 764, nr. 7, p. 2 en 3). Hoewel de kamerstukken zien op het wettelijke kader zoals dat uiteindelijk in zijn totaliteit is beoogd, waarover de rechtbank thans geen oordeel velt, hebben de aangehaalde passages tevens betrekking op het thans in werking getreden kader. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan de wetgever het bestaan van een dringende maatschappelijke behoefte heeft kunnen aannemen.

3.5 Uit het voorgaande volgt dat de burgemeester bij de beoordeling van de aanvraag van [X] het bepaalde in artikel 28a, eerste lid, van de PUN niet buiten toepassing hoefde te laten. Nu vast staat dat [X] geen vingerafdrukken heeft willen afstaan, was de burgemeester, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 39, eerste lid, van de PUN, gehouden de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het beroep, voor zover gericht tegen besluit B, dient dus ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

4.1 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen besluit B, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.