Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ7490

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
112017 KG ZA 11-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

opheffing conservatoir beslag; ondeugdelijke vordering; individuele aandeelhouder kan bestuurder niet op grond van artikel 2:9 BW rechtstreeks aansprakelijk stellen; artikel 2:9 BW ziet op interne aansprakelijkheid bestuurder jegens vennootschap en niet op externe aansprakelijkheid bestuurder-aandeelhouder

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2011/220
JONDR 2011/42
JOR 2011/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 112017 / KG ZA 11-116

Vonnis in kort geding van 1 juni 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres]e,

eiser,

advocaat: mr. Y.K. van Dijk, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SWISCH HOLDING B.V.,

gevestigd te Hurdegaryp,

gedaagde,

advocaat: mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudende te Tynaarlo.

Partijen zullen hierna [eiser] en Swisch Holding genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte houdende producties van de zijde van [eiser];

- de mondelinge behandeling van de zaak, gehouden op 19 mei 2011;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van Swisch Holding.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De heer [X] – zijnde de directeur van Swisch Holding – en [eiser] hebben bij notariële akte van 11 januari 2008 de besloten vennootschap F&V Shipping B.V. (hierna: F&V Shipping) opgericht. [eiser] en Swisch Holding zijn als bestuurders van deze vennootschap aangesteld en houden ieder 50 % van de aandelen in F&V Shipping.

2.2. Swisch Holding heeft in haar hoedanigheid van aandeelhouder van F&V Shipping [eiser] als bestuurder van F&V Shipping aansprakelijk gesteld voor wanbeleid binnen deze vennootschap en voor de schade die zij hierdoor volgens eigen zeggen heeft geleden en nog zal lijden. Ter zekerheid van verhaal van haar schadevordering, heeft Swisch Holding – na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 12 mei 2010 – op 18 mei 2010 conservatoir beslag doen leggen op een sportvliegtuig van [eiser] (hierna: het sportvliegtuig).

2.3. Swisch Holding heeft vervolgens bij deze rechtbank een eis in hoofdzaak ingesteld jegens [eiser]. Zij vordert in de hoofdzaak, die bij de rechtbank bekend staat onder zaak- en rolnummer: 106173 / HA ZA 10-663, een verklaring voor recht dat [eiser] zich onrechtmatig jegens haar heeft gedragen, althans wanprestatie jegens haar heeft gepleegd, door zijn taken als aandeelhouder/bestuurder van F&V Shipping onbehoorlijk te vervullen en/of zijn financiële verplichtingen niet behoorlijk na te komen, alsmede dat [eiser] uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk is voor de daardoor door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.4. [eiser] heeft op 11 oktober 2010 ontslag genomen als bestuurder van F&V Shipping.

2.5. De hoofdzaak staat thans op de rol van 5 oktober 2011 voor vonnis.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – kort gezegd – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. het beslag opheft dat Swisch Holding op het sportvliegtuig van [eiser] heeft gelegd;

2. Swisch Holding gebiedt om – op straffe van verbeurte van een dwangsom – binnen vierentwintig uur na de betekening van dit vonnis, al die maatregelen te (doen) treffen die noodzakelijk zijn om het in beslag genomen sportvliegtuig feitelijk en zonder enige verhindering ter vrije beschikking te stellen aan [eiser];

3. Swisch Holding gebiedt, telkens wanneer zij zich ter zake van enige door haar jegens [eiser] gepretendeerde vordering(en) tot een voorzieningenrechter richt met een verzoek tot beslaglegging ten aanzien van enig vermogensbestanddeel van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom deze voorzieningenrechter in het betreffende verzoekschrift op de hoogte te stellen van de onderhavige beslissing door een kopie daarvan bij het verzoekschrift over te leggen;

4. Swisch Holding veroordeelt in de proceskosten.

3.2. Swisch Holding voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen van [eiser] strekken (onder andere) tot opheffing van het conservatoir beslag dat Swisch Holding op het sportvliegtuig heeft doen leggen.

4.2. De voorzieningenrechter heeft ter zitting bepaald dat de drie producties die Swisch Holding binnen vierentwintig uur voor de mondelinge behandeling van de zaak heeft toegestuurd aan [eiser] en heeft ingediend bij de rechtbank, op grond van artikel 6.2. van het Procesreglement kort gedingen buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser]. Hoewel de omvang van deze producties gering is en [eiser] hiervan kennis heeft kunnen nemen, heeft [eiser] aannemelijk gemaakt dat hij – gelet op de inhoud van de producties – hierop niet adequaat heeft kunnen reageren.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat het beslag ingevolge artikel 705 lid 2 Rv onder meer dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Het ligt op de weg van degene die de opheffing van het beslag vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is (HR 14 juni 1996, NJ 1997, 481). Voor de opheffing van het beslag is – anders dan door Swisch Holding is aangevoerd – niet een spoedeisend belang daarbij vereist.

4.4. [eiser] heeft gesteld dat de vordering in de hoofdzaak van Swisch Holding ondeugdelijk is, omdat Swisch Holding artikel 2:9 BW aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd, terwijl dit artikel enkel ziet op de interne aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de vennootschap en niet op de – in de hoofdzaak ter discussie staande – (externe) aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een individuele aandeelhouder.

4.5. Swisch Holding heeft aangevoerd dat [eiser] in strijd handelt met de goede procesorde door de opheffing van het door haar gelegde beslag te vorderen in de onderhavige procedure, omdat zodoende een versnelde en voorlopige uitspraak in de hoofdzaak wordt uitgelokt. Daarnaast heeft [eiser] volgens Swisch Holding niet aangetoond dat haar vordering ondeugdelijk is.

4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Swisch Holding niet, dan wel onvoldoende, onderbouwd heeft gesteld dat [eiser] in strijd handelt met de goede procesorde door opheffing van het beslag te vorderen. Het staat [eiser] op grond van artikel 705 lid 1 Rv immers vrij om – in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak – opheffing van het beslag te vorderen en om in dit kader een voorlopige inschatting van de rechtspositie van Swisch Holding in de hoofdzaak te vragen.

4.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is (meer dan) summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering in de hoofdzaak gebleken. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. In de hoofdzaak heeft Swisch Holding, in haar hoedanigheid van individueel aandeelhouder van F&V Shipping, [eiser] in zijn hoedanigheid van (oud-) bestuurder van F&V Shipping op grond van artikel 2:9 BW aangesproken. Artikel 2:9 BW ziet – gelijk [eiser] heeft gesteld – echter op de interne aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap en niet op de externe aansprakelijkheid van de bestuurder jegens een individuele aandeelhouder. Een vordering op grond van artikel 2:9 BW dient dan ook door de vennootschap zelf te worden ingesteld. Een individuele aandeelhouder – zoals Swisch Holding – kan niet met succes een beroep doen op dit artikel. Een individuele aandeelhouder kan een bestuurder evenwel aansprakelijk stellen op grond van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Bij de beoordeling van de vraag of een bestuurder jegens een individuele aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld, heeft de norm van interne aansprakelijkheid van artikel 2:9 BW overeenkomstig te gelden, in die zin dat de norm van artikel 2:9 BW de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW inkleurt (zie HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21). Anders dan Swisch Holding heeft aangevoerd, brengt voornoemd arrest echter niet met zich dat een individuele aandeelhouder een bestuurder rechtstreeks op grond van artikel 2:9 BW kan aanspreken. Omdat Swisch Holding in haar hoedanigheid van aandeelhouder [eiser] derhalve niet als bestuurder kan aanspreken op grond van artikel 2:9 BW, kan deze door Swisch Holding aangevoerde grondslag de vordering in de hoofdzaak niet dragen.

4.8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om bij de beoordeling van (on)deugdelijkheid van de vordering in de hoofdzaak de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen door de vordering te toetsen aan artikel 6:162 BW, nu Swisch Holding de grondslag van haar vordering in de hoofdzaak uitdrukkelijk heeft beperkt tot artikel 2:9 BW. Swisch Holding heeft in de conclusie van repliek in de hoofdzaak namelijk expliciet gesteld: “Teneinde verder misverstanden uit de weg te ruimen geldt dat de grondslag van de vordering artikel 2:9 BW is”. Daarnaast heeft Swisch Holding tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding d.d. 19 mei 2011 – desgevraagd – expliciet verklaard dat de grondslag van haar vordering beperkt is tot artikel 2:9 BW. Artikel 6:162 BW en in dat verband het causale verband tussen de schade en de mogelijke onrechtmatige daad, is (hierdoor) ook geen onderwerp van debat geweest tussen partijen.

4.9. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het beslag dat Swisch Holding op het sportvliegtuig van [eiser] heeft gelegd opheffen en de vorderingen van [eiser] in zoverre toewijzen. Een afweging van de belangen van partijen staat hier – mede gelet op de evident ondeugdelijke vordering van Swisch Holding in de hoofdzaak – niet aan in de weg.

4.10. Nu Swisch Holding geen verweer heeft gevoerd tegen de overige door [eiser] ingestelde vorderingen, zal de voorzieningenrechter ook deze vorderingen toewijzen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat het (in rechtsoverweging 3.1. opgenomen) onder 3. gevorderde gebod enkel zal gelden met betrekking tot door Swisch Holding jegens [eiser] gepretendeerde vorderingen, waaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt als aan de vordering in de hoofdzaak. De beslissing in de onderhavige zaak speelt immers enkel een rol in procedures die op ditzelfde feitencomplex betrekking hebben. De voorzieningenrechter begrijpt de door [eiser] gevorderde dwangsom met betrekking voornoemd gebod voorts aldus, dat Swisch Holding een eenmalige (en maximale) dwangsom verbeurt van EUR 25.000,- indien zij in strijd handelt met dit gebod en zal de vordering van [eiser] ook in die zin toewijzen.

4.11. Swisch Holding zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:

- dagvaarding EUR 90,81

- verschotten KvK 13,09

- vast recht 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.177,90

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1. heft op het uit kracht van de beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2010 ten laste van [eiser] op het vliegtuig van het merk en type KAPPA KP-2UR “SOVA”, bouwjaar 2006 en serienummer 2121139L, en IVW registratie PH-3Z5, kleur zilvergrijs met gele striping en zwarte band striping, gelegde beslag,

5.2. gebiedt Swisch Holding om binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis al die maatregelen te (doen) treffen die noodzakelijk zijn om het in beslag genomen vliegtuig feitelijk en zonder enige verhindering ter vrije beschikking te stellen aan [eiser], waaronder begrepen het verwijderen van de ketting aan de lift c.q. het vliegtuig, en het tot op de begane grond laten zakken van de lift waar het vliegtuig op staat, en met veroordeling van Swisch Holding om voor iedere dag dat Swisch Holding in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 5.000,- per dag met een maximum van EUR 50.000,-,

5.3. gebiedt Swisch Holding, telkens wanneer zij zich ter zake van enige door haar jegens [eiser] gepretendeerde vordering(en) waaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt als aan de vordering in de hoofdzaak - welke hoofdzaak bij de rechtbank bekend staat onder zaak- en rolnummer: 106173 / HA ZA 10-663 - tot een voorzieningenrechter (waaronder begrepen de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 31 EEX-Verordening, nr. 44/2001) richt met een verzoek tot beslaglegging (waaronder begrepen voorlopige of bewarende maatregelen in de zin van voornoemd artikel 31) ten aanzien van enig vermogensbestanddeel van [eiser], deze voorzieningenrechter in het betreffende verzoekschrift op de hoogte te stellen van de onderhavige beslissing door een kopie daarvan bij verzoekschrift over te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

EUR 25.000,-,

5.4. veroordeelt Swisch Holding in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op EUR 1.177,90,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.?