Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ7698

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/410 en AWB 10/1338
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BY4338
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag (strafontslag) na herhaald plichtsverzuim. Geen evenredigheidstoets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/410 en AWB 10/1338

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [X]),

gemachtigde: mr. R.G. Riemersma, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle.

Procesverloop

Op 19 januari 2010 heeft het college [X] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/UWO) van de gemeente Leeuwarden (strafontslag). Tegen dit besluit heeft [X] op 22 februari 2010 beroep aangetekend. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 10/410. Op 21 juni 2010 heeft het college [X] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Tegen dit besluit heeft [X] beroep aangetekend. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 10/1338. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 15 maart 2011. [X] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] en [B], beiden werkzaam bij de afdeling Stadsontwikkeling en -beheer van de gemeente Leeuwarden.

Motivering

Feiten

1.1 Op 17 augustus 2005 is [X] door het college, onder voorbehoud van overlegging van een positieve verklaring omtrent gedrag (VOG), vanaf 15 augustus 2005 benoemd tot parkeercontroleur, voor de duur van één jaar, tot 15 augustus 2006. Op 23 augustus 2005 heeft de Minister van Justitie aan [X] een VOG verstrekt.

1.2 Op 11 november 2005 heeft het college [X] berispt wegens plichtsverzuim, bestaande uit het tegen betaling als beveiligingsbeambte werkzaam zijn geweest bij een particulier beveiligingsbedrijf ([naam bedrijf]). [X] is daarbij te verstaan gegeven dat indien hij zich vóór 1 november 2006 opnieuw schuldig maakt aan plichtsverzuim hij ernstig rekening moet houden met ontslag.

1.3 Tijdens een overleg op 19 juni 2007, waarbij [X] en zijn collega-parkeercontroleurs aanwezig waren, is aan de orde gekomen dat gebleken is dat zij en andere collega's die met hun auto's fout geparkeerd staan niet worden beboet en dat wél gegeven boetes aan collega's veelvuldig worden geseponeerd. De parkeercontroleurs is te verstaan gegeven dat deze praktijk absoluut niet getolereerd wordt en met onmiddellijke ingang gestaakt moet worden. Verder is de parkeercontroleurs te verstaan gegeven dat indien in de toekomst mocht blijken dat nog steeds op deze wijze wordt gehandeld, de betrokken parkeercontroleurs uit hun functie zullen worden ontheven. Voor wat betreft het seponeren van boetes is aangegeven dat dit alleen nog maar mogelijk is met toestemming van de manager Stadstoezicht, [A]. Omdat de parkeercontroleurs hebben aangegeven dat hun handelwijze niet juist en integer is en dat hieraan een einde moet komen, heeft het college besloten nog geen disciplinaire maatregelen te nemen, maar volstaan met een laatste dringende waarschuwing. Op 9 juli 2007 heeft [X] een dergelijke waarschuwing gekregen.

1.4 Op 2 januari 2008 heeft het college [X] meegedeeld dat het voornemens is hem voorwaardelijk strafontslag te verlenen, met een proeftijd van twee jaar, eindigend op 1 februari 2010, omdat hij de zakelijke mobiele telefoon privé heeft gebruikt. Gebleken is dat hij op kosten van de gemeente € 500 privé heeft gebeld. Aan het voornemen is daarom de voorwaarde verbonden dat hij dit bedrag vóór 1 februari 2010 terugbetaalt en dat hij zich in de toekomst onthoudt van enige vorm van plichtsverzuim. Het college heeft [X] verder meegedeeld dat het voornemens is om een straf op te leggen, namelijk het verminderen van het aantal verlofuren naar rato van bruto € 500. Dit komt overeen met 40,1 verlofuren. Op 9 januari 2008 heeft [X] zijn zienswijze gegeven op het voornemen. Op 4 maart 2008 heeft het college besloten overeenkomstig zijn voornemen van 2 januari 2008, met dien verstande dat het einde van de proeftijd is bepaald op 1 maart 2010. Daarbij is in aanmerking genomen dat [X], zoals ook al in het voornemen was aangegeven, sinds zijn aanstelling tweemaal, in november 2005 en in juli 2007, disciplinair is aangesproken op zijn gedrag.

1.5 Op 31 augustus 2009, omstreeks 12.30 uur, heeft [X] zich telefonisch ziekgemeld bij [A]. In de loop van dit gesprek is afgesproken dat [X] zich op 2 september 2009 om 12.00 uur bij de bedrijfsarts meldt.

1.6 Op 22 september 2009 heeft het college [X] meegedeeld dat het voornemens is over te gaan tot uitvoering van het voorwaardelijk gegeven strafontslag, omdat hij zich gedurende de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Daartoe is met name overwogen dat [X] zich op 31 augustus 2009 ten onrechte ziek heeft gemeld en bij zijn ziekmelding niet de ware reden van zijn afwezigheid heeft vermeld, namelijk dat hij op het politiebureau werd vastgehouden voor verhoor wegens vermeend huiselijk geweld tegen zijn echtgenote. Bovendien is de ziekmelding op 31 augustus 2009 in strijd met het verzuimprotocol te laat gedaan. Op 8 oktober 2009 heeft [X] zijn zienswijze gegeven op het voornemen. Op 13 oktober 2009 heeft het college [X] overeenkomstig het voornemen strafontslag verleend, met ingang van 1 november 2009. Tegen dit besluit heeft [X] op 20 november 2009 bezwaar gemaakt, in welk kader hij heeft gewezen op een verklaring van 16 november 2009 van politieagent [naam politieagent], die hem op 31 augustus 2009 heeft verhoord.

1.7 Op 27 november 2009 heeft [X] het college verzocht terug te komen op de op 9 juli 2007 gegeven waarschuwing en het op 4 maart 2008 gegeven voorwaardelijke strafontslag. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het college deze verzoeken afgewezen. Tegen dit besluit heeft [X] op 28 december 2009 bezwaar gemaakt.

1.8 Bij besluit op bezwaar van 19 januari 2010 heeft het college het op 13 oktober 2009 gegeven strafontslag gehandhaafd, overeenkomstig het advies van 12 januari 2010 van de kamer voor personeelsaangelegenheden van de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie). In dit advies heeft de commissie overwogen dat, in het licht van de verklaring van [naam politieagent], [X] niet verweten kan worden dat hij zich ziek heeft gemeld. De commissie verwijt [X] echter wel dat hij na zijn vrijlating niet direct openheid van zaken heeft gegeven.

1.9 Bij besluit op bezwaar van 21 juni 2010 heeft het college zijn weigering om terug te komen op de 9 juli 2007 gegeven waarschuwing en het op 4 maart 2008 gegeven voorwaardelijke strafontslag gehandhaafd, overeenkomstig het advies van 8 juni 2010 van de commissie.

1.10 Bij besluit van 25 november 2009 heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) geweigerd aan [X] per 2 november 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) te verstrekken onder de overweging dat hij per 1 november 2009 verwijtbaar werkloos is geworden. Bij besluit op bezwaar van 7 april 2010 heeft het Uwv zijn beslissing van 25 november 2009 herroepen en aan [X] alsnog per 2 november 2009 een WW-uitkering toegekend. Tegen dit besluit heeft het college beroep aangetekend. Dit beroep, dat is geregistreerd onder AWB 10/902, is net als de onderhavige zaken behandeld ter zitting van 15 maart 2011.

Geschil

2.1 [X] is van mening dat de op 9 juli 2007 gegeven waarschuwing ongedaan gemaakt moet worden, omdat hij zich, zoals hij al heeft aangegeven tijdens het overleg op 19 juni 2007, niet schuldig heeft gemaakt aan de in 1.3 omschreven handelwijze. [X] is verder van mening dat het college op 4 maart 2008 nooit had besloten tot voorwaardelijk strafontslag indien het het college duidelijk was geweest dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de in 1.3 omschreven handelwijze. Immers, indien de waarschuwing van 9 juli 2007 niet zou gelden dan zou van een proeftijd geen sprake zijn geweest en zou na de ziekmelding op 31 augustus 2009 geen strafontslag zijn gevolgd. Met betrekking tot het definitieve strafontslag erkent [X] dat hij na zijn vrijlating niet onmiddellijk openheid van zaken heeft gegeven. Hij is echter van mening dat dit niet gekwalificeerd kan worden als ernstig plichtsverzuim. Hij is voorts van mening dat het strafontslag hem onevenredig hard treft. In dit verband heeft hij opgemerkt dat het college bekend was met zijn drankprobleem en zijn relationele problemen, welke uiteindelijk hebben geleid tot een echtscheidingsverzoek van zijn echtgenote.

2.2 Het college heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van de geschillen

Zaak 10/1338 (weigering terug te komen op)

3.1 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

3.2 De rechtbank oordeelt dat [X] aan zijn verzoek om terug te komen op de waarschuwing van 9 juli 2007 en het voorwaardelijke strafontslag van 4 maart 2008 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. [X] heeft weliswaar gesteld dat hij tijdens het overleg op 19 juni 2007 heeft aangegeven dat hij zich niet heeft ingelaten met de in 1.3 omschreven handelwijze, maar niet gebleken is dat hij dit niet had kunnen aanvoeren in het kader van een tegen de waarschuwing gericht bezwaarschrift. Dat hij dit uit collegialiteit met zijn collega's heeft nagelaten, maakt dit niet anders. Het college kon daarom voor de afwijzing van het verzoek verwijzen naar de eerdere waarschuwing van 9 juli 2007 en het voorwaardelijke strafontslag van 4 maart 2008.

3.3 Het beroep is ongegrond.

Zaak 10/410 (strafontslag)

3.4 Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO, voor zover hier van belang, kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair worden gestraft. Ingevolge artikel 16:1:1, tweede lid, van de CAR/UWO omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 8:13 kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

3.5 De rechtbank stelt vast dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 4 maart 2008, nu [X] daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, als onherroepelijk moet worden beschouwd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2011 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BP1790), dient bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt, waarbij er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een evenredigheidstoetsing.

3.6 De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat [X] zich door zijn gedrag na zijn vrijlating, er uit bestaande dat hij na zijn vrijlating niet onmiddellijk openheid van zaken heeft gegeven over de (reden van de) ziekmelding van 31 augustus 2009 binnen de proeftijd wederom aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. [X] heeft weliswaar aangegeven dat hij in de dagen na zijn vrijlating in een emotionele instabiele situatie verkeerde, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband hiermee geen contact kon opnemen met zijn leidinggevende(n), al dan niet via de zogenoemde pikettelefoon, teneinde openheid van zaken te geven. In dat kader wijst de rechtbank er op dat [X] op 1 september 2009 wel in staat is gebleken om telefonisch contact op te nemen met [C], de secretaresse van [A]. De rechtbank verwerpt het betoog van [X] dat [A] al op 31 augustus 2009 op de hoogte was van de werkelijke reden van zijn ziekmelding, namelijk dat hij op het politiebureau door [naam politieagent] werd verhoord. Een zoon van [X] heeft weliswaar op 31 augustus 2009 telefonisch aan [C] doorgegeven dat zijn vader op het politiebureau verbleef, maar hieruit kon [A] niet opmaken dat dit verband hield met een verhoor wegens vermeend huiselijk geweld. [X] was op dat moment immers buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) en in die hoedanigheid kwam hij regelmatig op het politiebureau. [A] kon dus zonder een nadere toelichting van de zoon van [X] of van [X] zelf niet bevroeden dat hij op 31 augustus 2009 aanwezig was op het politiebureau, anders dan beroepshalve.

3.7 Het beroep is ongegrond.

Schadevergoeding en proceskosten

4.1 Voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, waar [X] in het kader van beide beroepen om heeft verzocht, is geen ruimte omdat dit artikel slechts ziet op de situatie dat het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank acht evenmin termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en K.J. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.